202601937/1/A2.
Datum uitspraak: 2 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellante],
appellante,
en
het college van beroep voor de examens van HAN University of Applied
Sciences (het CBE),
verweerder.
Procesverloop
Bij e-mail van 26 november 2025 heeft de examinator van de Academie Mens en Maatschappij van de HAN University of Applied Sciences (de examinator) aan [appellante] medegedeeld hoe zij in aanmerking kan komen voor een herkansing voor het maken van het SOM-portfolio.
Bij e-mail van 3 februari 2026 heeft de examinator aan [appellante] de beoordeling voor het SOM-portfolio kenbaar gemaakt en medegedeeld dat deze niet zal worden ingevoerd in het studentinformatiesysteem Osiris.
Bij beslissing van 23 juni 2026 heeft het CBE het door [appellante] tegen de e-mails van 26 november 2025 en 3 februari 2026 ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.
Het CBE heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 augustus 2026, waar [appellante], via een videoverbinding, in de zaal bijgestaan door C.J.A. van Vliet, rechtsbijstandverlener in Markelo, en het CBE, vertegenwoordigd door mr. R.E. Jansen, zijn verschenen. Tevens zijn de examencommissie, vertegenwoordigd door mr. F.D. Bick, advocaat in Arnhem, en dr. M.M. Gerritsen, examinator, ter zitting verschenen.
Overwegingen
Wettelijk kader
1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Inleiding
2. [appellante] stond van januari tot en met augustus 2025 ingeschreven als student aan de HAN University of Applied Sciences (de HAN). Om meteen te kunnen instromen in het derde jaar van de opleiding Social Work heeft zij gekozen voor de mogelijkheid om door middel van een portfolio aan te tonen dat zij de leeruitkomsten van de eerste twee studiejaren al beheerst. De toetsing van de opgedane kennis en ervaring bestaat uit 12 deeltentamens, die worden beoordeeld aan de hand van het portfolio zelf, een presentatie en een beoordelingsgesprek. [appellante] heeft het portfolio op 9 juni 2025 ingeleverd.
Voorgeschiedenis
3. Bij beslissing van 26 augustus 2025 heeft de examencommissie alle 12 deeltentamens die deel uitmaken van het SOM-portfolio ongeldig verklaard, omdat [appellante] volgens de examencommissie fraude heeft gepleegd bij het opstellen van het portfolio, door daarin bronnen te vermelden die niet bestaan. Als gevolg van deze beslissing heeft [appellante] geen beoordeling gekregen voor het portfolio. [appellante] heeft administratief beroep ingesteld tegen de beslissing van de examencommissie van 26 augustus 2025 en heeft tevens de voorzitter van het CBE verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De voorzitter van het CBE heeft bij beslissing van 9 oktober 2025 de ordemaatregel getroffen dat de rechtsgevolgen van de beslissing van 26 augustus 2025 worden geschorst tot de beslissing op het administratief beroep is genomen en heeft daarbij bepaald dat een inhoudelijke beoordeling van het portfolio plaatsvindt voordat de hoorzitting in het kader van het administratief beroep wordt gehouden.
Besluitvorming
4. Bij e-mail van 19 november 2025 heeft [appellante] aan de examinator verzocht om een herkansing van het SOM-portfolio. Bij de e-mail van 26 november 2025 heeft de examinator aan [appellante] medegedeeld dat zij, om een herkansing voor het portfolio te kunnen maken, volledig moet zijn ingeschreven als student, een goedgekeurde werkplek moet hebben en een praktijkleerovereenkomst moet hebben getekend.
5. Bij de e-mail van 3 februari 2026 heeft de examinator, ter uitvoering van de beslissing van de voorzitter van het CBE van 9 oktober 2025, aan [appellante] medegedeeld dat het deeltentamen Reflectie op professioneel handelen 1 is beoordeeld met ‘voldaan’ en dat voor de overige deeltentamens geen beoordeling kan worden gemaakt, omdat [appellante] niet wenste deel te nemen aan het daarvoor vereiste beoordelingsgesprek.
6. Het CBE heeft zich in de beslissing van 23 juni 2026 op het standpunt gesteld dat de tekst van artikel 7.34, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (de WHW) geen ruimte biedt voor een uitleg die inhoudt dat studenten tentamens uit voorgaande studiejaren zonder nieuwe inschrijving zouden mogen afleggen en herkansen.
Beroep
7. In beroep is in geschil of [appellante] recht heeft op een herkansing van de deeltentamens van het SOM-portfolio waarvoor zij geen beoordeling heeft gekregen, zonder dat zij zich opnieuw hoeft in te schrijven bij de HAN. Daarnaast is in geschil of het CBE ten onrechte heeft nagelaten om de examencommissie op te dragen om een schikkingsgesprek met [appellante] te voeren.
8. [appellante] betoogt dat het CBE zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zij, om de herkansing van het SOM-portfolio te kunnen maken, zich moet inschrijven voor het collegejaar 2025-2026. De examencommissie heeft het fraudebesluit ingetrokken en is daarna geen nieuw onderzoek gestart. Zij is dus ten onrechte door de examencommissie beschuldigd van fraude. Hierdoor heeft zij het recht om alsnog het SOM-portfolio beoordeeld te krijgen en, bij een onvoldoende beoordeling, op een herkansing. Het CBE verlangt ten onrechte dat zij, om de herkansing te effecturen, zich inschrijft voor het collegejaar 2025-2026 en dus ook het daarvoor vereiste collegegeld betaalt. Een redelijke uitleg van artikel 7.34 van de WHW brengt, gelet op de omstandigheden van dit geval, met zich dat zij, ondanks dat zij zich niet voor het collegejaar 2025-2026 heeft ingeschreven, het recht op een herkansing behoudt, omdat het gaat om een herkansing van een tentamen uit het collegejaar 2024-2025, waarvoor zij wel stond ingeschreven.
8.1. Op grond van artikel 7.32, eerste lid, van de WHW moet iedereen die gebruik wil maken van onderwijsvoorzieningen, examen voorzieningen of voorzieningen van andere aard ten behoeve van initieel onderwijs aan een instelling, zich door het instellingsbestuur als student of extraneus laten inschrijven. Op grond van artikel 7.34, eerste lid, aanhef en onder b, van de WHW geeft de inschrijving als student het recht om tentamens af te leggen. Uit de voornoemde artikelen volgt dat [appellante], om een herkansing voor het SOM-portfolio te mogen maken, als student aan de HAN ingeschreven moet staan. De beslissing van de voorzitter van het CBE van 9 oktober 2025 brengt niet mee dat het CBE in dit geval niet aan de eis van inschrijving heeft mogen vasthouden. Daartoe is van belang dat deze beslissing zich naar het oordeel van de Afdeling slechts uitstrekt tot een eerste beoordeling van het portfolio. Uit deze beslissing volgt niet het recht van [appellante] om, zonder zich opnieuw als student voor de opleiding Social Work aan de HAN in te schrijven, een tweede kans voor het portfolio te mogen afleggen.
Het betoog faalt.
9. [appellante] betoogt daarnaast dat het CBE ten onrechte heeft nagelaten de examencommissie op te dragen om een schikkingsgesprek met haar te voeren.
9.1. In artikel 6, zevende lid, van de Regeling rechtsbescherming besluiten het onderwijs betreffende van de HAN is bepaald dat de voorzitter van het CBE kan besluiten dat de minnelijke schikkingsfase achterwege wordt gelaten, als naar zijn oordeel een dergelijke poging zinloos is dan wel tot een onevenredig nadeel voor de indiener zal leiden. Het CBE heeft zich op het standpunt gesteld dat een schikkingspoging in dit geval niet zinvol was, omdat de beroepsgronden uitsluitend betrekking hadden op formele en procedurele vragen. Naar het oordeel van de Afdeling is het CBE daarmee voldoende nagegaan of een minnelijke schikking tussen partijen tot de mogelijkheden behoorde.
Het betoog faalt.
Conclusie
10. Het beroep is ongegrond.
11. Het CBE hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J. Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.A. Komduur, griffier.
w.g. Drop
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Komduur
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2026
809
BIJLAGE
Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek
Artikel 7.32
1. Onverminderd artikel 7.51e, tweede lid, aanhef en onder d, dient een ieder die wenst gebruik te kunnen maken van onderwijsvoorzieningen, examenvoorzieningen of voorzieningen van andere aard ten behoeve van initieel onderwijs aan een instelling, zich door het instellingsbestuur als student of extraneus te laten inschrijven.
[…]
Artikel 7.34
1. De inschrijving als student geeft het recht:
[…]
b. de tentamens af te leggen van de onderwijseenheden behorend tot de opleiding, alsmede de examens af te leggen van die opleiding,
[…]
Artikel 7.61
[…]
3. Alvorens het beroep in behandeling te nemen zendt het college van beroep het beroepschrift aan het orgaan waartegen het beroep is gericht, met uitnodiging om in overleg met betrokkenen na te gaan of een minnelijke schikking van het geschil mogelijk is, wat de openbare instellingen betreft in afwijking van afdeling 7.3 van de Algemene wet bestuursrecht. Ingeval het beroep is gericht tegen een beslissing van een examinator, geschiedt de in de voorgaande volzin bedoelde toezending aan de desbetreffende examencommissie. Indien de examinator tegen wie het beroep is gericht, lid is van de examencommissie, neemt hij geen deel aan de beraadslaging. Het desbetreffende orgaan deelt binnen drie weken aan het college van beroep, onder overlegging van de daarop betrekking hebbende stukken, mede tot welke uitkomst het beraad heeft geleid. Is een minnelijke schikking niet mogelijk gebleken, dan wordt het beroepschrift door het college in behandeling genomen.
[…]
Artikel 7.62
1. Het college van beroep voor de examens stelt een reglement van orde vast, waarin nadere regels worden gesteld ten aanzien van:
[…]
e. de in artikel 7.61, derde lid, bedoelde procedure en de gevallen waarin deze procedure achterwege kan worden gelaten;
[…]
Regeling rechtsbescherming besluiten het onderwijs betreffende van de Hogeschaal van Arnhem en Nijmegen
Artikel 6
[…]
7. De voorzitter kan besluiten dat de minnelijke schikkingsfase achterwege wordt gelaten, als naar zijn oordeel een dergelijke poging zinloos is dan wel tot een onevenredig nadeel voor de indiener zal leiden.