202406632/1/R1.
Datum uitspraak: 2 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
1. Flamagas S.A., gevestigd in Barcelona (Spanje),
2. [appellant sub 2], met anderen handelend onder de naam [Tabakshop], gevestigd in Amsterdam,
3. het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 september 2024 in zaak nr. 23/5443 in het geding tussen:
de Tabakshop
en
het college.
Procesverloop
Bij besluit van 20 februari 2023 heeft het college de Tabakshop een last onder bestuursdwang opgelegd om in de winkel op het adres [locatie] in Amsterdam de met het bestemmingsplan strijdige verkoop van headshopartikelen, minisupermarkt gerelateerde artikelen en souvenirs te staken en gestaakt te houden.
Bij besluit van 27 juli 2023 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard voor zover het gaat over de minisupermarkt gerelateerde artikelen, de last onder bestuursdwang in zoverre herroepen en het besluit voor het overige met een nadere motivering in stand gelaten.
Bij uitspraak van 19 september 2024 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 27 juli 2023 vernietigd, voor zover dat gaat over de last onder bestuursdwang die ziet op de souvenirwinkel, het bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 20 februari 2023 herroepen voor zover daarin een last onder bestuursdwang voor de souvenirwinkel is opgelegd en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit van 27 juli 2023.
Tegen deze uitspraak hebben Flamagas en de Tabakshop hoger beroep ingesteld.
Flamagas, de Tabakshop en het college hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Het college heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.
Flamagas heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 27 mei 2026, waar de Tabakshop, vertegenwoordigd door mr. G.C.M. Schipper, advocaat in Heemstede, Flamagas, ook vertegenwoordigd door mr. Schipper alsmede door mr. M.W. Rijsdijk en mr. D.E. Colenbrander, beiden advocaat in Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. S. Bonnet en F. Loef, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet een overtreding heeft plaatsgevonden, is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en vóór dat tijdstip een last onder bestuursdwang is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, dan blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet op die opgelegde last onder bestuursdwang het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing tot het tijdstip waarop de beschikking onherroepelijk is geworden en volledig is uitgevoerd of ten uitvoer is gelegd dan wel de beschikking is ingetrokken of is komen te vervallen.
Bij besluit van 20 februari 2023 heeft het college een last onder bestuursdwang opgelegd. Dat betekent dat in dit geval de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) van toepassing blijft.
Inleiding
2. De in deze zaak relevante planregels uit het bestemmingsplan "Haarlemmerbuurt/Westelijke eilanden", zoals gewijzigd door het paraplubestemmingsplan "Winkeldiversiteit Centrum" zijn opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van de uitspraak.
3. De Tabakshop exploiteert een winkel in het pand aan de [locatie] in Amsterdam. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Haarlemmerbuurt/Westelijke eilanden", zoals dat is gewijzigd door het paraplubestemmingsplan "Winkeldiversiteit Centrum", is in de winkel detailhandel toegestaan, met uitzondering van smartshops, sekswinkels, minisupermarkten, souvenirwinkels, headshops, seedshops en growshops, tenzij op de verbeelding aangeduid. Toezichthouders van de gemeente hebben tussen 26 september 2022 en 30 januari 2023 verschillende controles uitgevoerd in de winkel. Zij hebben daarbij geconstateerd dat de Tabakshop in strijd met het bestemmingsplan souvenirs verkoopt, omdat die souvenirs niet achter in de winkel staan en meer dan 5% van het netto winkelvloeroppervlak beslaan. Verder is geconstateerd dat de Tabakshop de winkel in strijd met het bestemmingsplan als headshop en minisupermarkt gebruikt. Bij besluit van 20 februari 2023 heeft het college de Tabakshop gelast om dit met het bestemmingsplan strijdige gebruik binnen drie weken te beëindigen.
In het besluit op bezwaar van 27 juli 2023 heeft het college de last onder bestuursdwang herroepen, voor zover die gaat over het gebruik van de winkel als minisupermarkt en voor het overige in stand gelaten. Het college heeft zich daarbij gebaseerd op de constateringsrapporten van de controles op 25 mei en 7 juni 2023.
4. De rechtbank heeft de last onder bestuursdwang herroepen voor zover die gaat over de souvenirwinkel, omdat het college er niet in is geslaagd aan te tonen dat de winkel van de Tabakshop een souvenirwinkel is als bedoeld in het bestemmingsplan. De rechtbank heeft verder overwogen dat het college bevoegd was handhavend op te treden tegen het gebruik van de winkel als headshop en dat geen bijzondere omstandigheden zijn gebleken op grond waarvan het college daarvan had moeten afzien.
Het hoger beroep van Flamagas
Ontvankelijkheid
5. Het college stelt zich op het standpunt dat het hoger beroep van Flamagas niet-ontvankelijk is. Volgens het college is Flamagas geen belanghebbende bij het besluit tot oplegging van de last onder bestuursdwang, omdat Flamagas geen rechtstreeks belang heeft als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
5.1. Flamagas is producent van de clipper aansteker en komt op tegen de kwalificatie door het college van de clipper aansteker als een headshopartikel vanwege het uitneembare staafje waarmee een joint kan worden aangestampt. Flamagas vreest dat deze kwalificatie een uitstralend effect zal hebben en tot gevolg heeft dat de clipper aansteker in een deel van het centrum van Amsterdam niet meer verkocht mag worden. Er zullen dan meer handhavingsbesluiten volgen, die Flamagas niet alleen zullen raken in haar eer en goede naam, maar ook in haar eigendomsbelangen.
5.2. De Afdeling stelt vast dat het college de clipper aansteker in de in bezwaar gehandhaafde last onder bestuursdwang niet heeft aangemerkt als een headshopartikel. Uit de aan de besluitvorming ten grondslag liggende controlerapporten blijkt niet dat de clipper aansteker wordt onderscheiden van andere aanstekers, behalve als het gaat om clipper aanstekers met afbeeldingen van bijvoorbeeld wietblaadjes of "Bulldog". Die worden in de rapporten aangemerkt als souvenirs en ook meegenomen in de bepaling van het aantal strekkende meters souvenirs in de winkel. De Afdeling wijst op bijvoorbeeld het controle rapport van 14 november 2022. Daarin is vermeld dat bij de controle geen headshopartikelen in de winkel zijn aangetroffen, terwijl op de bijbehorende foto’s meerdere schappen met clipper aanstekers zijn te zien.
Pas na het besluit op bezwaar, na een controle in de winkel op 12 september 2023, heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de ronde clipper aansteker met het uitneembare staafje een product is ten behoeve van het gebruik van softdrugs en dus een headshopartikel, dat niet verkocht mag worden. Het college heeft hierover in hoger beroep toegelicht dat sprake is van voortschrijdend inzicht.
Dat het college de clipper aanstekers na het besluit op bezwaar anders kwalificeert, betekent niet dat de opgelegde last daarmee is gewijzigd. Bij de beoordeling van deze zaak moet de Afdeling uitgaan van de last zoals die in bezwaar is gehandhaafd en daarin is de clipper aansteker niet als een headshopartikel aangemerkt.
Omdat de last onder bestuursdwang die in deze procedure aan de orde is, niet de kwalificatie van de clipper aansteker bevat waartegen Flamagas opkomt, heeft Flamagas geen belang bij een beoordeling van het hoger beroep. Al hierom moet het hoger beroep van Flamagas niet-ontvankelijk worden verklaard, nog daargelaten of zij een rechtsreeks belang heeft bij het besluit tot handhaving.
