202601539/1/A2.
Datum uitspraak: 2 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
en
het college van beroep voor de examens van de Vrije Universiteit Amsterdam (CBE),
verweerder.
Procesverloop
Bij beslissing van 13 oktober 2025 heeft de examencommissie van de School of Business and Economics een verzoek van [appellant] om vervanging van een verplicht uitwisselingsprogramma door een alternatief onderwijsprogramma afgewezen.
Bij beslissing van 10 april 2026 heeft het CBE het daartegen door [appellant] ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze beslissing heeft [appellant] beroep ingesteld.
Het CBE heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 14 juli 2026, waar [appellant], via videoverbinding bijgestaan door mr. B. Salamat, rechtsbijstandverlener in Enschede, en het CBE, vertegenwoordigd door mr. S.A. Snoeren en dr. Y. Peers, zijn verschenen.
Overwegingen
1. [appellant] volgt in het jaar 2025-2026 de opleiding International Business Administration aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Op grond van artikel 12.1, vijfde lid, aanhef en onder d, van de Onderwijs- en Examenregeling SBE 2025-2026 (OER) zijn studenten van deze opleiding verplicht om één semester aan een buitenlandse universiteit studeren. [appellant] heeft verzocht om dit verplichte onderdeel te mogen vervangen door een alternatief onderwijsprogramma. Hij heeft daartoe aangedragen dat het uitwisselingsonderdeel moeilijk te combineren is met zijn eigen bedrijf, waarvoor hij aan kinderen skiles op topsportniveau geeft gedurende acht tot twaalf weken per jaar in Oostenrijk.
2. De examencommissie heeft aan de beslissing van 13 oktober 2025 ten grondslag gelegd dat de uitwisseling een in beginsel verplicht inhoudelijk onderdeel van het onderwijs is en dat dit onderdeel is vastgelegd in de OER. Zij hanteert het beleid dat uitzonderingen op verplichte onderdelen uitsluitend worden overwogen in geval van ernstige persoonlijke omstandigheden die zijn ontstaan na de start van de opleiding. De door [appellant] genoemde omstandigheden bestonden al bij aanvang van zijn studie en vormen binnen het beleid daarom geen reden om een uitzondering te maken.
3. Het CBE heeft aan de beslissing van 10 april 2026 ten grondslag gelegd dat het uitwisselingsonderdeel een wezenlijk en verplicht onderdeel vormt van de opleiding. [appellant] heeft geen omstandigheden aangevoerd die ertoe leiden dat het moeten volgen van het reguliere programma tot een onbillijkheid van overwegende aard zou leiden. Hij heeft niet inzichtelijk gemaakt welke concrete problemen voor zijn bedrijf zouden ontstaan door deelname aan het uitwisselingsonderdeel. Ook heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat hij zijn bedrijf niet vanuit het buitenland kan voortzetten. Hij heeft ook niet onderbouwd waarom het door de examencommissie voorgestelde alternatief om het uitwisselingsonderdeel in Oostenrijk te volgen voor hem geen reële mogelijkheid is. Het beroep op de hardheidsclausule is daarmee onvoldoende onderbouwd. De stelling dat de kosten van de uitwisseling niet voor zijn rekening zouden mogen komen, vormt evenmin een grond voor een uitzondering.
4. [appellant] betoogt dat het CBE ten onrechte niet inhoudelijk is ingegaan op zijn beroepsgrond dat de beslissing van 13 oktober 2025 in strijd is met artikel 7.50 van de Wet op het hoger onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek (Whw). Hij voert daartoe aan dat, behoudens onvervangbare onderdelen, een kosteloos alternatief moet worden geboden voor onderdelen van een opleiding waaraan kosten zijn verbonden. Niet is gebleken dat het uitwisselingsonderdeel onvervangbaar is. Het feit dat de examencommissie eerder een alternatief voor het uitwisselingsonderdeel heeft aangeboden wijst er juist op dat het uitwisselingsonderdeel niet onvervangbaar is.
4.1. Omdat de CBE inderdaad niet op deze beroepsgrond is ingegaan is dit betoog terecht voorgedragen, maar dat leidt niet tot vernietiging van de beslissing van het CBE. In het verweerschrift en ter zitting bij de Afdeling is het CBE namelijk alsnog inhoudelijk ingegaan op deze beroepsgrond en heeft het toegelicht waarom die grond niet leidt tot vernietiging van de beslissing van examencommissie. De Afdeling is het daarmee eens en licht dat hierna toe.
4.2. Artikel 7.50, eerste lid, van de Whw luidt, voor zover hier van belang: "Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat het instellingsbestuur een andere bijdrage dan bedoeld in de artikelen 7.43 tot en met 7.49b bij een aspirant-student of student in rekening kan brengen voor kosten die:
(…)
b. voortvloeien uit de bijzondere aard van de opleiding;
(…)".
4.3. [appellant] betoogt in wezen dat artikel 7.50 van de Whw in de weg staat aan de verplichting om deel te nemen aan het uitwisselingsprogramma omdat dit voor hem tot extra kosten leidt. De Afdeling ziet, anders dan [appellant], in de tekst van artikel 7.50, eerste lid, van de Whw evenwel geen aanknopingspunten voor het oordeel dat deze bepaling (ook) ziet op de kosten die niet de universiteit maar [appellant] zelf voor deelname aan het uitwisselingsonderdeel zou moeten maken. De universiteit brengt aan [appellant] geen kosten in rekening die met het uitwisselingsprogramma verband houden. De Afdeling ziet daarom aanleiding om het gebrek, bedoeld onder 4.1, met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te passeren.
5. [appellant] betoogt dat het CBE ten onrechte heeft getoetst aan de hardheidsclausule. Hij heeft in administratief beroep betoogd dat de beslissing van 13 oktober 2025 in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en daaraan is het CBE voorbijgegaan. Hij is verder van mening dat de examencommissie zijn persoonlijke omstandigheden onvoldoende heeft meegewogen. Zo is zijn aanwezigheid bij zijn bedrijf noodzakelijk en zou zijn afwezigheid gedurende het uitwisselingsprogramma schade opleveren ten bedrage van € 20.000,00 tot € 30.000,00. Verder maakt [appellant] nu vrijwel geen kosten voor levensonderhoud, omdat hij bij zijn ouders woont. Een verblijf in het buitenland zal aanzienlijk duurder zijn.
5.1. Dit betoog leidt niet tot vernietiging van de beslissing van het CBE. [appellant] heeft namelijk geen inzicht gegeven in de wijze waarop hij de te verwachten schade voor zijn bedrijf heeft berekend. Alleen al daarom kan dit onderdeel van het betoog niet leiden tot de conclusie dat de beslissing van 10 april 2026 voor [appellant] onevenredige gevolgen heeft. Bovendien kon [appellant], toen hij zich voor de opleiding inschreef, op de hoogte zijn van de eis die artikel 12.1, vijfde lid, aanhef en onder d, van de OER stelt. Op de zitting heeft hij desgevraagd gezegd inderdaad bij inschrijving al op de hoogte te zijn geweest, en dat hij hoopte en rekende op een uitzondering. Het had daarom op zijn weg gelegen eerder te informeren naar mogelijkheden om de verplichte uitwisseling te vervangen door een alternatief onderwijsprogramma, temeer nu de Erasmus Universiteit in Rotterdam dezelfde studie aanbiedt zonder verplichte uitwisseling. Dat een verblijf in het buitenland duurder zal zijn dan een verblijf in Nederland is verder een inherent gevolg van de keuze van [appellant] voor deze specifieke opleiding aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Hetzelfde geldt voor gederfde inkomsten gedurende de uitwisseling. Zoals ter zitting is besproken, kan [appellant] een beroep doen op financiële ondersteuning vanuit het Rijk en de universiteit en hoeft hij geen collegegeld te betalen aan de buitenlandse onderwijsinstelling. Tenslotte heeft het CBE aangegeven dat bij keuze voor de buitenlandse universiteit rekening kan worden gehouden met het bedrijf van [appellant].
6. Het overig aangevoerde procedurele betoog slaagt niet. Het CBE heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de examencommissie het verzoek van [appellant] heeft mogen afwijzen. Wat [appellant] op de zitting heeft toegelicht, leidt niet tot een ander oordeel.
7. Het beroep is ongegrond.
8. Het CBE moet de proceskosten vergoeden gelet op de toepassing van artikel 6:22 van de Awb.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep ongegrond;
II. veroordeelt het college van beroep voor de examens van de Vrije Universiteit van Amsterdam in de door [appellant] in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
III. gelast dat het college van beroep voor de examens van de Vrije Universiteit van Amsterdam aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 54,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzitter, en mr. J.M. Willems en mr. J.C.A. de Poorter, leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.
w.g. Daalder
voorzitter
w.g. Van Loon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2026
284-1175