202601197/1/R4.
Datum uitspraak: 2 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in Randwijk, gemeente Overbetuwe,
appellant,
en
de raad van de gemeente Overbetuwe,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 24 februari 2026 heeft de raad het "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o Woningbouw Kerkstraat, Randwijk" als wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Overbetuwe vastgesteld (het wijzigingsbesluit).
Hiertegen heeft [appellant] beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft het beroep op zitting behandeld op 13 augustus 2026, waar [appellant] en de raad, vertegenwoordigd door mr. P. Izgi en J.I.S. Wouda, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Het wijzigingsbesluit maakt 15 grondgebonden woningen, waaronder twee woonwagens, mogelijk aan de Kerkstraat in Randwijk. [appellant] is eigenaar van het perceel [locatie A] in Randwijk. De achterkant van dat perceel grenst aan de locatie waar het wijzigingsbesluit op ziet. [appellant] is het niet eens met het wijzigingsbesluit en heeft daarom beroep ingesteld.
2. [appellant] betoogt dat de raad ten onrechte woningbouw aan de Kerkstraat toestaat, zonder hem de mogelijkheid te geven om op het achterste deel van zijn perceel twee woningen te bouwen. Volgens [appellant] zijn de locatie waar het wijzigingsbesluit op ziet en zijn perceel ruimtelijk vergelijkbaar en had de raad daarom in het wijzigingsbesluit moeten voorzien in vergelijkbare ontwikkelingsmogelijkheden voor zijn perceel. Nu dat is nagelaten, is het wijzigingsbesluit in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het gelijkheidsbeginsel. Hier komt bij dat de locatie van de woningbouw aan de Kerkstraat een toekomstige ontsluiting via die straat van woningen op het achterste deel van zijn perceel onmogelijk maakt, aldus [appellant]. [appellant] betoogt verder dat door het achterwege blijven van vergelijkbare ontwikkelingsmogelijkheden voor zijn perceel de waardeontwikkeling van dat perceel achterblijft ten opzichte van omliggende gronden, wat volgens hem in strijd is met artikel 3:4 van de Awb.
2.1. De Afdeling stelt vast dat [appellant] zijn wens om op het achterste deel van zijn perceel twee woningen te bouwen pas tijdens deze beroepsprocedure aan de raad kenbaar heeft gemaakt. Hij heeft deze wens niet voorafgaand aan het nemen van het wijzigingsbesluit kenbaar gemaakt, in een zienswijze over het ontwerpbesluit of op andere wijze. De Afdeling heeft er begrip voor dat [appellant] vanwege zwaarwegende persoonlijke omstandigheden niet in staat was om dat te doen, maar dit betekent wel dat de raad bij het nemen van het wijzigingsbesluit niet bekend was met die wens en dat ook niet hoefde te zijn. Alleen al hierom kunnen de betogen van [appellant], die er allemaal op neerkomen dat bij het nemen van het wijzigingsbesluit ten onrechte geen rekening is gehouden met zijn wens om op het achterste deel van zijn perceel twee woningen te bouwen, niet slagen.
3. Het beroep is ongegrond.
4. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. A. ten Veen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.P.J.M. van Grinsven, griffier.
w.g. Ten Veen
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Grinsven
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2026
462