ECLI:NL:RVS:2026:5156

ECLI:NL:RVS:2026:5156

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 02-09-2026
Datum publicatie 02-09-2026
Zaaknummer 202505233/1/A3
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 30 juli 2024 heeft de burgemeester van 's-Hertogenbosch aan [appellant] een last onder dwangsom opgelegd wegens het op straat verhandelen van drugs. Op 30 juli 2024 heeft de burgemeester aan [appellant] een last onder dwangsom opgelegd van € 5.000,- per dag met een maximum van € 20.000,- wegens het op straat verhandelen van drugs. Dit is in strijd met artikel 2:25 van de Algemene plaatselijk verordening ’s-Hertogenbosch 2016. Hieraan heeft de burgemeester ten grondslag gelegd dat uit de bestuurlijke rapportage van 18 juli 2024 volgt dat de politie op 27 juni 2024 een auto staande heeft gehouden met [appellant] als bestuurder. Over deze auto had de politie van een buurtbewoner een melding gekregen in verband met drugshandel. Bij de staandehouding heeft de politie drugs gevonden, die [appellant] in zijn onderkleding bewaarde. [appellant] heeft verklaard dat hij de drugs gevonden had. Verder staat in de bestuurlijke rapportage dat de politie € 246,- contact geld in de auto heeft aangetroffen, waarvan een groot gedeelte muntgeld was. Het voertuig betrof een huurauto. Ook is in de rapportage vermeld dat de politie de woning van [appellant] heeft betreden en daar een gebruikershoeveelheid harddrugs heeft aangetroffen.

Uitspraak

202505233/1/A3.

Datum uitspraak: 2 september 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-­Brabant van 21 augustus 2025 in zaak nr. 24/4336 in het geding tussen:

[appellant]

en

de burgemeester van 's-Hertogenbosch.

Procesverloop

Bij besluit van 30 juli 2024 heeft de burgemeester aan [appellant] een last onder dwangsom opgelegd wegens het op straat verhandelen van drugs.

Bij besluit van 20 november 2024 heeft de burgemeester het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 augustus 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 juni 2026 waar de burgemeester van 's-Hertogenbosch, vertegenwoordigd door mr. M. Malicki, is verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. Op 30 juli 2024 heeft de burgemeester aan [appellant] een last onder dwangsom opgelegd van € 5.000,- per dag met een maximum van € 20.000,- wegens het op straat verhandelen van drugs. Dit is in strijd met artikel 2:25 van de Algemene plaatselijk verordening ’s-Hertogenbosch 2016 (Apv). Hieraan heeft de burgemeester ten grondslag gelegd dat uit de bestuurlijke rapportage van 18 juli 2024 volgt dat de politie op 27 juni 2024 een auto staande heeft gehouden met [appellant] als bestuurder. Over deze auto had de politie van een buurtbewoner een melding gekregen in verband met drugshandel. Bij de staandehouding heeft de politie drugs gevonden, die [appellant] in zijn onderkleding bewaarde. Het ging om:

- 82 gripzakjes cocaïne met een totaal nettogewicht van 8,2 gram;

- 39 gripzakjes cocaïne met een totaal nettogewicht van 6,4 gram en;

- 15 gripzakjes heroïne met een totaal nettogewicht van 1,4 gram.

[appellant] heeft verklaard dat hij de drugs gevonden had. Verder staat in de bestuurlijke rapportage dat de politie € 246,- contact geld in de auto heeft aangetroffen, waarvan een groot gedeelte muntgeld was. Het voertuig betrof een huurauto. Ook is in de rapportage vermeld dat de politie de woning van [appellant] heeft betreden en daar een gebruikershoeveelheid harddrugs heeft aangetroffen.

Relevante wet- en regelgeving

2. De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van de uitspraak.

Uitspraak van de rechtbank

3. De rechtbank heeft geoordeeld dat de burgemeester aan [appellant] een last onder dwangsom mocht opleggen. De rechtbank heeft geen reden gezien om te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen van de politie neergelegd in de bestuurlijke rapportage van 18 juli 2024. Uit de rapportage volgt dat [appellant] het kennelijke doel heeft gehad om drugs te verhandelen in de zin van artikel 2:25 van de Apv. De rechtbank heeft daarom geoordeeld dat [appellant] dit artikel heeft overtreden. De door [appellant] aangehaalde uitspraak van de rechtbank Rotterdam, de omstandigheid dat de burgemeester kort na ontvangst van de bestuurlijke rapportage het voornemen en het besluit van 30 juli 2024 heeft genomen en de bestuurlijke rapportage van 21 oktober 2024 zijn voor de rechtbank geen aanleiding geweest voor een ander oordeel. De rechtbank heeft tot slot geoordeeld dat de burgemeester geen misbruik heeft gemaakt van het bestuursrecht. De last onder dwangsom is namelijk niet opgelegd om [appellant] te bestraffen, maar om te voorkomen dat hij opnieuw een overtreding begaat.

Beoordeling hoger beroep

Kon de bestuurlijke rapportage van 18 juli 2024 aan de last onder dwangsom ten grondslag worden gelegd?

4. [appellant] betoogt allereerst dat hij op ongeoorloofde wijze is gefouilleerd. De rechtbank heeft zijn betoog hierover volgens hem verkeerd geïnterpreteerd en niet behandeld. [appellant] betoogt verder dat uit de bestuurlijke rapportage niet kan worden afgeleid dat hij artikel 2:25 van de Apv heeft overtreden. De bestuurlijke rapportage is volgens hem op sommige punten onvolledig en onjuist. Zo is volgens hem voorbijgegaan aan het feit dat hij drugsgebruiker is, dat hij de drugs heeft gevonden, de auto niet direct staande is gehouden en hij niet de bestuurder is geweest. Daarnaast zijn ten onrechte de bestuurlijke rapportages van 21 oktober 2024 en 17 juni 2025 niet in de oordeelsvorming van de rechtbank betrokken.

4.1. Een bestuursorgaan mag, onverminderd zijn eigen verantwoordelijkheid om een besluit zorgvuldig voor te bereiden, in beginsel afgaan op de juistheid van de bevindingen in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend proces-verbaal of bestuurlijke rapportage, voor zover deze bevindingen eigen waarnemingen van de opsteller van de rapportage weergeven. Als die bevindingen worden betwist, dan zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zulke twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 14 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:210.

4.2. [appellant] merkt terecht op dat de rechtbank zijn betoog over de wijze van fouilleren niet heeft behandeld. De Afdeling doet dit nu alsnog. Uit het proces-verbaal van politie van 27 juni 2024, dat op ambtsbelofte is opgemaakt, volgt dat de politie een vermoeden had dat [appellant] drugs bij zich droeg, omdat zij bij hem een opvallende bobbel onder zijn middel waarnamen. Zij gaven [appellant] de keuze om mee te gaan naar het politiebureau zodat een hulpofficier om toestemming kon worden gevraagd om aan het lichaam te fouilleren, of om zelf, buiten het zicht van anderen, zijn onderkleding uit te doen. [appellant] heeft vervolgens voor de fouillering toestemming gegeven. Hij heeft daarna uit eigen beweging en zonder dwang zijn onderkleding uitgetrokken in een ruimte waar geen anderen aanwezig waren. Uit het proces-verbaal volgt niet dat het voorgaande op een ongeoorloofde wijze is gebeurd. De Afdeling ziet in hetgeen door [appellant] is gesteld, geen grond om te twijfelen aan wat in het proces-verbaal is vastgelegd, omdat hij dit niet verder met bewijs heeft onderbouwd. Deze grond leidt dus niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, maar de Afdeling verbetert wel de gronden van die uitspraak.

4.3. Uit de bestuurlijke rapportage van 18 juli 2024, die is gebaseerd op het proces-verbaal van politie van 27 juni 2024, volgt dat de politie van een buurtbewoner een melding heeft gekregen van een witte Toyota Aygo waar vanuit drugshandel zou plaatsvinden. De politie is ter plaatse gaan kijken en heeft de witte Toyota Aygo gevolgd. De politie trof [appellant] aan als de bestuurder van het voertuig. [appellant] had meerdere gripzakjes harddrugs in zijn onderbroek verstopt, met een totaal nettogewicht van 16 gram. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor zulke twijfel dat de bevindingen niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd. Daarbij komt dat [appellant] zijn stellingen niet met nader bewijs heeft onderbouwd.

De burgemeester heeft aan het opleggen van de last onder dwangsom de bestuurlijke rapportage van 18 juli 2024 ten grondslag gelegd. De andere bestuurlijke rapportages zijn niet van doorslaggevende betekenis geweest bij het opleggen van de last. De burgemeester heeft dit op zitting bij de Afdeling nogmaals bevestigd. De rechtbank heeft daarom terecht alleen de bestuurlijke rapportage van 18 juli 2024 bij haar oordeelsvorming betrokken. De Afdeling merkt hierbij nog op dat het proces-verbaal van politie van 27 juni 2024 dit oordeel niet anders maakt. In het proces-verbaal staat dat de bewoners van de wijk al langer klaagden over het dealen van drugs vanuit een witte Toyota Aygo. Dit is niet in tegenspraak met de bestuurlijke rapportage van 18 juli 2024 waarin staat dat de politie naar aanleiding van informatie van een buurtbewoner over drugshandel vanuit een witte Toyota Aygo ter plaatse is gaan kijken. Wat [appellant] overigens heeft betoogd ter bestrijding van de bestuurlijke rapportage maakt niet dat deze niet gevolgd kan worden omdat hij dit niet nader heeft onderbouwd.

4.4. Het betoog slaagt niet.

Kennelijke doel

5. [appellant] betoogt dat hij niet het kennelijke doel heeft gehad om de drugs te verhandelen. Niemand heeft gezien dat hij drugs aan het verhandelen zou zijn. De rechtbank heeft hierbij volgens [appellant] ten onrechte overwogen dat de uitspraak van de rechtbank Rotterdam, ECLI:NL:RBROT:2022:7839, niet van toepassing is op zijn situatie. Hij is zelf drugsgebruiker en heeft de drugs op straat in de buurt van een verslavingskliniek gevonden. De huurauto waarin [appellant] reed, heeft hij gehuurd zodat hij wat geld kon verdienen. Het contant geld dat in de auto werd gevonden heeft hij verkregen door het vragen om financiële hulp op straat, aldus [appellant].

5.1. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat [appellant] het kennelijke doel heeft gehad om drugs te verhandelen. Hierbij heeft de Afdeling in aanmerking genomen dat [appellant] ook in hoger beroep geen enkele verklaring heeft gegeven dat de in de bestuurlijke rapportage vermelde bevindingen niet zien op het verhandelen van drugs. Dat wat hij hierover heeft aangevoerd zijn enkel stellingen die hij niet met nader bewijs heeft onderbouwd. Daarnaast volgt, in tegenstelling tot in de Rotterdamse zaak, uit de bestuurlijke rapportage expliciet dat er een melding was gedaan over drugshandel vanuit de auto waarin [appellant] reed.

5.2. Het betoog slaagt niet.

Onzorgvuldigheid en vooringenomenheid

6. [appellant] betoogt dat het besluit om hem een last onder dwangsom op te leggen onzorgvuldig tot stand is gekomen. Zo heeft de burgemeester bijvoorbeeld het voornemen om de last op te leggen één dag nadat de bestuurlijke rapportage is verstrekt, bekendgemaakt. [appellant] betoogt verder dat de last en het besluit van 20 november 2024 onvoldoende is gemotiveerd en dat er sprake is van vooringenomenheid bij het college. Hij heeft geen antecedenten.

6.1. Het (korte) tijdsverloop tussen de verstrekking van de bestuurlijke rapportage en het bekendmaken van het voornemen en het opleggen van de last brengen niet op zichzelf mee dat de besluitvorming onzorgvuldig is geweest. [appellant] heeft dit niet aannemelijk gemaakt. Ook de Afdeling is niet gebleken dat aan het besluit van 20 november 2024 een zorgvuldigheids- en/of motiveringsgebrek zit of dat het college vooringenomen is geweest.

6.2. Het betoog slaagt niet.

7. Ook in hetgeen [appellant] verder heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor vernietiging van de uitspraak van de rechtbank.

Conclusie

8. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank met verbetering van gronden.

9. De burgemeester hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. G.T.J.M. Jurgens, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, griffier.

w.g. Jurgens

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Bindels

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2026

85-1199

Bijlage

Relevante wet- en regelgeving

Artikel 2:25 van de Apv

Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. R.F.J. Bindels

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand