202405930/1/R2.
Datum uitspraak: 2 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) op het hoger beroep van:
Bliss B.V., gevestigd in Tilburg,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank ZeelandWestBrabant van 15 augustus 2024 in zaak nr. 23/11737 in het geding tussen:
Bliss B.V.
en
het college van burgemeester en wethouders van Tilburg.
Procesverloop
Bij besluit van 18 mei 2021 heeft het college de aanvraag van Bliss B.V. om een omgevingsvergunning voor het legaliseren van de verbouw aan en de ingebruikname van een woning aan de Lovensekanaaldijk 23 in Tilburg, geweigerd.
Bij besluit van 23 oktober 2023 heeft het college het door Bliss B.V. daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 15 augustus 2024 heeft de rechtbank het door Bliss B.V. daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft Bliss B.V. hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb heeft gesloten.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 12 februari 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. Bliss B.V. heeft een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend om de verbouw en de illegale bewoning van een pand als bedrijfswoning aan de Lovensekanaaldijk in Tilburg te legaliseren. In het pand vindt de opslag plaats van verpakkingsmateriaal ten behoeve van coffeeshops. Het pand wordt bewoond door een persoon die in dienst is bij het daar gevestigde bedrijf. Volgens Bliss B.V. is bewoning noodzakelijk, omdat er kan worden ingebroken door mensen die denken dat er drugs liggen opgeslagen in het pand. Het college heeft de vergunning geweigerd. Het college heeft aan de weigering ten grondslag gelegd dat een bedrijfswoning op grond van het bestemmingsplan "Groeseind 2017" niet is toegestaan en het realiseren van een bedrijfswoning niet passend wordt geacht binnen het beleid. Het college ziet geen noodzaak om op deze locatie een bedrijfswoning toe te staan.
De uitspraak van de rechtbank
3. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college voldoende heeft gemotiveerd dat het vestigen van een bedrijfswoning op het perceel niet noodzakelijk is. Het college mocht de vergunning weigeren, omdat de vestiging van een bedrijfswoning op het bedrijventerrein in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De bewoning aan de Lovensekanaaldijk is niet noodzakelijk, omdat de huidige bewoner zich niet bezighoudt met het feitelijke bedrijfsproces (verpakken). Daarnaast kan het mogelijk inbraakgevoeligheid tegengaan, maar dat is onvoldoende om te spreken van een noodzaak om ter plaatse te wonen.
Toetsingskader
4. Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen.
Beoordeling in hoger beroep
5. Volgens Bliss B.V. heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de omgevingsvergunning niet verleend hoefde te worden. Bliss B.V. betoogt dat ten onrechte niet is getoetst aan de definitie voor bedrijfswoning in het bestemmingsplan "Groeseind 2017". Bliss B.V. meent dat zij voldoet aan de definitie van een bedrijfswoning. Daarnaast betoogt Bliss B.V. dat ten onrechte is getoetst aan de noodzakelijkheidseis. Zij betoogt dat dit onredelijk is. In de tweede plaats voert Bliss B.V. aan dat de toepassing van de noodzakelijkheidseis niet op de juiste wijze heeft plaatsgevonden. Bliss B.V. betoogt dat zij voldoende heeft onderbouwd waarom zij vindt dat een redelijk belang bestaat dat het perceel wordt bewoond. Een bewoner dient aanwezig te zijn om het personeel toegang te verlenen tot de woning en nachtelijk toezicht van het pand is noodzakelijk. Daarnaast betoogt Bliss B.V. dat cameratoezicht onvoldoende is, vanwege de kans op inbraak. Als er iemand in de avond- en nachturen aanwezig is, heeft dat afschrikwekkende werking en kan er snel en adequaat gehandeld worden als er iets gebeurt.
5.1. De gronden die Bliss B.V. in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 6 t/m 6.8 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
7. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Besselink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Hoekstra, griffier.
w.g. Besselink
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Hoekstra
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2026
980