202502723/1/A2.
Datum uitspraak: 2 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 8 april 2025 in zaak nr. 23/5879 in het geding tussen:
[appellante]
en
de minister van Financiën.
Procesverloop
Bij besluit van 1 juni 2022 heeft de Belastingdienst/Toeslagen een aanvraag van [appellante] om op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) haar schuld van € 1.000,00 aan [persoon] over te nemen, afgewezen.
Bij besluit van 19 oktober 2023 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 8 april 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 10 juli 2026, waar de minister, vertegenwoordigd door [gemachtigden], zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Deze uitspraak gaat over een besluit op grond van de regeling voor overneming en betaling van private schulden die is opgenomen in de Wht. Het overnemen van private schulden werd namens de Belastingdienst/Toeslagen uitgevoerd. Dat gebeurt nu door de minister, In de uitspraak wordt het bestuursorgaan verder aangeduid met minister.
2. [appellante] is aangemerkt als een gedupeerde ouder van de kinderopvangtoeslagaffaire. Zij heeft bij de minister een schuldenlijst ingediend met verschillende schulden. Zij heeft de minister onder andere verzocht om haar schuld aan [persoon] over te nemen op basis van de Wht.
3. Bij besluit van 1 juni 2022 heeft de minister bepaald dat de schuld van [appellante] niet kan worden overgenomen. De schuld is namelijk een private schuld, die alleen door de minister wordt afbetaald als de schuld voldoet aan de vereisten van artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder b, en tweede lid, van de Wht. In het besluit van 19 oktober 2023 heeft de minister het verzoek afgewezen omdat de schuld niet is vastgelegd in een notariële akte en ook niet opeisbaar was vóór 1 juni 2021. De lening is weliswaar vastgelegd in een overeenkomst van geldlening, maar dit bewijsmiddel is volgens de minister niet voldoende op grond van de Wht. De legalisatieakte van 15 april 2022, opgesteld door een notaris, legaliseert de handtekeningen van de leningsovereenkomst, maar is ook niet gelijk te stellen aan een notariële akte, aldus de minister.
Uitspraak van de rechtbank
4. De rechtbank heeft overwogen dat partijen het erover eens zijn dat de schuld aan [persoon] niet is vastgelegd in een notariële akte, als bedoeld in de Wht, en ook niet blijkt uit een rechterlijke uitspraak. Deze voorwaarde is vastgelegd in een dwingendrechtelijke bepaling die de rechtbank niet aan het evenredigheidsbeginsel kan toetsen. Omdat niet aan de voorwaarde is voldaan kan deze schuld daarom in beginsel niet worden overgenomen. Naar het oordeel van de rechtbank hoefde de minister de hardheidsclausule niet toe te passen. Volgens de rechtbank doet zich geen situatie voor waarin aan het bestaan van een informele schuld en de gemaakte betalingsafspraken op grond van andere authentieke documenten redelijkerwijs niet valt te twijfelen. [appellante] heeft weliswaar een schriftelijke overeenkomst van geldlening overgelegd, maar die biedt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende zekerheid over het bestaan van de schuld. [appellante] heeft een bewijsaanbod gedaan om bankafschriften en schriftelijke ingebrekestellingen over te leggen, maar de rechtbank heeft dat verzoek afgewezen, omdat [appellante] onvoldoende heeft onderbouwd waarom daarmee kan worden gestaafd dat redelijkerwijs niet valt te twijfelen aan het bestaan van de schuld.
Beoordeling van het hoger beroep
5. [appellante] heeft in hoger beroep een bankafschrift overgelegd en daarbij gesteld dat het bankafschrift de overeenkomst van geldlening ondersteunt. Hiermee is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de hardheidsclausule, aldus [appellante].
5.1. [appellante] heeft nauwelijks gronden gericht tegen de uitspraak van de rechtbank en volstaan met het in geding brengen van een bankafschrift, in het kader van de hardheidsclausule, met verwijzing naar de vermelding ‘lening’ en de datum, maar zonder die verder toe te lichten. [appellante] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van de gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 16 en 17 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. De Afdeling voegt daar nog aan toe dat het overleggen van een bankafschrift zonder nadere toelichting niet tot een ander oordeel leidt. [appellante] is niet verschenen op de zitting om opheldering van haar situatie of van de schuld te geven. De in beroep aangeboden ingebrekestellingen en bankafschriften zijn niet in het geding gebracht. In het licht daarvan heeft [appellante] ook in hoger beroep geen aanknopingspunten aangereikt om met toepassing van de hardheidsclausule het bestaan van de informele schuld aannemelijk te achten.
Conclusie
6. Het hoger beroep is ongegrond
7. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.S. van den Oosterkamp, griffier.
w.g. Willems
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van den Oosterkamp
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2026
941-1180