202600738/1/A2.
Datum uitspraak: 2 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
en
het College van beroep voor de examens van de Universiteit Maastricht (CBE),
verweerder.
Procesverloop
Bij beslissing van 28 oktober 2025 heeft de examencommissie van de School of Business and Economics van de Universiteit Maastricht het verzoek van [appellant] om hem een extra tentamenkans toe te kennen voor vakken van het eerste en tweede studiejaar van de bacheloropleiding International Business afgewezen.
Bij beslissing van 11 februari 2026 heeft het CBE het door [appellant] daartegen ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze beslissing heeft [appellant] beroep ingesteld.
Het CBE heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 juli 2026, waar J. [appellant], bijgestaan door mr. G.T.P.J. Bremmers, advocaat in Sittard, en het CBE, vertegenwoordigd door mr. E.L.M. Preller en mr. S. Schnabel, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] is bachelorstudent van de opleiding International Business aan de Universiteit van Maastricht. Hij is dyslectisch en heeft op 27 februari 2025 ook de diagnose ADHD gekregen, zoals blijkt uit een door zijn psycholoog afgegeven medische verklaring. Voor zijn dyslexie heeft hij bij zijn tentamens de volgende bijzondere voorzieningen toegewezen gekregen: extra tijd bij geschreven tentamens, een kleinere tentamenruimte en het gebruik van tekst-naar-spraaksoftware tijdens tentamens. Volgens [appellant] heeft hij nadeel ondervonden van zijn ADHD. Hierdoor heeft hij in zijn eerste en tweede jaar van zijn opleiding lagere cijfers gehaald. Op 22 juli 2025 heeft [appellant] daarom een verzoek ingediend bij de examencommissie om extra tentamenkansen te krijgen voor de schriftelijke tentamens voor alle vakken uit het eerste en tweede jaar van zijn studie waarvoor hij een voldoende heeft gehaald. Vanwege zijn persoonlijke omstandigheden heeft hij een beroep gedaan op de hardheidsclausule, zoals opgenomen in artikel 21.5 van de Onderwijs-en Examenregeling van de Bacheloropleidingen van de School of Business and Economics 2024-2025 (de OER).
2. De examencommissie heeft het verzoek afgewezen, omdat [appellant] niet voldoet aan de voorwaarde dat het af te ronden vak het laatste onderwijsonderdeel van de opleiding betreft. Verder heeft de examencommissie verwezen naar artikel 4.10 van de OER, waaruit volgt dat een herkansing voor een vak dat met een voldoende is afgesloten niet is toegestaan. Zijn persoonlijke omstandigheden maken dit niet anders.
Beslissing CBE
3. Het CBE heeft overwogen dat het toekennen van een extra tentamenkans neerkomt op een afwijking van artikel 4.10, vijfde lid, van de OER. In dit artikel staat dat studenten tentamens die zij met goed gevolg hebben afgelegd, niet mogen herkansen. Afwijking van deze regel is slechts mogelijk als de examencommissie, met toepassing van de hardheidsclausule en na een belangenafweging, daartoe aanleiding ziet. De examencommissie heeft op de zitting gemotiveerd uiteengezet dat persoonlijke omstandigheden op zichzelf geen aanleiding vormen voor toepassing van de hardheidsclausule en dat deze slechts in uitzonderlijke gevallen wordt toegepast. Daarbij dient de examencommissie een afweging te maken met het oog op het beginsel van gelijke behandeling van studenten. Dat de examencommissie in dit kader terughoudend is, acht het CBE dan ook niet kennelijk onredelijk. De beslissing van de examencommissie van 28 oktober 2025 is in overeenstemming met de geldende regels tot stand gekomen en is niet in strijd met het recht genomen.
Beroep
4. [appellant] betoogt dat het CBE ten onrechte niet heeft onderkend dat de beslissing van de examencommissie in strijd is met het motiveringsbeginsel. De examencommissie heeft in de beslissing van 28 oktober 2025 niet gemotiveerd waarom zijn beroep op de hardheidsclausule is afgewezen. De opmerkingen van de examencommissie over de hardheidsclausule zijn slechts van algemene aard en een individuele belangenafweging ontbreekt. Verder betoogt [appellant] dat het CBE ten onrechte niet heeft onderkend dat de beslissing van de examencommissie in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, omdat een strikte toepassing van de OER in zijn geval onevenredige gevolgen heeft. De cijfers voor de vakken waarover het gaat, zijn geen juiste weerspiegeling van zijn werkelijke prestatieniveau. Met de afwijzing van het beroep op de hardheidsclausule wordt hij geconfronteerd met onevenredige gevolgen voor zijn verdere studie en carrière.
Beoordeling van het beroep
5. Op grond van artikel 4.10, vijfde lid, van de OER kan een student een tentamen waarvoor hij een voldoende gehaald heeft niet herkansen. In artikel 4.11 is een aantal cumulatieve voorwaarden opgenomen waaronder een student voor een extra tentamenkans in aanmerking kan komen. Vaststaat dat [appellant] niet voldoet aan deze voorwaarden. De hardheidsclausule is opgenomen in artikel 21.5, eerste lid, van de OER. Op grond daarvan kan de examencommissie in individuele gevallen afwijken van de OER als vaststaat dat onverkorte toepassing van de OER in een concreet geval een onbillijke uitkomst heeft voor de student. Om op grond de hardheidsclausule een extra tentamenkans toegekend te krijgen, moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden. Met het CBE is de Afdeling van oordeel dat dit evident niet het geval is bij het verzoek van [appellant] om alle door hem behaalde voldoendes uit de eerste twee studiejaren te mogen herkansen. Hierbij neemt de Afdeling ook in aanmerking dat [appellant] met het overleggen van de verklaring van zijn psycholoog niet aannemelijk heeft gemaakt dat de bij hem vastgestelde ADHD, ondanks de hem voor zijn dyslexie toegekende bijzondere voorzieningen, de hoogte van zijn voldoendes significant heeft beïnvloed. Verder heeft hij volstaan met het zonder toelichting overleggen van zijn cijferlijst, waaruit dit evenmin blijkt. Ook op de zitting heeft [appellant] daarvoor geen aanknopingspunten aangereikt. Het CBE heeft alleen al daarom geen reden hoeven zien voor een nadere belangenafweging.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond.
7. Het CBE hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzitter, en mr. J.M. Willems en mr. J.C.A. de Poorter, leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Van Loon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2026
284-1180