202503510/1/A2.
Datum uitspraak: 2 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 8 mei 2025 in zaak nr. 24/1853 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Financiën.
Procesverloop
Bij besluit van 13 april 2023 heeft de Belastingdienst/Toeslagen geweigerd om een al betaalde private schuld van [appellant] te compenseren.
Bij besluit van 2 november 2023 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 8 mei 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 10 juli 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. M.K. Bhadai, advocaat in Den Haag, en de minister, vertegenwoordigd door mr. drs. A. Divis-Stein en mr. S. Akkas, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Deze uitspraak gaat over een besluit op grond van de regeling voor overneming en betaling van schulden die is opgenomen in de Wht. Het overnemen van private schulden werd namens de Belastingdienst/Toeslagen uitgevoerd. Dat gebeurt nu door de minister. In de uitspraak wordt het bestuursorgaan verder aangeduid met minister. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
2. In hoofdstuk 4 van de Wht is geregeld onder welke voorwaarden gedupeerden in aanmerking komen voor het overnemen en betalen van private schulden. In artikel 4.3 van de Wht is een bepaling opgenomen voor compensatie van al afgeloste private schulden. Deze bepaling houdt kort gezegd en voor zover hier relevant in dat een private schuld die is betaald na ontvangst van een bedrag op grond van een herstelmaatregel (zoals bedoeld in artikel 2.7 van de Wht) in aanmerking komt voor vergoeding, als deze afgeloste schuld, wanneer deze niet was voldaan, op grond van de Wht zou zijn overgenomen. Artikel 4.1 van de Wht bepaalt welke private schulden op grond van de Wht worden overgenomen. Aan deze voorwaarden moet dus ook zijn voldaan.
3. Uit artikel 4.1, tweede lid, van de Wht volgt dat het bij schulden die worden overgenomen moet gaan om geldschulden die zijn ontstaan na 31 december 2005, vóór 1 juni 2021 opeisbaar waren en niet zijn voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan. In artikel 4.1, derde lid, van de Wht is opgenomen welke geldschulden en kosten worden overgenomen.
4. [appellant] is aangemerkt als een gedupeerde ouder van de kinderopvangtoeslagaffaire. Op 28 juli 2021 heeft hij € 30.000,00 ontvangen van de zogenoemde Catshuisregeling, zoals bedoeld in artikel 2.7 van de Wht. Met dit bedrag heeft hij op dezelfde dag een bankschuld aan ING-bank van € 24.900,00 afgelost. De schuld bij de ING-bank is een doorlopend krediet van € 30.000,00 dat in 2013 is afgesloten, met contractnummer H05716192. De lening is beëindigd op 10 augustus 2021 door betalingen op 28 juli 2021 van € 24.900,00 en 2 augustus 2021 van € 122,00.
5. [appellant] heeft verzocht om compensatie voor de afgeloste bankschuld, zoals bedoeld in artikel 4.3 van de Wht. De schuld is een doorlopend krediet, die op grond van de Wht wordt aangemerkt als een financieel product. De minister heeft zijn verzoek afgewezen, omdat volgens de minister niet gebleken is van betalingsachterstanden bij het terugbetalen van de doorlopende kredieten. Daarmee is evenmin komen vast te staan dat de hoofdsom voor 1 juni 2021 opeisbaar is geweest.
Uitspraak van de rechtbank
6. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister terecht en goed gemotiveerd heeft vastgesteld dat de schuld van [appellant] niet in aanmerking komt voor compensatie, omdat geen sprake is van betalingsachterstanden en de schuld niet voor 1 juni 2021 opeisbaar was. Uit het dossier is niet gebleken dat hij voor deze schuld is aangemaand. Ook verder zijn er geen aanwijzingen dat er betalingsachterstanden voor deze schuld waren.
7. De minister heeft naar het oordeel van de rechtbank verder geen toepassing hoeven geven aan de hardheidsclausule, zoals opgenomen in artikel 9.1, lid van de Wht. Het is niet gebleken dat de huidige situatie van [appellant] bijzonder of zeer schrijnend is. De omstandigheid dat [appellant] de bankschuld is aangegaan vanwege de moeilijke situatie waarin hij zich bevond, onderscheidt hem volgens de rechtbank niet van andere gedupeerden. Bovendien is het doel van de schuldenregeling niet om het onrecht uit het verleden te herstellen, maar op het bieden van een nieuwe start.
Beoordeling van het hoger beroep
8. De Afdeling heeft vastgesteld en op de zitting aan de orde gesteld dat de gronden van het hoger beroep en de onbegrijpelijke verwijzingen naar niet ter zake doende rechtspraak niet navolgbaar zijn in het licht van het geschil en de overwegingen van de uitspraak van de rechtbank. [appellant] heeft op de zitting desgevraagd toegelicht dat zijn gronden zo moeten worden begrepen dat het van hardheid getuigt dat een schuld die met de Catshuisregeling betaald is, om te voorkomen dat deze opeisbaar werd, niet voor compensatie in aanmerking komt. De rechtbank heeft daarom niet onderkend dat in zijn geval daarom de hardheidsclausule moest worden toegepast. De Afdeling zal de in het hogerberoepschrift opgenomen grieven aldus opvatten en voor het overige onbesproken laten.
8.1. De Afdeling sluit zich aan bij het oordeel van de rechtbank dat de schuld van [appellant] niet in aanmerking komt voor compensatie. De Afdeling begrijpt uit zijn toelichting op de zitting dat [appellant] juist hard heeft gewerkt om betalingsachterstanden te voorkomen, dat hij soms achterliep met betalen en daar dwang door ervoer maar dat er nooit in gebreke is gesteld. Zoals volgt uit de Wht wordt de hoofdsom van een lening alleen overgenomen, als die vanwege betalingsachterstanden vóór 1 juni 2021 opeisbaar is geworden. Er is geen sprake geweest van een betalingsachterstand en daarmee ook niet van een opeisbare schuld. Daarom voldoet de schuld niet aan de voorwaarden van artikel 4.1, vierde lid, aanhef en onder b, van de Wht, zodat deze niet voor compensatie in aanmerking komt op grond van artikel 4.3, eerste lid van de Wht.
8.2. In de Wht is in artikel 9.1, tweede lid, aanhef en onder a, een hardheidsclausule opgenomen, op grond waarvan de minister kan afwijken van de voorwaarden zoals opgenomen in artikel 4.1 van de Wht. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 12 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:456, kan de hardheidsclausule worden toegepast in bijzondere situaties, waarbij toepassing van de bepaling zelf gelet op de ratio ervan onbillijk uitpakt of wanneer sprake is van schrijnende omstandigheden waardoor toepassing van de wettelijke bepaling achterwege moet blijven. Of het daarbij gaat om een situatie die door de wetgever in algemene zin is of kan zijn voorzien is daarbij niet van doorslaggevend belang. Bij schrijnende omstandigheden kan bijvoorbeeld worden gedacht aan serieuze en structurele financiële nood, aan ernstige medische omstandigheden, of aan andere ontwrichtende persoonlijke omstandigheden. Met het toepassen van de hardheidsclausule wordt een uitzondering gemaakt op de gebruikelijke toepassing van de regel. Dat betekent dat degene die er een beroep op doet, in ieder geval inzichtelijk moet maken waar de bijzonderheid of schrijnendheid in zijn of haar situatie uit bestaat, en dit zo concreet mogelijk dient te onderbouwen.
8.3. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat het bestreden besluit zo onbillijk voor [appellant] uitpakt, dat de minister de hardheidsclausule had moeten toepassen. [appellant] heeft op de zitting toegelicht dat de financiële druk die ook voortkwam uit de toeslagenaffaire impact heeft gehad op persoonlijk vlak, dat de financiële verplichtingen vooral op hem zijn komen te liggen en dat hij het wel kan dragen, maar het als oneerlijk ervaart dat ouders die hun schulden wel tijdig hebben betaald niet worden geholpen. Wat [appellant] aldus verwoordt is invoelbaar. Er zijn echter op basis van de overgelegde stukken en wat op de zitting is besproken onvoldoende objectieve aanknopingspunten om vast te stellen dat sprake is van een zodanig bijzondere en actuele schrijnende situatie bij [appellant] dat toepassing aan de hardheidsclausule had moeten worden gegeven. Dat hij een deel van het bedrag van € 30.000,00 dat hij op basis van de Catshuisregeling heeft gekregen heeft gebruikt om de schuld af te lossen leidt niet tot een ander oordeel.
Conclusie
9. Het hoger beroep is ongegrond
10. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.S. van den Oosterkamp, griffier.
w.g. Willems
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van den Oosterkamp
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2026
941-1180
BIJLAGE
Wettelijk kader
Wet hersteloperatie toeslagen
Artikel 4.1 Overneming of betaling privaatrechtelijke geldschulden gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag, partner en ex-partner van gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag
1 Onze Minister neemt op aanvraag de geldschulden en kosten over op grond van artikel 155 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek van een aanvrager van een kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 of diens partner, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, onderdelen b of c, of een ex-partner die in aanmerking komt voor de compensatie, bedoeld in artikel 2.14h, eerste lid, en aan wie deze is toegekend, tenzij op die aanvrager, die partner of die ex-partner artikel 4.6 of 4.7 van toepassing is.
2 De geldschulden die worden overgenomen:
a. zijn ontstaan na 31 december 2005;
b. waren voor 1 juni 2021 opeisbaar; en
c. zijn niet voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan.
[…]
4 Geldschulden en kosten die niet worden overgenomen zijn:
[…]
b. de resterende hoofdsommen van andere leningen, tenzij die vanwege betalingsachterstanden opeisbaar zijn geworden;
Artikel 4.3 Compensatie afgeloste privaatrechtelijke geldschulden gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag en partner
1 Aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 of aan een ex-partner, die in aanmerking komt voor de compensatie, bedoeld in artikel 2.14h, eerste lid, en aan wie deze is toegekend, verleent Onze Minister op aanvraag compensatie voor een afgeloste geldschuld die op grond van artikel 4.1 voor overneming in aanmerking zou komen als deze niet voldaan was.
[…]
Artikel 9.1 Hardheidsclausules
1 De Dienst Toeslagen kan bij een besluit over toekenning van compensatie, een tegemoetkoming of vergoeding, kwijtschelding van bestuursrechtelijke schulden of betaling van bestuursrechtelijke en privaatrechtelijke schulden afwijken van 2.1, 2.6, 2.7, 2.10, 2.11, 2.11a, 2.11b, 2.14, 2.14a, 2.16, 2.17, 3.1, 4.6, 4.7 of 6.1 voor zover toepassing van het desbetreffende artikel gelet op doel of strekking ervan zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard voor degene die aanspraak wil maken op de toekenning.
2 Voor zover toepassing gelet op het belang dat de bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard kan:
a. Onze Minister afwijken van artikel 2.15, 2.15a, 2.15b, 3.13, 4.1, 4.2 of 4.3;