Het incidenteel hoger beroep van het college
6. Het college betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het met de aan het besluit ten grondslag gelegde berekening heeft aangetoond dat in de winkel van de Tabakshop meer dan 5% van het netto winkelvloeroppervlak wordt gebruikt voor de verkoop van souvenirs en dat er dus sprake is van een souvenirwinkel als bedoeld in het bestemmingsplan. Het college heeft hierover aangevoerd dat de op 5 maart 2019 vastgestelde Werkinstructie een vaste gedragslijn is en dat het uitgangspunt van de daarin opgenomen rekenmethode is dat per strekkende meter wordt gekeken of er souvenirs zijn uitgestald. Als dat het geval is, dan wordt de hele strekkende meter beoordeeld als in gebruik zijnde voor de verkoop van souvenirs. Daarbij maakt het niet uit of er slechts één souvenir uitgestald staat of dat de hele strekkende meter vanaf de vloer tot aan het plafond gevuld is met souvenirs. Aangezien souvenirs vaak verspreid over de winkel staan uitgestald en de schappen waarop de souvenirs staan niet allemaal even diep zijn, vindt het college de rekenmethode uit de werkinstructie uit praktisch oogpunt onvermijdelijk.
6.1. Het college heeft zich in het besluit op bezwaar gebaseerd op de constateringsrapporten van de controles op 25 mei en 7 juni 2023 en daarbij gevoegde plattegronden. In deze rapporten is vermeld dat het totaal aantal strekkende meters van de winkel 54,78 m is en dat daarvan 8 m wordt gebruikt voor het uitstallen van souvenirs, terwijl de winkel op grond van het bestemmingsplan maximaal 2,74 strekkende meter aan souvenirs mag hebben. Dat staat volgens het rapport van 7 juni 2023 gelijk aan 5% van het netto vloeroppervlak.
6.2. De rechtbank heeft overwogen dat met de uitgevoerde berekening volgens de werkinstructie niet vast is komen te staan dat in de winkel meer dan 5% van het netto winkelvloeroppervlak wordt gebruikt voor de verkoop van souvenirs. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de aanname in het rapport van 7 juni 2023 dat 2,74 strekkende meter gelijk staat aan 5% van het netto winkelvloeroppervlak niet is onderbouwd. Ook speelt voor de rechtbank een rol dat het volgens de tekst van de planregel gaat om de eis dat niet meer dan 5% van het netto vloeroppervlak wordt gebruikt voor de verkoop van souvenirs, terwijl volgens de werkinstructie ook rekening wordt gehouden met fictieve souvenirs doordat één souvenir op een schap telt voor een strekkende meter schap met souvenirs. De Afdeling is het hier mee eens en ziet in wat het college over de werkinstructie heeft aangevoerd geen aanleiding om anders te oordelen. De Afdeling voegt hier nog aan toe dat artikel 1.65 van de planregel duidelijk is en uitgaat van een oppervlaktemaat. Dat een oppervlakteberekening in de praktijk lastig is, zoals het college stelt, neemt niet weg dat de norm in de planregel bepalend is. Dat betekent dat de gebruikte methodiek zodanig moet zijn dat daarmee in een concreet geval kan worden onderbouwd dat de oppervlakte-eis uit artikel 1.65 van de planregels is overschreden. Daaraan is niet voldaan. De rechtbank heeft terecht geconcludeerd dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat de winkel in de Tabakshop een souvenirwinkel is als bedoeld in het bestemmingsplan. Het betoog slaagt niet.
Het hoger beroep van de Tabakshop
7. Het hoger beroep van de Tabakshop richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de last onder bestuursdwang, voor zover die ziet op de verkoop van headshopartikelen, in stand kan blijven.
Clipper aansteker
8. Gelet op wat de Afdeling hiervoor onder 5.2 heeft overwogen, betoogt de Tabakshop tevergeefs dat de rechtbank had moeten oordelen dat het college willekeurig en in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel heeft gehandeld door de in de winkel aanwezige clipper aanstekers bij nader inzien aan merken als headshopartikelen.
Omdat de clipper aansteker in de ter beoordeling voorliggende last niet is aangemerkt als een headshopartikel en de last dus zo moet worden uitgelegd dat het bij het verwijderen van headshopartikelen niet gaat om de aanstekers, betekent dit ook dat niet kan worden geconcludeerd dat bij het niet verwijderen van de aanstekers niet aan deze last is voldaan en sluiting van de winkel moet volgen. De Afdeling komt dan ook niet toe aan bespreking van wat de Tabakshop verder in verband met de clipper aansteker in hoger beroep heeft aangevoerd.
Ontoelaatbare assortimentsregulering
9. Dat betekent ook dat de Tabakshop tevergeefs betoogt dat in dit geval sprake is van ontoelaatbare assortimentsregulering in het bestemmingsplan. De Tabakshop heeft het betoog op de zitting namelijk toegespitst op het volgens hem niet toegestane verkoopverbod dat voor de clipper aansteker ontstaat door de kwalificatie van de clipper aansteker als headshopartikel. Het besluit bevat die kwalificatie echter niet. De Tabakshop heeft verder niet onderbouwd waarom de kwalificatie van andere producten als headshopartikel neerkomt op verboden regulering van het assortiment van de Tabakshop.
Is er sprake van een overtreding?
10. De Tabakshop betoogt dat de rechtbank had moeten oordelen dat het college niet bevoegd was om handhavend op te treden omdat er geen overtreding was. De Tabakshop heeft hierover aangevoerd dat de winkel geen headshop is als bedoeld in artikel 1.35 van de planregels. Volgens de Tabakshop worden in de winkel tabakswaren en aan tabak gerelateerde artikelen verkocht. Het enkele feit dat zogenoemde rolling trays en andere aan het gebruik van tabak verwante producten in de winkel onbedoeld ook geschikt zouden kunnen zijn voor het roken van cannabis of het gebruiken van een waterpijp betekent volgens de Tabakshop nog niet dat dit dan headshopartikelen zijn. Zo staan bijvoorbeeld de wraps en de waterpijpen die de Tabakshop verkoopt, los van drugsgebruik. Dit zijn bovendien producten, net als onder meer filtertips, sigarettenhulzen of sigarettenvloeipapier, waarvan de verkoop uitputtend wordt geregeld door de Tabaks- en rookwarenwet. Het is volgens de Tabakshop niet toegestaan om deze tabaksproducten ook als headshopartikelen aan te merken waardoor het college alsnog op grond van het bestemmingsplan handhavend kan optreden tegen de verkoop daarvan. Dit is een onaanvaardbare doorkruising van de Tabakswet.
Zelfs al zouden enkele artikelen in de winkel als headshopartikelen moeten worden aangemerkt, dan nog is de winkel volgens de Tabakshop geen headshop. Daarvan is namelijk pas sprake als in de winkelruimte hoofdzakelijk artikelen worden verkocht voor het gebruiken van drugs, aldus de Tabakshop.
10.1. Blijkens de daarvan opgemaakte rapporten hebben toezichthouders van de gemeente bij de controles op 29 november 2022 en 30 januari 2023 onder meer de volgende artikelen in de winkel aangetroffen: metalen pijpjes, plastic cones (ongevulde, maar verder kant-en-klare joints die zijn voorzien van een tip), stashcans (nepaanstekers en -lippenstiften voor de verhulde opslag van pillen, cannabis, en dergelijke), grinders (voor het vermalen van cannabis(toppen)), shisa (waterpijp)producten zoals Tobaliq Bamboo Cube Shisha en bio hazel charcoal en diverse soorten hempwrap (een vloei gemaakt van hennepbladeren). Ook werden roller trays, tips en lange vloei aangetroffen.
10.2. Gelet op deze bevindingen, die de Tabakshop niet heeft betwist, heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college de winkel van de Tabakshop ten onrechte heeft aangemerkt als een headshop.
De omschrijving van het begrip headshop in artikel 1.35 van de planregels is met het bestemmingsplan "Winkeldiversiteit Centrum" veranderd. Niet langer staat daarin dat het moet gaan om een detailhandelsvestiging waar in het bijzonder artikelen worden verkocht voor het gebruik van drugs. Het herziene artikel 1.35 is duidelijk. Ook wanneer een deel van de activiteiten bestaat uit de handel headshopartikelen valt dit binnen het begrip headshop. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat het voor de kwalificatie als headshop niet is vereist dat de winkelruimte in overwegende mate is ingericht met headshopartikelen.
Aangezien uit de controlerapporten blijkt dat in de winkel een ruime hoeveelheid artikelen in de winkel aanwezig was, waarvan niet in geschil is dat deze worden gebruikt voor het roken van cannabis of voor het gebruik van een (water)pijp en verdampers, staat vast dat één van de activiteiten in de winkel de verkoop van headshopartikelen is. Dat enkele van die artikelen ook een andere toepassing kunnen hebben, doet daar aan niet af. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat de winkel in strijd met het bestemmingsplan als headshop wordt gebruikt.
Dat de verkoop van sommige als headshopartikel aangemerkte producten ook wordt geregeld in de Tabaks- en rookwarenwet, betekent verder niet dat het college wat betreft de verkoop daarvan in de winkel van de Tabakshop niet bevoegd is om handhavend op te treden. De Tabaks- en rookwarenwet heeft voornamelijk tot doel de volksgezondheid te beschermen. De branchebeperking in het bestemmingsplan heeft een ruimtelijk motief, namelijk het bevorderen van de leefbaarheid van het centrum van Amsterdam. De beide regelingen zijn aldus met een ander motief vastgesteld. Daarnaast ziet de Afdeling in wat de Tabakshop heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat regeling in het bestemmingsplan anderszins in strijd is met de Tabaks- en rookwarenwet. De enkele stelling dat er een ongeoorloofde doorkruising van de deze wet is, is daarvoor onvoldoende. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat een tabaksproduct niet ook kan worden aangemerkt als een headshopartikel als bedoeld in het bestemmingsplan.
Het betoog slaagt niet.
Is de algehele sluiting van de winkel gerechtvaardigd?
11. De Tabakshop betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat de in het bestuursdwangbesluit aangekondigde sluiting van de gehele winkel als niet aan de last wordt voldaan, niet gerechtvaardigd en disproportioneel is. De sluiting gaat volgens de Tabakshop verder dan nodig is om een eind aan de overtreding te maken. Volstaan kan namelijk ook worden met bijvoorbeeld het wegnemen van de niet toegestane artikelen op kosten van de Tabakshop.
11.1. De toepassing van bestuursdwang in de vorm van een gehele sluiting van de winkel hield in het besluit van 20 februari 2023 nog verband met het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van de winkel als headshop, souvenirwinkel en minisupermarkt. Uit wat de Afdeling hiervoor heeft overwogen, volgt dat de last uitsluitend in stand blijft voor zover het gaat om het gebruik van de winkel als headshop. Ter beoordeling staat daarom nu de vraag of in dit geval een algehele sluiting gerechtvaardigd is als niet wordt voldaan aan de last om het gebruik van de winkel als headshop te beëindigen. Het college heeft zich op de zitting op het standpunt gesteld dat de winkelsluiting ook in dat geval nodig is om het gebruik van de winkel als headshop te beëindigen. Met verwijzing naar de controlerapporten en daarbij behorende foto’s heeft het college er op gewezen dat in de winkel een grote hoeveelheid headshopartikelen aanwezig was die verspreid door de hele winkel waren uitgestald. Het enkel uit de winkel verwijderen van de headshopartikelen acht het college in dit geval niet effectief. De Tabakshop kan deze artikelen namelijk eenvoudig weer terugplaatsen, zoals de Tabakshop voorafgaand aan het voornemen om handhavend op te treden ook al eens heeft gedaan. Uit de controles van de toezichthouder is gebleken dat de Tabakshop de headshopartikelen tussen de controles van 14 november 2022 en 29 november 2022 uit de winkel had verwijderd en vervolgens weer teruggeplaatst.
Het college heeft hiermee voldoende gemotiveerd dat de verkoop van headshopartikelen een wezenlijk onderdeel vormde van de bedrijfsvoering en dat winkelsluiting in dit geval nodig is om de met het bestemmingsplan strijdige handel in headshopartikelen te stoppen als de Tabakshop niet aan de last voldoet.
Het betoog slaagt niet.
Slotoverwegingen
12. Het hoger beroep van Flamagas is niet-ontvankelijk. Het hoger beroep van de Tabakshop en het incidenteel hoger beroep van het college zijn ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.
13. Het college moet de proceskosten van de Tabakshop in verband met het incidenteel hoger beroep vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep van Flamagas S.A. niet-ontvankelijk;
II. verklaart het hoger beroep van [appellant sub 2], met anderen handelend onder de naam [Tabakshop], en het incidenteel hoger beroep van het college ongegrond;
III. bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevallen;
IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam tot vergoeding van bij van [appellant sub 2], met anderen handelend onder de naam [Tabakshop], in verband met de behandeling van het incidenteel hoger beroep van het college opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. G.T.J.M. Jurgens, voorzitter, en mr. J.C.A. de Poorter en mr. J.A.W. Huijben, leden, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Deen, griffier.
w.g. Jurgens
voorzitter
w.g. Deen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2026
604
BIJLAGE
Bestemmingsplan Haarlemmerbuurt/Westelijke eilanden, zoals gewijzigd door het paraplubestemmingsplan "Winkeldiversiteit Centrum"
Artikel 1
1.25 detailhandel:
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending, anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit, waaronder grootschalige detailhandel, volumineuze detailhandel, tuincentrum en supermarkt worden begrepen;
1.35 headshop
een detailhandelsvestiging waarin de hoofdactiviteit of een van de activiteiten wordt gevormd door de handel in artikelen voor het gebruiken van drugs, maar waar geen psychoactieve stoffen worden verkocht. Een headshop verkoopt onder meer producten die zijn gerelateerd aan het roken van cannabis, aan het gebruik van (water)pijpen en verdampers.
1.46 netto verkoopvloeroppervlakte:
de voor het publiek zichtbare en toegankelijke (besloten) winkelruimte ten behoeve van de detailhandel;
1.64 minisupermarkt:
een detailhandelsvestiging waar voedingsmiddelen en huishoudelijke artikelen worden verkocht. Een minisupermarkt onderscheidt zich van een supermarkt door het oppervlak. In de binnenstad spreken we van een minisupermarkt wanneer het bruto bedrijfsvloeroppervlak niet meer dan 400 m² bedraagt;
1.65 souvenirwinkel:
een detailhandelsvestiging waarin de hoofdactiviteit of één van de activiteiten wordt gevormd door de handel in producten die in het teken staan van nationale-, streek- of stadssymbolen en/of namen. Een detailhandelsvestiging is geen souvenirwinkel wanneer niet meer dan 5% van het netto winkelvloeroppervlak wordt gebruikt voor de verkoop van producten die in het teken staan van nationale-, streek- of stadssymbolen en/of namen. Deze producten mogen uitsluitend achter in de vestiging worden uitgestald.
Gespecialiseerde winkels die producten verkopen die weliswaar in het teken staan van nationale-, streek- of stadssymbolen worden niet gezien als souvenirwinkels. Hierbij moet bijvoorbeeld worden gedacht aan kaaswinkels, winkels gespecialiseerd in Delftsblauw aardewerk of bloemenzaken/tuinierswinkels die tulpen(bollen) en klompen verkopen;
Artikel 4
4.1 Bestemmingsomschrijving
De voor "Centrum - 2" aangewezen gronden zijn bestemd voor:
[…];
f. -detailhandel met inbegrip van een mengformule, met uitzondering van smartshops, sekswinkels, minisupermarkten, souvenirwinkels, headshops, seedshops en growshops, tenzij op de verbeelding aangeduid, met inachtneming van artikel 4.5.1, en
[…].