ECLI:NL:RVS:2026:5151

ECLI:NL:RVS:2026:5151

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 02-09-2026
Datum publicatie 02-09-2026
Zaaknummer 202405584/1/A2
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 21 april 2023 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het verzoek van [appellante] om op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) haar schuld van € 17.000,00 aan haar [vader] over te nemen, afgewezen. Deze uitspraak gaat over een besluit op grond van de regeling voor overneming en betaling van private schulden die is opgenomen in de Wht. Het overnemen van private schulden werd namens de Belastingdienst/Toeslagen uitgevoerd. Dat gebeurt nu door de minister, waarbij in de primaire fase dit wordt uitgevoerd door de uitvoeringsorganisatie Sociale Banken Nederland (SBN). In de uitspraak wordt het bestuursorgaan verder aangeduid met minister. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak. [appellante] is aangemerkt als een gedupeerde ouder van de kinderopvangtoeslagaffaire. In de periode lopend van 2014 tot en met 2017 heeft zij € 17.000,00 geleend van haar ouders en dit in verschillende bedragen contant ontvangen. Zij heeft op het moment dat het bedrag opliep de lening vastgelegd in een akte die op het Turkse Consulaat te Rotterdam is opgesteld op 25 oktober 2017. Haar vader is op de akte als de geldlener aangemerkt.

Uitspraak

202405584/1/A2.

Datum uitspraak: 2 september 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend in [woonplaats],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 augustus 2024 in zaak nr. 23/6461 in het geding tussen:

[wederpartij]

en

de minister van Financiën.

Procesverloop

Bij besluit van 21 april 2023 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het verzoek van [appellante] om op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) haar schuld van € 17.000,00 aan haar [vader] over te nemen, afgewezen.

Bij besluit van 5 oktober 2023 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 augustus 2024 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 6 mei 2026, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. J.R.R. Oevering, advocaat in Amsterdam, en de minister van Financiën, vertegenwoordigd door [gemachtigden] zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over een besluit op grond van de regeling voor overneming en betaling van private schulden die is opgenomen in de Wht. Het overnemen van private schulden werd namens de Belastingdienst/Toeslagen uitgevoerd. Dat gebeurt nu door de minister, waarbij in de primaire fase dit wordt uitgevoerd door de uitvoeringsorganisatie Sociale Banken Nederland (SBN). In de uitspraak wordt het bestuursorgaan verder aangeduid met minister. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

2. [appellante] is aangemerkt als een gedupeerde ouder van de kinderopvangtoeslagaffaire. In de periode lopend van 2014 tot en met 2017 heeft zij € 17.000,00 geleend van haar ouders en dit in verschillende bedragen contant ontvangen. Zij heeft op het moment dat het bedrag opliep de lening vastgelegd in een akte die op het Turkse Consulaat te Rotterdam is opgesteld op 25 oktober 2017. Haar vader is op de akte als de geldlener aangemerkt.

3. Bij besluit van 21 april 2023 heeft de minister met verwijzing naar een cijfercode 5 bepaald dat de schuld van [appellante] aan haar vader niet kan worden overgenomen. De schuld betreft namelijk een onderhandse lening of privéschuld, die niet door de minister wordt afbetaald. In het besluit op bezwaar heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat de schuld niet is vastgelegd in een notariële akte en ook niet opeisbaar was vóór 1 juni 2021. De schuld kan daarom op grond van artikel 4.1, derde lid, onder b en lid 2 van de Wht niet overgenomen worden.

Uitspraak van de rechtbank

4. De enkele stelling dat er sprake is geweest van een lening en de ingebrachte akte is onvoldoende voor de rechtbank om het bestaan van de schuld aan te nemen. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister deze schuld terecht niet heeft overgenomen op grond van de Wht, omdat het bestaan daarvan niet is bewezen.

