ECLI:NL:RVS:2026:5155

ECLI:NL:RVS:2026:5155

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 02-09-2026
Datum publicatie 02-09-2026
Zaaknummer 202503643/1/A2
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 3 februari 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag aan de gemeente Den Haag instemming verleend voor de periode van 5 september 2022 tot en met 22 december 2023 voor het aanleggen van ondergrondse verbindingen ten behoeve van toegang tot een parkeergarage en ondergrondse fietsenstalling en het treffen van tijdelijke verkeersmaatregelen ter hoogte van het Deltaplein in Kijkduin. KROM is de eigenaar van een parkeergarage, een winkelcentrum, en meerdere horecaruimtes in Kijkduin. De rechtbank heeft vastgesteld dat het college bij besluit van 3 februari 2022 de door de gemeente gevraagde instemming heeft verleend voor de periode van 5 september 2022 tot en met 22 december 2023. De werkzaamheden zijn inmiddels afgerond. De rechtbank ziet zich daardoor voor de vraag gesteld of KROM nog procesbelang bij het beroep heeft.

Uitspraak

202503643/1/A2.

Datum uitspraak: 2 september 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

Kijkduinse Retail Ontwikkelingsmaatschappij B.V. (KROM), gevestigd in Amsterdam,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 15 mei 2025 in zaak nr. 23/7740 in het geding tussen:

KROM

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

Procesverloop

Bij besluit van 3 februari 2022 heeft het college aan de gemeente Den Haag instemming verleend voor de periode van 5 september 2022 tot en met 22 december 2023 voor het aanleggen van ondergrondse verbindingen ten behoeve van toegang tot een parkeergarage en ondergrondse fietsenstalling en het treffen van tijdelijke verkeersmaatregelen ter hoogte van het Deltaplein in Kijkduin.

Bij besluit van 11 oktober 2023 heeft het college het door KROM daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 mei 2025 heeft de rechtbank het door KROM daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft KROM hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

KROM heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 9 april 2026, waar KROM, vertegenwoordigd door mr. M. Niermeijer, advocaat in Bussum, en mr. R.H. Geel, bestuurder, vergezeld door [persoon], en het college, vertegenwoordigd door mr. F. van Ommeren, vergezeld door D.A. van Haasen en mr. P.H. Hieronimus, zijn verschenen. De Afdeling heeft partijen in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken een nader schriftelijk standpunt in te nemen.

KROM en het college hebben tijdig van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

KROM en het college hebben elk een reactie op het standpunt van de andere partij ingediend.

Met toestemming van partijen is afgezien van een nadere zitting. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. KROM is de eigenaar van een parkeergarage, een winkelcentrum, en meerdere horecaruimtes in Kijkduin.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft vastgesteld dat het college bij besluit van 3 februari 2022 de door de gemeente gevraagde instemming heeft verleend voor de periode van 5 september 2022 tot en met 22 december 2023. De werkzaamheden zijn inmiddels afgerond. De rechtbank ziet zich daardoor voor de vraag gesteld of KROM nog procesbelang bij het beroep heeft.

KROM heeft op de zitting bij de rechtbank gesteld dat zij een financieel belang heeft bij de inhoudelijke behandeling van het beroep. Door het instemmingsbesluit en de daarmee samenhangende werkzaamheden is zij diverse (huur)inkomsten misgelopen.

De rechtbank heeft naar aanleiding daarvan overwogen dat KROM pas op de zitting heeft gesteld dat de door haar geleden schade ongeveer twee miljoen euro bedraagt, zonder daarbij stukken over te leggen ter onderbouwing van deze schade, waardoor het onduidelijk is of de gestelde schade daadwerkelijk het gevolg is van het instemmingsbesluit. Volgens de rechtbank heeft KROM de gestelde schade niet tot op zekere hoogte aannemelijk gemaakt en heeft zij daarom geen procesbelang bij het beroep.

Oordeel van de Afdeling over het hoger beroep

3. KROM betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat, volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 18 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1332), voor het aannemen van procesbelang niet is vereist dat de gestelde schade wordt onderbouwd, maar slechts dat tot op zekere hoogte aannemelijk wordt gemaakt dat schade is geleden als gevolg van het besluit. Aan dat vereiste is in dit geval voldaan.

