202505833/1/A2.
Datum uitspraak: 2 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in De Bult, gemeente Steenwijkerland,
appellant,
en
het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 9 februari 2022 heeft het college aan [appellant] een tegemoetkoming in planschade van € 5.500,00 toegekend.
Bij besluit van 14 oktober 2025 heeft het college het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.
[appellant] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 10 juli 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. R.V. Lie-A-Lien, rechtsbijstandverlener in Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. V. Platteeuw, advocaat te Doetinchem, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] is sinds 19 augustus 2016 mede-eigenaar van de woning aan de [locatie] in De Bult (de woning).
2. [appellant] heeft het college verzocht om tegemoetkoming in planschade die hij, in de vorm van waardevermindering van de woning, heeft geleden door de inwerkingtreding op 21 april 2021 van het bij raadsbesluit van 19 januari 2021 vastgestelde bestemmingsplan De Bult -Onderduikersweg 2. Volgens [appellant] zijn met het nieuwe bestemmingsplan de bouw- en gebruiksmogelijkheden op het perceel aan de Onderduikersweg 2 in De Bult (het plangebied) verruimd, waardoor de scouting zich daar kan vestigen. Het plangebied is gelegen op een afstand van ten minste 75 meter tot de woning en wordt afgeschermd door een tussen de woning en het plangebied gelegen strook met een breedte van ongeveer 50 meter, die de bestemming ‘Bos’ heeft (de strook).
3. In een advies van 10 november 2021 heeft de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (SAOZ) geconstateerd dat [appellant] door de planologische wijziging in een nadeliger planologische positie is gekomen.
Het college heeft het advies van de SAOZ aan het besluit van 9 februari 2022 ten grondslag gelegd. Dat besluit heeft het college bij besluit van 2 augustus 2022 gehandhaafd.
De rechtbank Overijssel heeft het beroep tegen dat besluit bij uitspraak van 24 november 2023 ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 7 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2083, heeft de Afdeling het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank gegrond verklaard, de uitspraak vernietigd, het beroep gegrond verklaard en het besluit van 2 augustus 2022 vernietigd. De Afdeling heeft overwogen dat de scoutingvereniging op grond van de Beheersverordening Buitengebied Steenwijkerland 2014, net als anderen, voor sport- en spelactiviteiten gebruik mag maken van de strook. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat de SAOZ bij de planvergelijking terecht geen rekening heeft gehouden met de gebruiksmogelijkheden van de strook. De SAOZ had een reële prognose moeten maken van het gebruik van de strook onder het oude en nieuwe planologische regime. De SAOZ had daarbij moeten onderzoeken wat de redelijkerwijs te verwachten gevolgen voor [appellant] zijn in het kader van de geluidhinder en privacy. Dit onderzoek had moeten uitwijzen of de geluidbelasting en de eventuele inbreuk op de privacy als gevolg van eventuele sport- en spelactiviteiten van de scoutingvereniging op de strook van dien aard zijn, dat het nieuwe planologische regime een nadeliger positie van [appellant], met daaruit voortvloeiende schade in de vorm van waardevermindering van de woning, tot gevolg heeft gehad. De Afdeling heeft het college opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft zij bepaald dat tegen het te nemen nieuwe besluit alleen bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld.
Besluit van 14 oktober 2025
4. Bij het besluit van 14 oktober 2025 heeft het college opnieuw op het bezwaar van [appellant] beslist. Volgens het college zal de scoutingvereniging, mocht de vereniging over gaan tot het betrekken van de Onderduikersweg 2, geen gebruik maken van de bosstrook. Binnen de bosstrook zullen geen (structurele) sport- en spelactiviteiten plaatsvinden. Er zal volgens het college geen sprake zijn van fysieke aanwezigheid, inrichting of zichtbare benutting van de strook door de scouting. Er is daarom geen sprake van recreatief medegebruik door de scouting in een omvang of aard die leidt tot (extra) geluidhinder of inbreuk op de privacy van bewoners van omliggende woningen. De reële verwachting van het gebruik van de strook blijft daarmee zeer beperkt. Daarmee ontbreken ook de planologische of feitelijke aanknopingspunten voor een voor [appellant] nadelige positie als bedoeld in de uitspraak van 7 mei 2025. Er zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden die aanleiding geven het besluit van 9 februari 2022 te herzien.
5. Op 18 juni 2026 heeft het college, ter onderbouwing van het besluit van 14 oktober 2025, een nader advies van de SAOZ van 13 februari 2026 (het advies) en een daarbij behorend rapport van een akoestisch onderzoek van Geluidmeesters van 17 november 2025 overlegd.
Beroep van [appellant]
6. [appellant] betoogt dat het besluit van 14 oktober 2025 in strijd is met de uitspraak van de Afdeling van 7 mei 2025. Daarin is bepaald dat de SAOZ een reële prognose dient te maken. Pas nadat het college het besluit van 14 oktober 2025 had genomen, heeft het de SAOZ gevraagd om een nader advies. Dat betekent dat het besluit van 14 oktober 2025 niet is gebaseerd op een advies van de SAOZ.
[appellant] betoogt verder dat het advies onzorgvuldig is. De deskundigen zijn enkel uitgegaan van wat door de scoutingvereniging is aangegeven en niet van welk gebruik representatief is voor het gebruik van een bosstrook door een scoutingvereniging. Verder hebben de SAOZ en Geluidmeesters diverse routes (route A, B en C) benoemd waar de scoutingvereniging gebruik van zou kunnen maken, maar daarbij wordt ‘route D’ niet genoemd, terwijl dat naast route C de enige route is waarvan de scoutingvereniging gebruik kan maken en waarbij ook naast het pad activiteiten mogelijk zijn. [appellant] betoogt verder dat de planologische vergelijking onvolledig is, omdat geen onderzoek is gedaan naar de geluidbelasting bij een reële prognose van het onder het oude planologische regime al toegestane "recreatieve medegebruik".
Beoordeling
6.1. Omdat het college in eerste instantie geen advies van de SAOZ aan het besluit van 14 oktober 2025 ten grondslag heeft gelegd en pas nadien advies van de SAOZ heeft ingewonnen, is sprake van een zorgvuldigheidsgebrek. Dit heeft het college ook erkend op de zitting bij de Afdeling. Het college heeft op de zitting toegelicht dat de scoutingvereniging zich niet meer zal gaan vestigen in het plangebied en dat de gemeenteraad voornemens is de bestemming aan te passen. Dat heeft volgens het college onder de Omgevingswet meer voeten in de aarde gehad dan voorzien. Er is niet tijdig onderkend dat het college wegens het niet tijdig nemen van het nieuwe besluit in gebreke was gesteld waarna het bestreden besluit is genomen. Wat daarvan zij, dat neemt niet weg dat het college, zoals het ook erkent, geen deugdelijk onderzoek ten grondslag heeft gelegd aan het besluit van 14 oktober 2025.
Het eerste onderdeel van het betoog slaagt.
6.2. Naar aanleiding van het tweede onderdeel van het betoog overweegt de Afdeling, mede in het kader van het onderzoek of de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit van 14 oktober 2025 in stand kunnen blijven, het volgende.
6.3. Naar het oordeel van de Afdeling hoefde de SAOZ bij de beoordeling van de reële prognose van de geluidbelasting ten aanzien van ‘recreatief medegebruik’ van de bosstrook niet ook gebruik door de scouting buiten de paden te betrekken. Verder heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat het gebruik van ‘route D’ tot een relevant grotere geluidbelasting zou leiden dan het gebruik van ‘route A’, ‘route B’ en ‘route C’.
De Afdeling overweegt verder dat de SAOZ op basis van het akoestisch onderzoek van Geluidmeesters heeft vastgesteld dat de geluidbelasting van de aan de scoutingvereniging toe te kennen relevante geluidbronnen binnen de strook onder het nieuwe planologische regime geen reële geluidhinder oplevert. De geluidniveaus zijn dermate laag dat hiervan een verwaarloosbare invloed uitgaat op de woning. De SAOZ heeft die geluidbelasting onbestreden vergeleken met minder dan het geluid van een druppelende kraan. De SAOZ heeft naar het oordeel van de Afdeling voldoende gemotiveerd waarom het irreëel is dat de aan de scoutingvereniging toe te kennen geluidbronnen bij gebruik van de bosstrook tot gevolg hebben dat sprake is van planologisch nadeel, zodat in dit geval niet valt in te zien dat ook een reële prognose van het onder het oude regime toegestane gebruik had moeten worden gedaan. Op grond van vaste rechtspraak mag het college zich baseren op het advies van de SAOZ, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan naar voren zijn gebracht (zie de uitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3690, r.o. 152). [appellant] heeft geen tegenadvies aangeboden en ook anderszins geen onderbouwde aanknopingspunten voor twijfel aangereikt. Hij heeft volstaan met het plaatsen van vraagtekens. Naar het oordeel van de Afdeling heeft [appellant] daarmee onvoldoende onderbouwd dat de reële prognose van de geluidbelasting van de SAOZ niet deugt. Het college heeft zich dan ook op het advies van SAOZ mogen baseren.
Het tweede onderdeel van het betoog slaagt niet.
Conclusie
7. Het beroep is gegrond. Het besluit van 14 oktober 2025 moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb. De Afdeling ziet aanleiding met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het besluit van 14 oktober 2025 in stand te laten.
8. Het college moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep gegrond;
II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland van 14 oktober 2025;
III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;
IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
V. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht van € 194,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Engele, griffier.
w.g. Willems
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Engele
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2026
1033