Beoordeling hoger beroep

5. De minister heeft in zijn schriftelijke uiteenzetting en op de zitting naar voren gebracht dat hij, anders dan [appellante] daarover stelt, ook twijfelt aan het bestaan van de schuld. Daarbij heeft hij onder meer betrokken dat een notariële akte met de waarborgen die de Wet op het notarisambt biedt, ontbreekt. Een notariële akte is vereist op grond van de Wht in de zin dat deze geldt als bewijs voor het bestaan van de schuld. De Afdeling leest het oordeel van de rechtbank, mede gelet op wat de minister in beroep en in hoger beroep naar voren heeft gebracht, aldus dat zij van oordeel is dat niet is voldaan aan de eisen voor overname van een schuld in de zin van de Wht.

6. [appellante] komt op tegen dat oordeel en betoogt in hoger beroep dat de schuld wel voldoet aan de voorwaarden die artikel 4.1, derde lid, sub b van de Wht stelt aan de overname daarvan. [appellante] heeft een akte overlegd die is opgesteld op het Turkse Consulaat te Rotterdam, waaruit blijkt dat zij een bedrag van € 17.000,00 heeft geleend van haar vader. Dit bedrag is contant aan haar betaald. Omdat de leenverstrekkers, de ouders van [appellante], alleen de Turkse taal machtig zijn en een Nederlandse notaris die taal niet beheerst, is gekozen voor de notariële dienst van het consulaat van de Republiek Turkije. De akte is specifiek op de afdeling notarieel van het consulaat opgesteld en ondertekend door een consulaatambtenaar, in dienst van de Republiek Turkije. Dit is ook bevestigd bij e-mail van het Turkse consulaat daarover op 27 september 2023. De akte dient daarom met een notariële akte te worden gelijkgesteld, aldus [appellante]. Uit de akte blijkt verder dat de schuld vóór 1 juni 2021 opeisbaar is geworden, namelijk op 25 oktober 2020.

6.1. In hoofdstuk 4 van de Wht is geregeld onder welke voorwaarden gedupeerden in aanmerking komen voor het overnemen en betalen van private schulden. Uit artikel 4.1, tweede lid, van de Wht volgt dat het bij schulden die worden overgenomen moet gaan om schulden die zijn ontstaan na 31 december 2005, die vóór 1 juni 2021 opeisbaar waren en die niet zijn voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan. In artikel 4.1, derde lid, is bepaald welke geldschulden en kosten worden overgenomen. Daartoe behoort, zoals blijkt uit artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder b, van de Wht onder meer een informele private schuld, indien die is vastgelegd in een notariële akte, of waarvan blijkt uit een rechterlijke uitspraak.

De Afdeling is van oordeel dat de akte van 25 oktober 2017 een notariële akte is zoals artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder b, van de Wht vereist om voor de overname van een informele schuld in aanmerking te komen. De rechtbank heeft ten onrechte niet onderkend dat [appellante] met deze notariële akte de betaling van de lening en daarmee het bestaan van de schuld heeft bewezen. De wettekst van de Wht biedt geen aanleiding voor het standpunt van de minister dat buitenlandse akten niet kunnen kwalificeren als notariële akten in de zin van de Wht. Op grond van artikel 5, onder f, van het Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen kan een ambtenaar van het consulaat optreden als notaris. Daarbij is als voorwaarde gesteld dat de wetten van de ontvangende Staat zich hiertegen niet verzetten. Er zijn geen aanknopingspunten om aan te nemen dat de Wht zich verzet tegen de toepassing van dit artikel.

6.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 22 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5101, zijn de bepalingen uit het Burgerlijk Wetboek (BW) bepalend voor de beantwoording van de vraag of en op welk moment een schuld, waarvan om overname is verzocht, opeisbaar is geworden. Een schuld is in de regel opeisbaar wanneer de schuldeiser nakoming kan vorderen. Als er een termijn voor nakoming is bepaald, dan is de verbintenis pas na het verstrijken van die termijn opeisbaar (artikel 6:39 van het BW). Artikel 4.1, tweede lid aanhef en onder b, van de Wht verlangt slechts dat sprake is van een voor 1 juni 2021 opeisbare schuld.

In de notariële akte van 25 oktober 2017 is een termijn opgenomen die liep tot 25 oktober 2020. De schuld van [appellante] was dus opeisbaar vóór 1 juni 2021, namelijk vanaf 25 oktober 2020. Anders dan de minister ter zitting naar voren heeft gebracht, is het in dit verband niet relevant of een schuldeiser met een opeisbare vordering ook daadwerkelijk al stappen tot invordering of opeising heeft gezet (zie voormelde uitspraak van de Afdeling van 22 oktober 2025). De blote stelling van de minister dat een gebrek aan invorderingshandelingen aan zou tonen dat er andere betalingsafspraken zijn gemaakt, zodat niet is aangetoond dat de schuld daadwerkelijk opeisbaar was in de periode vóór 1 juni 2021, volgt de Afdeling niet.

Het betoog slaagt.

Conclusie hoger beroep

7. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellante] gegrond verklaren. De Afdeling zal het besluit van 5 oktober 2023 vernietigen. De Afdeling ziet, gelet op wat onder 6.1 en 6.2 is overwogen, aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. Het besluit van 21 april 2023 zal worden herroepen voor zover daarin de schuld van [appellante] aan haar vader niet is overgenomen en de aanvraag zal in zoverre worden ingewilligd. De Afdeling zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

8. De minister moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 augustus 2024 in zaak nr. 23/6461;

III. verklaart het door [appellante] ingestelde beroep tegen het besluit van 5 oktober 2023 met het kenmerk DGH-BOB-SBN-B0578 gegrond;

IV. vernietigt dat besluit;

V. herroept het besluit van 21 april 2023, met het kenmerk SBN 161843.07/KOT, voor zover de minister van Financiën daarin heeft besloten om de schuld aan [vader] niet over te nemen;

VI. wijst de aanvraag van [appellante] om overname van de private schuld aan [vader] [appellante] toe;

VII. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VIII. veroordeelt de minister van Financiën tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het bezwaar, beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 5.068,00, geheel toe te rekenen aan door derden beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IX. gelast dat de minister van Financiën aan [appellante] het door hem voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 138,00 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. den Ouden, voorzitter, en mr. J.C.A. de Poorter en mr. J.F. de Groot, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Yildiz, griffier.

w.g. Den Ouden

voorzitter

w.g. Yildiz

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2026

594-1180

BIJLAGE

Wettelijk kader

Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen

Artikel 5 Consulaire werkzaamheden

De consulaire werkzaamheden omvatten:

[…]

(f)

het optreden als notaris en als ambtenaar van de burgerlijke stand, het verrichten van soortgelijke werkzaamheden, en het verrichten van bepaalde werkzaamheden van administratieve aard, voor zover de wetten en regelingen van de ontvangende Staat zich daartegen niet verzetten.

Wet hersteloperatie toeslagen

Artikel 4.1. Overneming of betaling privaatrechtelijke geldschulden gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag, partner en ex-partner van gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag

1 Onze Minister neemt op aanvraag de geldschulden en kosten over op grond van artikel 155 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek van een aanvrager van een kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 of diens partner, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, onderdelen b of c, of een ex-partner die in aanmerking komt voor de compensatie, bedoeld in artikel 2.14h, eerste lid, en aan wie deze is toegekend, tenzij op die aanvrager, die partner of die ex-partner artikel 4.6 of 4.7 van toepassing is.

2 De geldschulden die worden overgenomen:

a. zijn ontstaan na 31 december 2005;

b. waren voor 1 juni 2021 opeisbaar; en

c. zijn niet voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan.

3 Geldschulden en kosten die worden overgenomen, zijn:

[…]

b. een geldschuld die niet is ontstaan door een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf verrichte rechtshandeling van de schuldeiser indien deze is vastgelegd in een notariële akte die is verleden in de periode tussen 1 januari 2006 en 1 juni 2021 of blijkt uit een rechterlijke uitspraak indien de daaraan voorafgaande ingebrekestelling of dagvaarding of het daaraan voorafgaande verzoekschrift dateert van voor 1 juni 2021, waarbij geldt dat de zaak bij de rechtbank binnen een redelijke termijn na de dagtekening van de ingebrekestelling aanhangig moet zijn gemaakt;

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand