202505564/1/R4.
Datum uitspraak: 2 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellante], wonend in Rotterdam,
appellante,
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 1 mei 2025 heeft het college zijn beslissing om op 19 april 2025 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening Rotterdam 2009 aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 192,00, voor rekening van [appellante] komen.
Bij besluit van 19 september 2025 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
[appellante] heeft een nader stuk ingediend.
Bij besluit van 14 juli 2026 heeft het college zijn besluit van 1 mei 2025 ingetrokken.
De Afdeling heeft de zaak op zitting behandeld op 15 juli 2026.
Overwegingen
Procesbelang
1. Bij het besluit van 14 juli 2026 heeft het college zijn besluit van 1 mei 2025 ingetrokken, omdat het tot de conclusie is gekomen dat dit besluit ten onrechte is genomen. In de begeleidende brief aan de Afdeling van 14 juli 2026 heeft het college toegelicht dat het naar aanleiding van de beroepsgronden heeft besloten tot intrekking van het besluit van 1 mei 2025 en het besluit op bezwaar van 19 september 2025. Gelet daarop gaat de Afdeling ervan uit dat beide besluiten zijn ingetrokken. Daarom moet eerst de vraag worden beantwoord of nog belang bestaat bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep.
1.1. Procesbelang is het belang dat een appellant heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het doel dat de appellant voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor de appellant van feitelijke betekenis is. Degene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk. De vraag of er procesbelang is, wordt beantwoord naar de stand van zaken op het moment van de uitspraak.
1.2. [appellante] streeft met haar beroep na dat de kosten van de toepassing van de bestuursdwang niet op haar worden verhaald. Dat doel is inmiddels bereikt. Gelet hierop, en omdat [appellante] niet heeft gesteld nog belang te hebben, gaat de Afdeling ervan uit dat voor [appellante] geen procesbelang meer bestaat bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Het beroep wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat de Afdeling het beroep niet inhoudelijk behandelt.
Proceskosten
2. Vervolgens moet worden bezien of in de omstandigheden van het geval, en in het bijzonder voor de reden voor het vervallen van het procesbelang, grond is gelegen over te gaan tot een proceskostenveroordeling. Daarvoor kan reden zijn als het bestuursorgaan aan de appellant is tegemoetgekomen. Indien zich een dergelijke grond voordoet is op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht een proceskostenveroordeling mogelijk (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 28 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:665).
2.1. In dit geval heeft het college de besluiten ingetrokken naar aanleiding van de beroepsgronden van [appellante]. Gelet hierop is het college aan [appellante] tegemoetgekomen. Dit betekent dat het college de door [appellante] in beroep gemaakte proceskosten en het door haar betaalde griffierecht, aan haar moet vergoeden.
Conclusie
3. Het beroep is niet-ontvankelijk.
4. Het college moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
III. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 53,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. A. Kuijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.V. Veldwijk, griffier.
w.g. Kuijer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Veldwijk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2026
912-1194