202601205/1/A2.
Datum uitspraak: 2 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
en
het College van Bestuur van de Hogeschool Rotterdam,
verweerder.
Procesverloop
Bij beslissing van 28 oktober 2025 heeft het Centre of International Affairs (het CoIA) namens het CvB vastgesteld dat [appellant] niet voldeed aan de voor hem geldende studienorm en hiervoor geen verschoonbare redenen bekend waren.
Bij beslissing van 2 april 2026 heeft het CvB het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen deze beslissing heeft [appellant] beroep ingesteld.
Het CvB heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 16 juni 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. R. Verspaandonk, advocaat in Den Haag, en het CvB, vertegenwoordigd door mr. A. Sanders MEd en L. Wiers, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
2. [appellant] staat sinds 1 september 2022 ingeschreven bij de Hogeschool Rotterdam voor de opleiding tot Verpleegkundige. Omdat hij een verblijfsvergunning heeft met als verblijfsdoel "studie" moet hij elk studiejaar voldoen aan de norm die voortvloeit uit de Wet Modern Migratiebeleid (de MoMi-norm). De MoMi-norm bedraagt 50% van de nominale last per studiejaar.
3. Voor [appellant] geldt een norm van 30 studiepunten per studiejaar. In het studiejaar 2022/23 heeft hij 28 studiepunten gehaald en daarmee niet voldaan aan de MoMi-norm. Wegens zijn persoonlijke omstandigheden heeft het CvB dit verschoonbaar geacht en hem daarom niet afgemeld bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). In het studiejaar 2023/24 heeft [appellant] 54 studiepunten gehaald en daarmee voldaan aan de MoMi-norm.
4. In het studiejaar 2024/25 heeft [appellant] 19 studiepunten gehaald en daarmee te weinig studiepunten om te voldoen aan de MoMi-norm. Op 19 september 2025 is per e-mail aan hem meegedeeld dat melding bij de IND volgt, tenzij er redenen zijn die het niet voldoen aan de MoMi-norm verschoonbaar maken. Bij beslissing van 28 oktober 2025 heeft het CoIA vastgesteld dat die redenen er niet waren.
Beslissing CvB
5. Het CvB heeft zich op 2 april 2026, onder overneming van het advies van de geschillenadviescommissie van 23 maart 2026, op het standpunt gesteld dat er geen reden is voor het verschoonbaar achten van het niet voldoen aan de MoMi-norm in studiejaar 2024/25. Het is immers aan de eigen studievoortgang van [appellant] te wijten dat hij niet nominaal studeert. Dit is niet het gevolg van een niet studeerbaar programma. Het CvB heeft daarbij geen aanleiding gezien om de beoordelingsperiode in het kader van de MoMi-norm te verleggen, in de zin dat deze in plaats van september 2024 tot september 2025 loopt van februari 2024 tot februari 2025.
6. In zijn persoonlijke omstandigheden, heeft het CvB evenmin een dergelijke reden gezien. [appellant] heeft in het studiejaar 2024/25 geen contact gehad met de studentendecaan, waardoor die geen advies heeft kunnen geven over de vraag of er persoonlijke omstandigheden waren die van invloed zijn geweest op zijn studievoortgang.
7. Het CvB heeft verder opgemerkt dat het als erkend referent verplicht is om inlichtingen te verstrekken aan de IND over een vreemdeling die in Nederland verblijft in het kader van studie als hij niet voldoet aan de MoMi-norm (artikel 4.20, eerste lid, aanhef en onder e, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000). De consequenties die de verstrekking van deze informatie voor [appellant] heeft vormen geen reden om van de melding af te zien.
Beoordeling van het beroep
8. [appellant] betoogt dat het CvB ten onrechte het standpunt heeft ingenomen dat er geen redenen waren om het niet voldoen aan de MoMi-norm verschoonbaar te achten. De opleiding kent een bepaalde volgorde met ingangseisen voor opvolgende jaren. Omdat hij in zijn eerste jaar vertraging heeft opgelopen kon hij pas in februari 2024 starten met leerjaar twee. Omdat hij zich tot februari 2024 alleen op de openstaande vakken van de propedeutische fase kon richten, was het voor hem praktisch onmogelijk om in studiejaar 2024/25 aan de MoMi-norm te voldoen. [appellant] betoogt dat de beoordelingsperiode in het kader van de MoMi-norm daarom verlegd had moeten worden naar februari 2024 tot februari 2025.
8.1. Tussen partijen is niet in geschil dat het door de ingangseisen voor opvolgende vakken voor [appellant] niet mogelijk was om in semester 1 van het studiejaar 2024/25 te starten met de stage en dat het zonder de stage voor hem niet mogelijk was in het studiejaar 2024/25 te voldoen aan de MoMi-norm. Uit het curriculumschema dat is opgenomen in artikel 13.4 van de Hogeschoolgids Instituut van gezondheid blijkt echter dat de opleiding Verpleegkunde binnen het opleidingsprogramma een "route B" aanbiedt voor studenten met een stage in semester 2 van het studiejaar. Deze route is bedoeld voor studenten zoals [appellant], die - omdat zij niet aan de ingangseisen voldoen - niet met de stage in semester 1 kunnen starten. De ingangseis voor de stage in semester 2 van het studiejaar is dat de propedeuse en 45 studiepunten uit de hoofdfase gehaald moeten zijn. Met deze stage kunnen 30 studiepunten worden gehaald, zodat ook deze studenten in het studiejaar 2024/25 een totaal van 60 studiepunten kunnen halen. Het CvB heeft daarom zich op het standpunt mogen stellen dat er geen sprake was van een studieprogramma dat niet studeerbaar was.
8.2. [appellant] was aan het begin van het studiejaar 2024/25 nog in de gelegenheid om in semester 1 aan de ingangseisen voor deze stage te voldoen en had daarmee ook de mogelijkheid om in dat studiejaar aan de MoMi-norm te voldoen. Daarvoor moest [appellant] in semester 1 in totaal 23 studiepunten halen. Dat is niet gelukt, nu hij in totaal 11 studiepunten heeft gehaald. Hij heeft vervolgens nagelaten een verzoek te doen tot ontheffing van de ingangseis voor de stage of een verzoek tot een extra tentamenkans voor één van de tentamens, om alsnog aan de ingangseis te voldoen. Dat het CvB hem niet uit eigen beweging op dergelijke mogelijkheid heeft gewezen, kan het CvB niet worden tegengeworpen.
8.3. De beoordelingsperiode in het kader van de MoMi-norm is op grond van artikel 6.5 van de Gedragscode internationale student hoger onderwijs een studiejaar. Een studiejaar start op 1 september en eindigt op 31 augustus, zoals opgenomen in artikel 2.5 van de Hogeschoolgids. [appellant] wist dit of behoorde dit te weten. Dat [appellant] vindt dat de beoordelingsperiode moest worden verlegd naar februari 2025 tot februari 2026, maakt dit niet anders.
9. Verder stelt [appellant] dat hij wel gesproken heeft met de studentendecaan over zijn persoonlijke omstandigheden, maar dat die ondergeschikt waren aan de studeerbaarheid van het studieprogramma. De studeerbaarheid van de opleiding vormde namelijk al voldoende grond voor de studentendecaan om [appellant] naar de onderwijsmanager door te sturen en hij is daarom niet aan zijn persoonlijke omstandigheden toegekomen.
9.1. [appellant] heeft niet bestreden dat hij in het studiejaar 2024/25 geen contact heeft gehad met de studentendecaan. Hoewel hij is gewezen op het belang om zijn persoonlijke omstandigheden bij de studentendecaan kenbaar te maken, onder meer in de "melding studievoortgangsmonitoring" van het CoIA van 15 mei 2025, heeft hij pas op 30 oktober 2025 contact gehad met de studentendecaan. Bij deze afspraak heeft hij geen melding gemaakt van andere (persoonlijke) omstandigheden dan de studeerbaarheid van het programma. Het CvB heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat [appellant] niet tijdig contact heeft gezocht met de studieadviseur om zijn persoonlijke omstandigheden te bespreken, waardoor die niet heeft kunnen vaststellen in hoeverre die omstandigheden van invloed zijn geweest op zijn studievoortgang. In zijn persoonlijke omstandigheden, heeft het CvB terecht geen reden gezien om het niet voldoen aan de MoMi-norm te verklaren.
10. Volgens [appellant] had het CvB toepassing moeten geven aan de hardheidsclausule. Uit het aantal studiepunten dat hij behaald heeft, is het aannemelijk dat hij in staat is om de opleiding binnen een redelijke termijn af te ronden en dat hij voor studiedoeleinden in Nederland verblijft. De vaststelling van het niet behalen van de MoMi-norm, met daaropvolgende afmelding bij de IND kan ertoe leiden dat hij de opleiding niet kan afmaken. Nu hij al veel tijd en geld in de opleiding heeft gestoken, mede voor zijn verblijf in Nederland, zou dat onevenredig zijn.
10.1. Zoals overwogen onder 8.1 en 9.1 heeft het CvB in het geval van [appellant] terecht vastgesteld dat er geen reden is die het niet behalen van de MoMi-norm verklaart en heeft het CvB geen toepassing aan de hardheidsclausule hoeven geven. Als dat is vastgesteld, is de CvB als erkend referent verplicht om inlichtingen hierover te verstrekken aan de IND (artikel 4.20, eerste lid, aanhef en onder e, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000). Een nadere beslissing van het CvB is daarvoor niet vereist.
Conclusie
11. Het beroep is ongegrond.
12. Het CvB hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzitter, en mr. G.T.J.M. Jurgens en mr. J. Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Van Loon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2026
284-1180
BIJLAGE
Wettelijk kader
Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek
Artikel 7:51
[…]
2. De bijzondere omstandigheden, bedoeld in het eerste lid zijn:
[…]
h. andere dan de in de onderdelen a tot en met g bedoelde omstandigheden die, indien een daarop gebaseerd verzoek om financiële ondersteuning door het instellingsbestuur niet zou worden gehonoreerd, zouden leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Uitvoeringsbesluit Whw 2008
Artikel 2.1
1. De persoonlijke omstandigheden bedoeld in de artikelen 7.8b, derde lid, en 7.9, derde lid, van de wet, zijn:
[…]
i. andere in de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in artikel 7.13 van de wet, op grond van artikel 7.13, tweede lid, onderdeel f, van de wet, vast te leggen persoonlijke omstandigheden.
Vreemdelingenbesluit 2000
Artikel 3.87a
1. De aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd die is verleend onder een beperking verband houdend met studie, kan in ieder geval op grond van artikel 18, eerste lid, onder f, van de Wet worden afgewezen, indien de houder daarvan:
a.niet meer studeert aan een krachtens artikel 2c van de Wet als referent erkende onderwijsinstelling, of
b.niet overeenkomstig bij ministeriële regeling vastgestelde normen voldoende studievoortgang boekt.
[…]
Artikel 3.91b
1. Onverminderd artikel 3.91a kan de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd die is verleend onder een beperking verband houdend met studie, in ieder geval op grond van artikel 19 van de Wet, in samenhang met artikel 18, eerste lid, onder f, van de Wet worden ingetrokken, indien de houder daarvan:
[…]
b. niet overeenkomstig bij ministeriële regeling vastgestelde normen voldoende studievoortgang boekt.
[…].
Voorschrift Vreemdelingen 2000
Artikel 4.20
1. De referent van een vreemdeling, die in Nederland verblijft of wil verblijven in het kader van studie aan het hoger onderwijs verstrekt inlichtingen over de vreemdeling wiens referent hij is indien:
[…]
e. er sprake is van onvoldoende studievoortgang als bedoeld in artikel 6.5 van de Gedragscode internationale student hoger onderwijs;
[…].
Regeling normering studievoortgang vanwege verblijfsvergunning in verband met studie
Artikel 1. Studievoortgangsnorm
De norm voor voldoende studievoortgang, als bedoeld in artikel 3.87a, eerste lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000, is de norm zoals vastgelegd in artikel 5.5 van de Gedragscode internationale student hoger onderwijs.
Gedragscode internationale student hoger onderwijs
6.5 De instelling stelt na afloop van ieder studiejaar de studievoortgang vast van de verblijfsvergunningplichtige student met uitzondering van de uitwisselingsstudent. Er is sprake van voldoende studievoortgang als 50% (of meer) van de nominale studielast voor dat (deel van het) studiejaar is behaald. Voor het voorbereidend onderwijs en de premaster geldt dat de verblijfsvergunningplichtige student deze succesvol dient af te ronden.
Bij onvoldoende studievoortgang stelt de instelling de oorzaak hiervan vast, bijvoorbeeld door een studievoortganggesprek met een studieadviseur. De instelling beoordeelt, op basis van de door student overlegde bewijsstukken, of er sprake is van persoonlijke omstandigheden zoals bedoeld in artikel 7.51 WHW alsmede artikel 2.1 Uitvoeringsbesluit WHW, ten gevolge
waarvan de student onvoldoende studievoortgang heeft geboekt.
6.6 Indien blijkt dat de verblijfsvergunningplichtige student onvoldoende studiepunten heeft behaald wordt de verblijfsvergunningplichtige student binnen een maand afgemeld bij de IND. Wanneer de instelling vaststelt dat er sprake is van persoonlijke omstandigheden zoals in het artikel 6.5 is omschreven, kan de instelling beslissen de afmelding bij de IND achterwege te laten. Voor de student in het voorbereidend onderwijs of in de premaster geldt deze mogelijkheid tot het achterwege laten van de afmelding bij de IND niet. […]