3.1. Procesbelang is het belang dat een appellant heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het doel dat de appellant voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor de appellant van feitelijke betekenis is. Degene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk. De vraag of er procesbelang is, wordt beantwoord naar de stand van zaken op het moment van de uitspraak. Als de appellant stelt schade te hebben geleden, kan belang bestaan bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Voor het aannemen van procesbelang moet tot op zekere hoogte aannemelijk zijn dat schade is geleden als gevolg van het besluit.

3.2. KROM heeft op de zitting van de rechtbank betoogd dat zij als gevolg van het besluit van het college schade heeft geleden, bestaande uit

- kort gezegd - gederfde huur- en parkeerinkomsten, doordat het college haar belangen niet heeft betrokken bij de in haar ogen onjuiste besluitvorming en de wijze waarop de werkzaamheden, waarop het instemmingsbesluit ziet, zouden worden uitgevoerd. Daarnaast zou het college zijn uitgegaan van verouderde en daarmee onjuiste informatie, en niet zijn ingegaan op de door haar voorgestelde alternatieven, die voor haar minder ingrijpende gevolgen zouden hebben gehad. Het instemmingsbesluit heeft volgens KROM geleid tot een slechte bereikbaarheid van de panden die zij in eigendom heeft. Daardoor heeft zij huurinkomsten misgelopen, omdat huurovereenkomsten pas later, na voltooiing van de werkzaamheden, zijn ingegaan, en heeft zij korting op de huur moeten geven aan huurders die al wel een huurovereenkomst met haar waren aangegaan.

Naar het oordeel van de Afdeling is in dit geval voldaan aan de in rechtsoverweging 3.1 vermelde maatstaf. De rechtbank heeft, door van KROM te verlangen om de gestelde schade en de oorzaak van de schade met stukken te onderbouwen, een onjuiste invulling gegeven aan de vraag of KROM de schade tot op zekere hoogte aannemelijk heeft gemaakt. In beroep bij de rechtbank heeft KROM, met de door haar gegeven toelichting op de aard en oorzaak van de schade, al tot op zekere hoogte aannemelijk gemaakt dat zij schade heeft geleden als gevolg van het instemmingsbesluit. In dit stadium van de procedure is niet van belang of KROM daadwerkelijk schade heeft geleden door het besluit. Dat komt pas aan de orde bij de beoordeling van een eventueel verzoek om schadevergoeding.

4. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank.

Oordeel van de Afdeling over het beroep

5. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:116 van de Algemene wet bestuursrecht de zaak zonder terugwijzing naar de rechtbank af te doen. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat KROM en het college op de zitting van de Afdeling de wens hebben uitgesproken dat de Afdeling de zaak inhoudelijk behandelt als de niet-ontvankelijkverklaring door de rechtbank geen stand zou houden.

6. KROM heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat het college haar onvoldoende heeft betrokken bij de voorbereiding van het besluit. Daardoor zijn haar belangen onvoldoende meegewogen en heeft het college niet gekozen voor één van de door haar voorgestelde alternatieven die voor KROM minder ingrijpende gevolgen zouden hebben gehad. Daarnaast heeft het college zich gebaseerd op een gedateerde en daarmee een onjuiste omgevingssituatie. Tot slot is het in een uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 juli 2023 vastgestelde bekendmakingsgebrek van het besluit van 3 februari 2022 een duidelijke indicatie dat de voorbereiding van het besluit onzorgvuldig is geweest.

6.1. In artikel 2:11, eerste lid van de Algemene plaatselijke verordening voor de gemeente Den Haag (Apv) is bepaald dat het verboden is om zonder voorafgaande instemming van het college een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg, of handelingen te verrichten die de gebruiksmogelijkheden van de weg beperken. In het zevende lid is bepaald dat het college instemming kan weigeren, indien de handeling schade toebrengt aan de weg, een belemmerende invloed heeft op de doorstroming van verkeer, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg. Daarnaast kan het college instemming weigeren, indien de handeling op zichzelf, dan wel in verband met de omgeving, niet voldoet aan de eisen van redelijke welstand, of in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaken.

6.2. De gemeente Den Haag heeft vóór het indienen van de aanvraag voor het instemmingsbesluit een zogenoemde BVC-procedure doorlopen. BVC staat voor Bereikbaarheid, Veiligheid en Communicatie. De gemeente heeft voor de BVC-procedure een BVC-plan ingeleverd. Na een positief advies van het Stedelijk bereikbaarheidsoverleg op een BVC-plan kan een instemmingsbesluit worden aangevraagd. De uitvoering van de werkzaamheden waarop het instemmingsbesluit ziet, moeten conform het BVC-plan worden uitgevoerd.

6.3. Anders dan KROM stelt, heeft het college haar bij de voorbereiding van de besluitvorming betrokken. Zo heeft het college een bespreking georganiseerd op 13 december 2021, waaraan ook een vertegenwoordiger van KROM heeft deelgenomen. Verder is KROM meerdere malen uitgenodigd voor overleg over de impact van de werkzaamheden waarop het instemmingsbesluit ziet. KROM heeft ook deelgenomen aan die overleggen.

Verder blijkt uit het dossier dat het college na overleg met KROM en een analyse van de betrokken belangen, waaronder die van KROM, tot het besluit van 11 oktober 2023 is gekomen. Bovendien is het college nagegaan of mogelijke alternatieven de overlast voor gebruikers van in de nabijheid gelegen onroerende zaken kunnen voorkomen of beperken. Zo heeft het college in een e-mail van 12 april 2022 gereageerd op alternatieven die zijn voorgesteld door de bewoners van Nieuw Kijkduin en gemotiveerd waarom deze alternatieven ongeschikt zijn. De voorgestelde alternatieven waar KROM naar verwijst, zijn in een e-mailbericht van 9 november 2022 door B. van der Peet, destijds werkzaam bij FRED, aan het college voorgelegd. Voor zover het college bij toepassing van artikel 2:11 van de APV al ruimte heeft om naar aanleiding van de aanvraag van de gemeente verschillende alternatieven tegen elkaar af te wegen, is het college niet gehouden om in te gaan op elk mogelijk alternatief dat wordt voorgelegd. Dat het college, in het besluit op bezwaar, niet is ingegaan op de alternatieven die zijn voorgelegd na het maken van bezwaar door KROM op 10 augustus 2022, betekent dan ook niet dat het college vooringenomen heeft gehandeld of dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid. Het college is gemotiveerd tot de conclusie gekomen dat de wijze waarop de werkzaamheden uiteindelijk zijn uitgevoerd de meest geschikte optie is.

6.4. Ook is het college, anders dan KROM stelt, niet uitgegaan van een verouderde en onjuiste omgevingssituatie, waarbij om gebouw C een bouwhek was geplaatst, terwijl het gebouw inmiddels al was opgeleverd en het bouwhek was verwijderd. In meerdere tekeningen in het BVC-plan dat ten grondslag is gelegd aan de besluitvorming, is geen bouwhek rondom gebouw C getekend, zodat kan worden geconcludeerd dat het college wel degelijk op de hoogte was van de destijds feitelijke omgevingssituatie.

6.5. Tot slot heeft de rechtbank Den Haag in de uitspraak van 14 juli 2023 geoordeeld dat de overschrijding van de bezwaartermijn door KROM verschoonbaar is, omdat KROM uit het besluit van 3 februari 2022 niet kon opmaken dat de parkeergarage tijdelijk zou worden afgesloten en de toegangsweg zou worden versmald. Om die reden heeft het college volgens de rechtbank het bezwaar van KROM ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Dit oordeel ziet niet op de voorbereiding en totstandkoming van het besluit van 3 februari 2022. Het biedt geen grond voor het oordeel dat het instemmingsbesluit of het besluit op bezwaar van 11 oktober 2023 onrechtmatig zijn.

7. Het beroep is ongegrond.

Proceskosten

8. Het college moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 15 mei 2025, in zaak nr. 23/7740;

III. verklaart het beroep ongegrond;

IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Den Haag tot vergoeding van bij Kijkduinse Retail Ontwikkelingsmaatschappij B.V. in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Den Haag aan Kijkduinse Retail Ontwikkelingsmaatschappij B.V. het door haar voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 579,00 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, voorzitter, mr. E.A. Minderhoud en mr. J.A.W. Huijben, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, griffier.

w.g. Willems

voorzitter

w.g. Hazen

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2026

452-1177

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. J.M. Willems
  • mr. E.A. Minderhoud
  • mr. J.A.W. Huijben

Griffier

  • mr. R.J.R. Hazen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand