ECLI:NL:RVS:2026:5163

ECLI:NL:RVS:2026:5163

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 02-09-2026
Datum publicatie 02-09-2026
Zaaknummer 202503671/1/A2
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 11 november 2022 heeft de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap de aanvraag van [appellant] om een incidentele subsidie tot een bedrag van € 1.880.616,19 afgewezen. [appellant] is op 1 juni 2016 eigenaar van het pand aan de [locatie] (het pand) in Hulst geworden. Dat pand is sinds 4 april 1973 aangemerkt als rijksmonument. [appellant] heeft het pand overgenomen van een vriend. Deze vriend zou hem hebben voorgelogen over de mogelijkheden van doorverkoop aan de gemeente Hulst. Het college van burgemeester en wethouders had aan de vriend, als eigenaar van het pand, een last onder dwangsom opgelegd om maatregelen te treffen in verband met de veiligheid. [appellant] heeft, als rechtsopvolger, aan deze last gevolg gegeven. Het college heeft [appellant] gelast om maatregelen te treffen om de staat van het pand te verbeteren en verdere schade te voorkomen. Om de herstel- en restauratiewerkzaamheden te bekostigen heeft [appellant] de minister gevraagd om een incidentele subsidie. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat er al een subsidieregeling is waarop [appellant] een beroep kan doen. De Woonhuisregeling voorziet in subsidie voor kosten voor onderhoud en restauratie van een rijksmonument met woonhuisfunctie.

Uitspraak

202503671/1/A2.

Datum uitspraak: 2 september 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 15 mei 2025 in zaak nr. 23/877 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (nu en hierna: de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap).

Procesverloop

Bij besluit van 11 november 2022 heeft de minister de aanvraag van [appellant] om een incidentele subsidie tot een bedrag van € 1.880.616,19 afgewezen.

Bij besluit van 17 maart 2023 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 11 november 2022, onder aanpassing van de grondslag ervan, in stand gelaten.

Bij uitspraak van 15 mei 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 9 april 2026, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. T.N. Sanders, advocaat in Breda, en de minister, vertegenwoordigd door mr. L. van Eijndthoven, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. [appellant] is op 1 juni 2016 eigenaar van het pand aan de [locatie] (het pand) in Hulst geworden. Dat pand is sinds 4 april 1973 aangemerkt als rijksmonument. [appellant] heeft het pand overgenomen van een vriend. Deze vriend zou hem hebben voorgelogen over de mogelijkheden van doorverkoop aan de gemeente Hulst. Het college van burgemeester en wethouders had aan de vriend, als eigenaar van het pand, een last onder dwangsom opgelegd om maatregelen te treffen in verband met de veiligheid. [appellant] heeft, als rechtsopvolger, aan deze last gevolg gegeven. Het college heeft [appellant] gelast om maatregelen te treffen om de staat van het pand te verbeteren en verdere schade te voorkomen.

Besluitvorming

2. Om de herstel- en restauratiewerkzaamheden te bekostigen heeft [appellant] de minister gevraagd om een incidentele subsidie. De minister heeft deze aanvraag onder verwijzing naar artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgewezen, omdat er geen juridische grondslag is voor een aanvullende subsidieverlening buiten het bestaande subsidie-instrumentarium dat door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) wordt uitgevoerd.

3. De minister heeft in bezwaar de afwijzing in stand gelaten, maar de juridische grondslag voor die beslissing gewijzigd. Daaraan heeft hij ten grondslag gelegd dat voor de instandhouding van rijksmonumenten een systeem van subsidies is opgezet waar eigenaren een beroep op kunnen doen. Het pand is een rijksmonument met een woonhuisfunctie. Voor dat type rijksmonumenten bestaat de Woonhuisregeling, die voorziet in subsidie voor onderhoud en restauratie. [appellant] vraagt een incidentele subsidie aan voor een pand dat binnen een bestaande subsidieregeling valt en daarom dient de aanvraag om een incidentele subsidie te worden afgewezen op grond van artikel 4:23, eerste lid, van de Awb. Voor het verstrekken van een incidentele subsidie heeft de minister beslissingsvrijheid. De minister acht het onwenselijk om op deze wijze het fungerende subsidiesysteem te doorkruisen. Voor zover [appellant] het onevenredig vindt dat de kosten nu voor zijn rekening komen, onderscheidt zijn situatie zich niet van andere particuliere eigenaren van rijksmonumenten met een woonhuisfunctie. Dat het pand in een slechte staat was en nu een negatieve marktwaarde heeft was al duidelijk ten tijde van de aankoop. [appellant] had daarbij eigen verantwoordelijkheden en had hiermee rekening kunnen houden.

Uitspraak van de rechtbank

4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat er al een subsidieregeling is waarop [appellant] een beroep kan doen. De Woonhuisregeling voorziet in subsidie voor kosten voor onderhoud en restauratie van een rijksmonument met woonhuisfunctie. Subsidiabel zijn ook kosten voor herstel dan wel vervanging van betonnen funderingsconstructies. Doordat sprake is van een specifieke subsidieregeling, mocht de minister op grond van artikel 4:23, eerste lid, van de Awb de aanvraag afwijzen. Bij de beoordeling van de vraag of er een incidenteel geval is heeft de minister beslissingsruimte. Voor een oordeel over de vraag of dit een incidenteel geval is, verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 18 juli 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:4890, waarin die vraag ontkennend is beantwoord. Doordat de genoemde werkzaamheden binnen de Woonhuisregeling vallen, kan er volgens de rechtbank al geen sprake zijn van een incidenteel geval. Dat er een grote opgave ligt voor de restauratie is ook niet uitzonderlijk. De omstandigheden van [appellant] maken dit niet anders. Hoe de koop van het pand is verlopen ligt in zijn eigen risicosfeer. De afwijzing is dus naar het oordeel van de rechtbank terecht in stand gelaten.

Het hoger beroep en de beoordeling daarvan

5. De gronden die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd, zijn voor het merendeel zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder overweging 6 tot en met 7 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. Daar voegt de Afdeling aan toe dat de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 18 juli 2024 inmiddels ook is bevestigd door de Afdeling bij uitspraak van 17 september 2025, ECLI:RVS:NL:2025:4428.

6. Daarnaast betoogt [appellant] in hoger beroep dat de herstelwerkzaamheden aanzienlijk zijn en het niet redelijk is dat een dergelijke investering van een particulier wordt verwacht. Dat maakt de situatie uitzonderlijk en zou een aanvullende subsidie rechtvaardigen. Het zijn kosten die immers het algemeen belang dienen. Daarom zijn de gevolgen van het besluit onevenredig, aldus [appellant].

6.1. Naar het oordeel van de Afdeling is de situatie van [appellant] geen uitzonderlijk geval. De minister heeft op de zitting toegelicht dat er in Nederland zo’n 436 monumentale woonhuizen in een soortgelijke staat verkeren. Ook die eigenaren krijgen geen aanvullende subsidie en moeten met de bestaande subsidies hun rijksmonument in stand houden.

Daarbij komt dat [appellant] met de aankoop van het monument een risico heeft genomen. Hij heeft geen of in ieder geval onvoldoende onderzoek gedaan naar de staat van het pand. De hoge restauratiekosten kwamen ook niet als een verrassing na zorgvuldig onderzoek naar de staat van het pand. Op de zitting heeft [appellant] in dit verband toegelicht dat het pand bij aankoop in 2016 al in een deplorabele toestand verkeerde. Hij wist dus, of had redelijkerwijs kunnen weten, hoe slecht de staat van het pand was. Daarbij heeft hij in de afgelopen jaren onvoldoende ondernomen om verder verval van het pand tegen te gaan.

Verder heeft [appellant] gesteld dat hij het pand van een vriend heeft gekocht als onderdeel van een afspraak. De vriend zou hem hebben voorgehouden dat de gemeente het pand op korte termijn zou willen kopen en slopen in verband met de uitbreiding van het naastgelegen museum. Omdat de vriend volgens [appellant] de onderhandelingen met het museum om hem moverende redenen niet kon voeren, heeft hij [appellant] gevraagd om dat in de hoedanigheid van eigenaar van het pand te doen. Na de onderhandelingen zou de vriend het pand weer terugkopen. Het museum bleek echter geen interesse te hebben in het pand en de vriend is buiten beeld geraakt, aldus [appellant].

De Afdeling is van oordeel dat deze omstandigheden - daargelaten dat hij deze verder niet met stukken heeft onderbouwd - voor rekening en risico van [appellant] komen. Het niet-nakomen van de gestelde afspraak, wat daar ook van zij, betekent niet dat hij om die reden in aanmerking zou moeten komen voor een incidentele subsidie.

Voor zover [appellant] nog niet voldoende gebruik heeft gemaakt van de bestaande regeling, heeft de minister op zitting toegelicht dat daarover nu intensiever contact bestaat tussen de minister en [appellant] om ervoor te zorgen dat hij optimaal gebruik kan maken van deze regeling. Tot slot benadrukt de Afdeling dat het gaat om vergoeding van subsidiabele en niet van alle gemaakte kosten. De rechtbank heeft de afwijzing naar het oordeel van de Afdeling dan ook terecht in stand gelaten.

Conclusie

7. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

8. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. G.T.J.M. Jurgens, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Rijsdijk, griffier.

w.g. Jurgens

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Rijsdijk

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2026

705-1043

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. M. Rijsdijk

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand