202500798/1/A2.
Datum uitspraak: 2 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 7 januari 2025 in zaak nr. 23/1670 in het geding tussen:
[appellante]
en
de minister van Financiën.
Procesverloop
Bij besluit van 17 november 2022 heeft de minister geweigerd een schuld van [appellante] over te nemen.
Bij besluit van 6 juli 2023 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 7 januari 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 26 februari 2026, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. K.J.C. van Bekkum, advocaat in Heerlen, en de minister, vertegenwoordigd door mr. drs. A. Divis-Stein en mr. A.R. Kandhai, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellante] is gedupeerde van de toeslagenaffaire. Zij heeft verzocht om overname van een schuld van haar aan Incasso Result B.V. (Incasso) ter hoogte van € 33.218,28 (de schuld) op grond van artikel 4.1 van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De uitvoeringsorganisatie Sociale Banken Nederland (SBN) heeft Incasso verzocht om informatie over de schuld te geven. Daarop heeft Incasso een geldleningsovereenkomst tussen [appellante] en [persoon] van 10 september 2017 overgelegd, een brief van Incasso van 15 december 2017, waarin staat dat [persoon] de vordering in handen heeft gegeven aan Incasso, en een overzicht van de schuld van [persoon] aan Incasso van 4 augustus 2010.
2. De minister heeft de schuld niet overgenomen, omdat deze niet is vastgelegd in een notariële akte of rechterlijke uitspraak. De minister heeft geen aanleiding gezien om de hardheidsclausule toe te passen.
Uitspraak van de rechtbank
3. De rechtbank heeft overwogen dat de schuld weliswaar niet in een notariële akte of rechterlijke uitspraak is vastgelegd, maar dat er gezien de stukken die zijn overgelegd, geen reden is om aan het bestaan van de schuld te twijfelen. Het besluit van de minister is daarom onvoldoende gemotiveerd.
4. De rechtbank heeft het beroep van [appellante] echter niet gegrond verklaard omdat zij niet heeft kunnen vaststellen dat aan het vereiste van opeisbare achterstanden voor 1 juni 2021 wordt voldaan. Uit een e-mail van 4 augustus 2022 van Incasso aan SBN volgt dat [appellante] een betalingsregeling heeft getroffen. Daardoor is niet langer sprake van opeisbare achterstanden. De rechtbank heeft geoordeeld dat het verzoek om de schuld over te nemen daarom terecht is afgewezen. Omdat aannemelijk is dat [appellante] door het gebrek niet is benadeeld, heeft de rechtbank het gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) gepasseerd.
Hoger beroep en beoordeling
5. In artikel 4.1 van de Wht is bepaald onder welke voorwaarden private schulden op grond van de Wht worden overgenomen. Het tweede lid van dat artikel luidt als volgt:
"2. De geldschulden die worden overgenomen:
a. zijn ontstaan na 31 december 2005;
b. waren voor 1 juni 2021 opeisbaar; en
c. zijn niet voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan."
6. Uit de overeenkomst tussen [appellante] en [persoon] van 10 september 2017, de brief van Incasso van 15 december 2017 en het overzicht van de schuld van Incasso van 4 augustus 2022 volgt dat de schuld is voortgekomen uit de overeenkomst tussen [appellante] en [persoon] en dat deze dus na 31 december 2005 is ontstaan. Verder volgt uit het overzicht dat de schuld aan Incasso in de loop van de tijd is opgelopen en dat ten tijde van de aanvraag in ieder geval een deel daarvan, ter hoogte van € 33.218,28, nog niet was voldaan. De voorliggende vraag is of de schuld opeisbaar was voor 1 juni 2021, waardoor wordt voldaan aan alle voorwaarden van artikel 4.1, tweede lid, van de Wht.
7. [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de schuld overgenomen moet worden. Zij voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de schuld niet opeisbaar was voor 1 juni 2021 vanwege de betalingsregeling met Incasso. De schuld is in 2017 opeisbaar geworden. [appellante] is namelijk de verbintenis in artikel 1, tweede lid, van de geldleningsovereenkomst tussen haar en [persoon] niet nagekomen, waardoor de schuld in 2017 direct opeisbaar was ingevolge artikel 2, aanhef en onder b van de overeenkomst en artikel 6:38 van het Burgerlijk Wetboek (het BW). Verder betwist [appellante] dat er een betalingsregeling is overeengekomen, die de opeisbaarheid van de schuld heeft weggenomen.
7.1. Voor de beantwoording van de vraag of en op welk moment een schuld opeisbaar is geworden, zijn de bepalingen uit het BW bepalend. Een schuld is in de regel opeisbaar wanneer de schuldeiser nakoming kan vorderen. Artikel 6:38 van het BW bepaalt dat wanneer geen termijn voor nakoming is bepaald de verbintenis direct opeisbaar is. Is wel een termijn voor nakoming bepaald, dan is de verbintenis pas na het verstrijken van die termijn opeisbaar (artikel 6:39 van het BW). Of al dan niet een termijn voor nakoming is bepaald, vloeit voort uit wat partijen zijn overeengekomen en uit wat volgt uit de wet, de gewoonte en de eisen van redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 van het BW).
7.2. De rechtbank heeft overwogen dat niet kan worden vastgesteld dat aan het vereiste van een opeisbare schuld voor 1 juni 2021 is voldaan, omdat Incasso in een e-mail van 4 augustus 2022 heeft aangegeven een betalingsregeling te hebben getroffen met [appellante]. De rechtbank is er echter aan voorbijgegaan dat uit de e-mail van 4 augustus 2022 niet volgt wanneer er precies een betalingsregeling is getroffen. Daarnaast is de genoemde betalingsregeling zelf niet overgelegd. Uit het wel overgelegde overzicht van betalingen door [appellante] blijkt dat zij pas na 1 juni 2021 betalingen heeft gedaan, steeds een bedrag van € 250,00 of een veelvoud daarvan. Daarmee is niet aannemelijk gemaakt dat een betalingsregeling is getroffen voor 1 juni 2021. Of aannemelijk is dat na 1 juni 2021 een betalingsregeling is getroffen, is niet van belang. In artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wht, is immers bepaald dat de schuld voor 1 juni 2021 opeisbaar moet zijn om voor overname in aanmerking te komen. Omdat niet aannemelijk is dat er een betalingsregeling is getroffen voor 1 juni 2021 gaat de Afdeling uit van de afspraken zoals die volgen uit de overeenkomst tussen [appellante] en [persoon] van 10 september 2017.
7.3. In artikel 1 van de overeenkomst tussen [persoon] en [appellante] staat dat [persoon] aan [appellante] een bedrag leent van in totaal € 32.085,80. Over dit bedrag en de eventuele achterstallige rente is de debiteur een rente verschuldigd van 14% op jaarbasis. Het bedrag wordt in maandelijkse termijnen betaald. Het termijnbedrag is minimaal € 300,00 en heeft geen maximum gedurende de looptijd van de lening. In artikel 7 van de overeenkomst staat dat het eerste termijnbedrag uiterlijk op 1 november 2017 wordt overgemaakt. In artikel 2, aanhef en onder b, van de overeenkomst, staat dat wanneer de debiteur nalatig is of in strijd handelt met één of meer van de verplichtingen uit de overeenkomst, de hoofdsom en de rente direct opeisbaar zijn zonder dat enige voorafgaande ingebrekestelling is vereist.
7.4. Tussen partijen is niet in geschil dat [appellante] op of voor 1 november 2017 geen betaling ter aflossing van de schuld heeft verricht, terwijl zij daartoe volgens de overeenkomst verplicht was. Gelet op wat partijen zijn overeengekomen in artikel 2, aanhef en onder b van de overeenkomst, zijn de hoofdsom en de rente van de lening op 2 november 2017 opeisbaar geworden. Dat betekent dus dat de schuld voor 1 juni 2021 opeisbaar was.
7.5. Uit het voorgaande volgt dat de schuld voldoet aan de voorwaarden die zijn neergelegd in artikel 4.1, tweede lid, van de Wht. Op grond van het derde lid van dat artikel, aanhef en onder b, geldt voor een schuld als deze daarnaast de eis dat die moet zijn vastgelegd in een notariële akte. De rechtbank heeft geoordeeld dat er geen reden is om aan het bestaan van de schuld te twijfelen en dat het besluit van de minister daarom onvoldoende is gemotiveerd. De minister heeft geen hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. Het oordeel over het bestaan van de schuld staat daarmee in rechte vast. Nu er geen reden is om aan het bestaan van de schuld te twijfelen, leidt het vasthouden aan de eis van een notariële akte in dit geval tot een onbillijkheid van overwegende aard, zoals bedoeld in artikel 9.1, tweede lid, van de Wht (vgl. de uitspraak van de Afdeling van 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2045). Die eis kan daarom niet aan [appellante] worden tegengeworpen. Omdat de schuld aan alle andere eisen voor overname voldoet, moet de minister de schuld overnemen. De rechtbank heeft dat niet onderkend.
Slotsom
8. Het hoger beroep van [appellante] is gegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd, voor zover zij het beroep tegen het besluit van 6 juli 2023 ongegrond heeft verklaard. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling dat beroep gegrond verklaren. Het besluit van 6 juli 2023 komt wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien. De Afdeling zal het besluit van 17 november 2022 herroepen, bepalen dat de minister de schuld van [appellante] aan Incasso ter hoogte van € 33.218,28 overneemt en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 6 juli 2023.
9. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Limburg van 7 januari 2025 in zaak nr. 23/1670, voor zover zij het beroep tegen het besluit van de minister van Financiën van 6 juli 2023 ongegrond heeft verklaard;
III. verklaart dat beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van de minister van Financiën van 6 juli 2023;
V. herroept het besluit van de minister van Financiën van 17 november 2022;
VI. bepaalt dat de minister van Financiën de schuld ter hoogte van € 33.218,28 van [appellante] aan Incasso Result B.V. overneemt;
VII. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van de minister van Financiën van 6 juli 2023;
VIII. veroordeelt de minister van Financiën tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het bezwaar en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.534,00;
IX. gelast dat de minister van Financiën aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. W. den Ouden, voorzitter, en mr. J.C.A. de Poorter en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.K. van de Riet, griffier.
w.g. Den Ouden
voorzitter
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2026
994-1177