ECLI:NL:RVS:2026:5152

ECLI:NL:RVS:2026:5152

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 02-09-2026
Datum publicatie 02-09-2026
Zaaknummer 202501437/1/R1
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Bij besluit van 19 december 2024 heeft de raad van de gemeente Middelburg het bestemmingsplan "Partiële herziening Mortiere fase 3D en 5A" vastgesteld. Het plan is een partiële herziening van het bestemmingsplan "Mortiere", waarbij uitsluitend de verbeelding is aangepast. Met het plan wordt een deel van de woonbestemmingen langs de Duke Ellingtonstraat gewijzigd in de bestemming "Groen", met als gevolg dat in dit deel van het plangebied nog slechts twee woningen kunnen worden gebouwd. De bouwvlakken voor die woningen worden westwaarts verschoven, langs respectievelijk de Bud Powellstraat en de Count Basiestraat. Ten oosten van de locatie bevindt zich een hoogspanningsleiding. [appellant] en anderen betogen dat de raad ten onrechte geen vooroverleg heeft gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).

Uitspraak

202501437/1/R1.

Datum uitspraak: 2 september 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend in Middelburg,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Middelburg,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 19 december 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "Partiële herziening Mortiere fase 3D en 5A" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en anderen hebben een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 augustus 2026, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde A] en [gemachtigde B], en de raad, vertegenwoordigd door K.H.T. van der Werf, werkzaam bij de gemeente, bijgestaan door mr. A. Schreijenberg, advocaat te Middelburg, zijn verschenen.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.

Het ontwerpplan is op 14 december 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening (Wro), zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.

Inleiding

2. Het plan is een partiële herziening van het bestemmingsplan "Mortiere", waarbij uitsluitend de verbeelding is aangepast. Met het plan wordt een deel van de woonbestemmingen langs de Duke Ellingtonstraat gewijzigd in de bestemming "Groen", met als gevolg dat in dit deel van het plangebied nog slechts twee woningen kunnen worden gebouwd. De bouwvlakken voor die woningen worden westwaarts verschoven, langs respectievelijk de Bud Powellstraat en de Count Basiestraat. Ten oosten van de locatie bevindt zich een hoogspanningsleiding.

Toetsingskader

3. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.

Beroepsgronden

4. [appellant] en anderen betogen dat de raad ten onrechte geen vooroverleg heeft gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).

4.1. Artikel 3.1.1, eerste lid, van het Bro gaat over overleg met besturen van andere gemeenten en waterschappen en met bepaalde provinciale en rijksdiensten.

4.2. In artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat de bestuursrechter een besluit niet vernietigt op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, als deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.

4.3. Het doel van de overlegverplichting in artikel 3.1.1, eerste lid, van het Bro is te borgen dat er afstemming plaatsvindt tussen de betrokken bestuursorganen onderling. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2875, onder 7.2. De bepaling strekt kennelijk niet ter bescherming van de belangen van [appellant] en anderen. Dit betekent dat het relativiteitsvereiste eraan in de weg staat dat deze beroepsgrond tot vernietiging van het plan leidt. Gelet hierop bespreekt de Afdeling deze beroepsgrond niet inhoudelijk.

5. [appellant] en anderen betogen dat er ten onrechte geen participatiemogelijkheden zijn geweest bij de vaststelling van het plan.

5.1. De Afdeling stelt vast dat het bestemmingsplan overeenkomstig artikel 3.8 van de Wro is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb. Niet is gebleken dat de raad niet op juiste wijze toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in die afdeling. Het ontwerpplan is ter inzage gelegd en een ieder heeft de mogelijkheid gehad om daarover een zienswijze in te dienen. De ingediende zienswijzen, waaronder de zienswijze van [appellant] en anderen, heeft de raad betrokken in zijn afweging, zoals blijkt uit het vaststellingsbesluit in samenhang met het rapport beantwoording zienswijzen en reacties overlegpartners. Gelet op het voorgaande volgt de Afdeling [appellant] en anderen dan ook niet in hun betoog dat zij onvoldoende bij de besluitvorming zijn betrokken.

Voor zover [appellant] en anderen met deze beroepsgrond betogen dat voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpplan hen de mogelijkheid had moeten worden geboden te participeren, overweegt de Afdeling dat het bieden van inspraak voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpplan geen deel uitmaakt van de in de Wro en het Bro geregelde procedure. Het wel of niet bieden van inspraak in die eerdere fase heeft daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van het besluit tot vaststelling van het plan. Dit kan anders zijn, wanneer een inspraakverordening tot inspraakmogelijkheden verplicht. In dit geval geldt in de gemeente Middelburg de Participatie- en inspraakverordening Middelburg, maar deze verplicht niet tot enige vorm van inspraak of participatie voorafgaand aan de vaststelling van een plan. Voor het oordeel dat onvoldoende met [appellant] en anderen is geparticipeerd, bestaat dan ook geen grond.

Het betoog slaagt niet.

6. [appellant] en anderen betogen dat de raad er te lang over heeft gedaan om het plan vast te stellen na de terinzagelegging daarvan.

6.1. De Afdeling begrijpt het betoog van [appellant] en anderen aldus dat zij stellen dat de raad niet overeenkomstig artikel 3.8, eerste lid, onder e, van de Wro binnen twaalf weken na de termijn van terinzagelegging heeft beslist omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan. Het ontwerpplan is op 14 december 2023 ter inzage gelegd en het bestreden besluit is op 19 december 2024 genomen, zodat [appellant] en anderen terecht aanvoeren dat de in artikel 3.8, eerste lid, onder e, van de Wro gestelde termijn is overschreden. Uit artikel 3.8, eerste lid, onder e, van de Wro noch uit enige andere bepaling kan echter worden afgeleid dat de raad na het verstrijken van deze termijn niet meer bevoegd is het bestemmingsplan vast te stellen. Het door [appellant] en anderen aangevoerde op dit punt geeft dan ook geen aanleiding voor vernietiging van het bestreden besluit.

Het betoog slaagt niet.

7. [appellant] en anderen betogen dat de raad onvoldoende heeft onderbouwd dat ter plaatse van de voorziene woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Zij stellen dat de voorziene woningen op te korte afstand van de hoogspanningsleiding zijn gesitueerd en dat niet zeker is dat de nieuwe woningen nu en in de toekomst buiten de magneetveldzone van die leiding zullen liggen.

7.1. Deze beroepsgronden van [appellant] en anderen gaat niet over hun eigen woon- en leefklimaat, maar over dat van de toekomstige bewoners van de twee voorziene woningen. [appellant] en anderen kunnen alleen opkomen voor het belang van hun eigen woon- en leefklimaat, en niet voor dat van anderen. Wat zij aanvoeren, kan daarom gelet op artikel 8:69a van de Awb niet leiden tot vernietiging van het plan. Daarom ziet de Afdeling af van een inhoudelijke bespreking van deze beroepsgronden.

8. [appellant] en anderen stellen verder dat de voorziene woningen niet passen in de stedenbouwkundige opzet van de wijk. Daarbij wijzen zij met name op de korte afstand van 6 meter, in plaats van de oorspronkelijke 21 meter, tot de bestaande achtertuinen van de bewoners van de Jazzroute. Zij betwisten het standpunt van de raad dat de voorziene woningen als een passende afronding van het betreffende woonveld kunnen worden gezien. Ter verdere onderbouwing wijzen zij op de "Stedenbouwkundige reflectie op vaststellen bestemmingsplan partiële herziening Mortiere Fase 3D en 5A in Middelburg" van Stegenga Werkplaats voor Stedenbouw van 3 april 2025.

8.1. De raad stelt dat de bestemming "Wonen" in dit plan niet dichter op de bestaande woningen ligt dan in het bestemmingsplan "Mortiere". Het bouwvlak is weliswaar verschoven, maar ligt nog steeds op ruime afstand van de bestaande percelen, namelijk op zes meter. Dit is, zo stelt de raad, een afstand die vaker voorkomt binnen de wijk Mortiere. Verder stelt de raad dat de positionering van de bouwvlakken in de Count Basiestraat en Bud Powellstraat ligt, waardoor een afronding van het woonveld wordt gerealiseerd. De raad licht toe dat oriëntatie op deze dwarsroutes op meerdere plekken in Mortiere wordt toegepast. De raad stelt dat het daarmee een stedenbouwkundig passende oplossing is, die aansluit op de stedenbouwkundige structuur van de gehele wijk en deze specifieke situatie. De inrichting van de groenbestemming zal hier ook op aansluiten, zodat het een passende afronding wordt van de wijk Mortiere aan de oostzijde, aldus de raad.

8.2. In hetgeen door [appellant] en anderen is aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding te oordelen dat de raad zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat het plan in zoverre in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Dat een andere stedenbouwkundige invulling van het gebied denkbaar is, zoals naar voren komt in het door [appellant] en anderen overgelegde rapport van Stegenga Werkplaats voor Stedenbouw, betekent niet dat de door de raad gekozen stedenbouwkundige opzet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij betrekt de Afdeling dat in het bestemmingsplan "Mortiere" aan het grootste deel van de bestemming "Groen" nog de bestemming "Wonen" was toegekend. Ook betrekt de Afdeling hierbij dat de raad, zoals op zitting nader toegelicht, zich onderbouwd op het standpunt stelt dat de gekozen situering met afstanden tot andere percelen, alsmede de oriëntatie van de percelen, niet uniek zijn in deze wijk, maar op meerdere plekken en in elk geval in het westelijk deel van Mortiere voorkomen.

Het betoog slaagt niet.

9. [appellant] en anderen hebben zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant] en anderen hebben in het beroepschrift of op de zitting geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van die zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

10. Het beroep is ongegrond.

11. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Besselink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.A. van Heusden, griffier.

w.g. Besselink

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van Heusden

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2026

647

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. L.A. van Heusden

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand