202403433/1/A3.
Datum uitspraak: 2 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
De Stichting Uitbanning Genocide (de stichting), gevestigd in Amsterdam, en [appellant], wonend in [woonplaats],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 april 2024 in zaak nr. 23/5294 in het geding tussen:
de stichting en [appellant]
en
de burgemeester van Voorne aan Zee.
Procesverloop
Bij besluit van 3 november 2022 heeft de burgemeester van Hellevoetsluis (nu: Voorne aan Zee) een evenementenvergunning verleend voor de landelijke Sinterklaasintocht.
Bij besluit van 21 juni 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Voorne aan Zee (het college) het door de stichting en [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 24 april 2024 heeft de rechtbank het door de stichting en [appellant] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben de stichting en [appellant] hoger beroep ingesteld.
De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 29 juli 2026, waar de stichting, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en [appellant] zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Op 12 juli 2022 heeft de burgemeester een aanvraag ontvangen voor een evenementenvergunning voor de landelijke Sinterklaasintocht in Hellevoetsluis in 2022. De stichting en [appellant] hebben op 12 oktober 2022 bezwaar gemaakt tegen de evenementenvergunning, die op dat moment nog niet was verleend. De stichting en [appellant] willen dat Zwarte Piet deelneemt aan de intocht en hierover wordt niets in de evenementenvergunning bepaald. Hiermee wordt er volgens de stichting en [appellant] genocide gepleegd. Bij het bezwaar hebben de stichting en [appellant] vier verzoeken ingediend die samenhangen met de landelijke Sinterklaasintocht. Het college heeft, nadat de evenementenvergunning op 3 november 2022 was verleend, geoordeeld dat de stichting en [appellant] geen belanghebbenden zijn bij het besluit om de evenementenvergunning te verlenen. Daarnaast heeft het college de vier verzoeken van de stichting en [appellant] niet aangemerkt als aanvragen waarop een besluit moet worden genomen, omdat die verzoeken geen aanvragen in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb zijn.
2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de stichting en [appellant] geen belang meer hebben bij een inhoudelijk beoordeling van hun beroep en hun aanvragen. Zij heeft het beroep daarom niet-ontvankelijk verklaard.
Relevante wetgeving
3. De relevante wetgeving is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Hoger beroep
4. De stichting en [appellant] voeren aan dat zij geen uitnodiging voor de zitting bij de rechtbank hebben ontvangen. Omdat zij niet door de rechtbank zijn opgeroepen om gehoord te worden, heeft de rechtbank in strijd met artikel 8:56 van de Awb gehandeld. Ook als de rechtbank de uitnodiging voor de zitting wel aangetekend verzonden zou hebben en deze onbesteld terug zou hebben ontvangen, dan had de rechtbank op grond van artikel 8:38, eerste lid, van de Awb het stuk per gewone post naar hen moeten versturen. Dit is volgens de stichting en [appellant] niet gebeurd en daarom moet de zaak worden terugverwezen naar de rechtbank. De stichting en [appellant] kunnen zich er namelijk niet mee verenigen dat de Afdeling zelf de zaak dan zal afdoen.
4.1. In het rechtbankdossier zit een kopie van de uitnodiging van 31 januari 2024 gericht aan de stichting en [appellant]. Op de brief is niet aangekruist dat de uitnodiging aangetekend verzonden is. In het rechtbankdossier bevindt zich daarnaast geen bewijs dat de uitnodiging naar de stichting en [appellant] is verstuurd dan wel onbestelbaar retour is gekomen. In de uitspraak van de rechtbank is vermeld dat de stichting en [appellant] zonder bericht van verhindering niet op de zitting van de rechtbank zijn verschenen. Nu niet is gebleken dat de uitnodiging voor die zitting daadwerkelijk bij brief is verstuurd en uit de stukken niet blijkt dat de stichting en [appellant] op andere wijze zijn uitgenodigd, moet het ervoor worden gehouden dat de rechtbank uitspraak heeft gedaan zonder dat was voldaan aan het bepaalde in artikel 8:56 van de Awb, waardoor zij niet de gelegenheid hebben gehad om hun beroep ter zitting bij de rechtbank toe te lichten.
4.2. Het betoog slaagt.
5. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.
6. Gelet op de lange duur van de procedure als geheel en omdat de stichting en [appellant] bij de Afdeling hun zaak ten volle hebben kunnen bepleiten, zal de Afdeling met het oog op finale geschilbeslechting de zaak niet terugverwijzen naar de rechtbank en zal zij zelf het beroep beoordelen. Dat de stichting en [appellant] willen dat de zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank omdat zij twijfelen aan de competentie van de Afdeling leidt niet tot een ander oordeel. De Afdeling ziet verder geen aanleiding om de zaak naar een meervoudige kamer te verwijzen en wijst het daartoe strekkende verzoek van de stichting en [appellant] dan ook af.
Beroep
7. De stichting en [appellant] betogen dat hun bezwaar ten onrechte niet inhoudelijk is beoordeeld. Hun belang is het voortbestaan van etnische, nationale, raciale en godsdienstige groepen waartoe zij behoren en zij worden doordat Zwarte Piet niet deelneemt aan de landelijke Sinterklaasintocht in dat belang geschaad. Volgens hen volgt uit artikel 1 van het Verdrag inzake de voorkoming en bestraffing van genocide (Genocideverdrag) dat zij rechtsmiddelen moeten kunnen aanwenden tegen de verleende evenementenvergunning. Het nationaalrechtelijke onderscheidingscriterium in het kader van procesbelang en belanghebbendheid mag op basis van het internationale recht niet worden gehanteerd.
Is [appellant] belanghebbende?
8. De Afdeling is van oordeel dat [appellant] geen belanghebbende is bij de evenementenvergunning. [appellant] is van mening dat Zwarte Piet deel had moeten nemen aan de landelijke Sinterklaasintocht van 2022. Met hem zijn er willekeurige anderen die deze opvatting delen. [appellant] onderscheidt zich niet van deze willekeurige anderen en heeft geen eigen en persoonlijk belang dat hem in voldoende mate van die anderen onderscheidt. [appellant] is daarom geen belanghebbende in de zin van artikel 1:2, tweede lid, van de Awb.
8.1. Het betoog slaagt niet.
Is de stichting belanghebbende?
9. Uit artikel 1:2, eerste lid, van de Awb volgt dat onder belanghebbende wordt verstaan, degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Uit het derde lid volgt dat ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede worden beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2977, r.o. 3.1).
9.1. Het doel van de stichting, zoals dat uit de statuten blijkt, is ‘het tegengaan van de gehele of gedeeltelijke vernietiging - de genocide - van nationale, etnische, raciale en godsdienstige groepen als zodanig. De stichting geeft daarbij prioriteit aan het behartigen van de belangen van de groepen die bij de oprichting van het Koninkrijk der Nederlanden daarin aanwezig waren.’ De stichting heeft ook tot doel ‘het verrichten van alle verdere handelingen, die met het hiervoor genoemde doel in de ruimste zin verband houden of daarvoor bevorderlijk kunnen zijn.’
De stichting heeft op de zitting toegelicht dat haar feitelijke werkzaamheden bestaan uit juridische en financiële bijstand in juridische procedures en het verspreiden van stickers.
9.2. De Afdeling is van oordeel dat de stichting in deze procedure geen belanghebbende in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Awb is. De doelstelling van de stichting is zeer ruim en algemeen omschreven. De stichting beoogt namelijk genocide in zijn algemeenheid te voorkomen. De stichting richt zich ook niet specifiek op het beschermen van een bepaalde culturele evenementen, zoals de intocht van Sinterklaas. De feitelijke werkzaamheden die de stichting stelt te verrichten hebben daar evenmin betrekking op. De stichting heeft dan ook geen rechtstreeks belang bij de verlening van de evenementenvergunning.
9.3. Het betoog slaagt niet.
Dient het nationaalrechtelijke onderscheidingscriterium in het kader van belanghebbendheid opzij te worden gezet?
10. Anders dan de stichting en [appellant] betogen kan artikel 1 van het Genocideverdrag het nationaalrechtelijke onderscheidingscriterium in het kader van belanghebbendheid niet opzij zetten. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie uitspraak van de Afdeling van 22 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1716, r.o. 3.2) is artikel 1 van het Genocideverdrag niet onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig om in de nationale rechtsorde zonder meer als objectief recht te worden toegepast. Daarmee is er geen aanleiding om op grond van deze bepaling het nationaalrechtelijke onderscheidingscriterium in het kader van belanghebbendheid opzij te zetten. Dit betoog slaagt dan ook niet.
Conclusie
11. Uit het voorgaande volgt dat de stichting en [appellant] geen belanghebbenden zijn bij de evenementenvergunning. Daarmee zijn hun verzoeken die samenhangen met de evenementenvergunning, niet aan te merken als aanvragen in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Gelet op het voorgaande is het beroep van de stichting en [appellant] dan ook niet-ontvankelijk.
Verzoeken om schadevergoeding
12. De stichting en [appellant] hebben op de zitting een verzoek om schadevergoeding gedaan wegens overschrijding van de redelijke termijn van de procedure.
12.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 1 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1826) is in beginsel de redelijke termijn overschreden als in een zaak als deze, met een bezwaar, een beroep en een hoger beroep, de totale procedure meer dan vier jaar heeft geduurd. Het bezwaar van de stichting en [appellant] is op 20 oktober 2022 door de burgemeester ontvangen. Met deze uitspraak van de Afdeling is de procedure beëindigd. Daarmee heeft de totale procedure 3 jaar en ruim 10 maanden geduurd. Er zijn dus nog geen vier jaar verstreken sinds het indienen van bezwaar. De Afdeling wijst het verzoek om schadevergoeding voor het overschrijden van de redelijke termijn daarom af.
13. Verder hebben de stichting en [appellant] verzocht om immateriële schadevergoeding omdat zij schade hebben geleden door het verlenen van de evenementenvergunning. De Afdeling wijst dat verzoek af, omdat er geen grondslag is voor het toekennen van schadevergoeding.
Proceskosten
14. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 april 2024 in zaak nr. 23/5294;
III. verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
IV. wijst de verzoeken om schadevergoeding af;
V. gelast de burgemeester van Voorne aan Zee tot vergoeding van het door de Stichting Uitbanning Genocide en [appellant] voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht van € 559,00.
Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. van Wezep, griffier.
w.g. Van Altena
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Wezep
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2026
844-1199
BIJLAGE
Relevante wetgeving
Artikel 1:2 van de Awb
1. Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
2. […]
3. Ten aanzien van rechtspersonen worden als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.
Artikel 8:38 van de Awb
1. Indien de griffier een bij aangetekende brief verzonden stuk terug ontvangt en hem blijkt dat de geadresseerde op de dag van verzending of uiterlijk een week daarna in de basisregistratie personen stond ingeschreven op het op het stuk vermelde adres, dan verzendt hij het stuk zo spoedig mogelijk bij gewone brief.
2. In de overige gevallen waarin de griffier een bij aangetekende brief verzonden stuk terug ontvangt, verbetert hij, indien mogelijk, het op het stuk vermelde adres en verzendt hij het stuk opnieuw bij aangetekende brief.
Artikel 8:56 van de Awb
Na afloop van het vooronderzoek worden partijen ten minste drie weken tevoren uitgenodigd om op een in de uitnodiging te vermelden plaats en tijdstip op een zitting van de bestuursrechter te verschijnen.