202407965/1/R3.
Datum uitspraak: 2 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
Stichting De Zulthe-Maatlanden en [appellant], gevestigd en wonend in Roden, gemeente Noordenveld,
appellanten,
en
de raad van de gemeente Noordenveld,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 26 september 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "Maatlanden de Zulthe" vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben de stichting en [appellant] beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
De stichting en [appellant] en de raad hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 3 juli 2026, waar [appellant] en de stichting, vertegenwoordigd door [appellant], en de raad, vertegenwoordigd door Y. van den Berg en H. Wassink, bijgestaan door mr. M.J.F. Nuijens en mr. B.M. Stuart, advocaten in Groningen, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 14 december 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening en de Crisis- en herstelwet (Chw) zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2. Het bestemmingsplan voorziet in een nieuw woongebied op gronden aan de noordwestkant van Roden, die voorheen waren bestemd voor agrarische doeleinden. Het plan maakt maximaal 120 woningen mogelijk, met groen, wegen en parkeervoorzieningen. Daarnaast maakt het plan een ontsluiting mogelijk aan de westzijde van het plangebied op de weg de Maatlanden.
3. De stichting en [appellant] zijn het niet eens met het bestemmingsplan. Zij vinden dat de raad het plan niet met de vereiste zorgvuldigheid heeft voorbereid. Zij vrezen vooral dat het plein leidt tot nadelige gevolgen voor de waterhuishouding in het gebied, en daarmee tot verzakkingen en schade aan bestaande bebouwing in de omgeving.
Toetsingskader
4. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
5. Het plan kent aan de gronden van het plangebied, voor zover van belang, de bestemmingen "Woongebied", "Groen" en "Verkeer" toe.
Nieuwe beroepsgronden
6. In artikel 1.6a van de Chw is bepaald dat na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen beroepsgronden meer kunnen worden aangevoerd. Dit betekent dat alle beroepsgronden in het beroepschrift moeten worden opgenomen en dat na afloop van de beroepstermijn geen nieuwe gronden meer kunnen worden ingediend.
De stichting en [appellant] hebben in een nader stuk van 15 juni 2026, na afloop van de termijn voor het instellen van beroep, beroepsgronden aangevoerd over een niet-sluitende grondbalans, een beperkte toetsing door de provincie en over verkeerskundige effecten. Zij hebben deze beroepsgronden niet aangevoerd in het beroepschrift. Dat betekent dat de Afdeling niet toekomt aan een inhoudelijke bespreking van deze beroepsgronden.
Nader stuk van de raad
7. De raad heeft op 29 juni 2026 een nader stuk ingediend.
In artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken kunnen indienen. Het nadere stuk van de raad is binnen de genoemde termijn van tien dagen ingediend. De stichting en [appellant] hebben niet de mogelijkheid gehad om op dit stuk adequaat te reageren. Zoals op de zitting is medegedeeld laat de Afdeling het stuk daarom wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing.
Onzorgvuldige besluitvorming
8. De stichting en [appellant] betogen, samengevat, dat de raad het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid heeft voorbereid. De stichting en [appellant] voeren aan dat zij niet als volwaardige gesprekspartners zijn betrokken in het besluitvormingsproces, dat bovendien niet transparant is verlopen. Zo heeft er op 29 november 2023 een besloten vergadering plaatsgevonden waarbij besluiten zijn genomen, terwijl hen ten onrechte geen mogelijkheid tot inspraak is geboden. De stichting en [appellant] plaatsen vraagtekens bij deze handelswijze van de raad en ook bij de volgordelijkheid van de verschillende gebeurtenissen voorafgaand aan de vaststelling van het plan. Bij de voorbereiding van de op 8 februari 2017 vastgestelde Omgevingsvisie Noordenveld 2030 is omwonenden namelijk voorgehouden dat de gronden van het plangebied onbebouwd zouden blijven. De stichting en [appellant] vinden het moeilijk te begrijpen dat de raad nu toch een woonbestemming toekent aan deze gronden, die in de Omgevingsvisie zijn aangeduid als groene zone. Ook is de raad er ten onrechte van uitgegaan dat de ontwikkeling is voorzien op een inbreidingslocatie.
De stichting en [appellant] wijzen er daarnaast op dat een gemeenteraadslid in 2015 mede-eigenaresse is geworden van verschillende percelen in het plangebied, terwijl deze percelen in 2023 voor veel geld aan de gemeente zijn verkocht. In 2020 zijn aanpassingen gedaan in de begrenzing van het aan de noord- en westzijde gelegen gebied van Natuur Netwerk Nederland (NNN), waardoor het plangebied sindsdien, ten onrechte, geen onderdeel meer is van NNN. De stichting en [appellant] vragen zich af of er sprake is van voorkennis en speculatie, want kort na het schrappen van de NNN-status heeft de gemeente een voorkeursrecht gevestigd op de gronden.
8.1. De Afdeling ziet in het aangevoerde geen grond voor het oordeel dat de raad het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid heeft voorbereid. De Afdeling legt dat hierna uit.
8.2. Het bestreden besluit is voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb. Niet is gebleken dat de raad niet op juiste wijze toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in die afdeling. Het ontwerpplan is ter inzage gelegd en een ieder heeft de mogelijkheid gehad om daarover een zienswijze in te dienen. De ingediende zienswijzen, waaronder de zienswijze van de stichting, heeft de raad betrokken in zijn afweging, zoals blijkt uit het vaststellingsbesluit in samenhang met de zienswijzennota. Er bestaat in dit geval geen wettelijke verplichting om inspraakmogelijkheden te bieden voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpbesluit. De Afdeling is dan ook van oordeel dat de raad aan de wettelijke vereisten van de bestemmingsplanprocedure heeft voldaan. Het betoog van de stichting en [appellant] dat zij niet als volwaardige gesprekspartners zijn betrokken bij de ontwikkeling van het plan en dat het besluitvormingsproces onvoldoende transparant is geweest, heeft, wat daar ook van zij, op zichzelf daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan.
8.3. Anders dan de stichting en [appellant] betogen is de raad bij het toekennen van de bestemming "Woongebied" niet uitgegaan van een inbreidingslocatie. De Afdeling stelt vast dat in de zienswijzennota, de plantoelichting en het verweerschrift staat dat het plangebied een uitbreidingslocatie is. De raad erkent dat de gronden van het plangebied als groene zone zijn aangemerkt in de Omgevingsvisie, maar stelt dat de gronden nodig zijn om de woningbouwopgave te kunnen realiseren. Uit actuele woningmarktonderzoeken volgt namelijk een duidelijk tekort aan woningen, terwijl in Roden en Peize onvoldoende plancapaciteit is om de volledige woningbouwopgave te realiseren door inbreiding of verdichting. De keuze om in afwijking van de definitie van groene zone woningbouw mogelijk te maken, heeft de raad nader gemotiveerd in de zienswijzennota en in paragraaf 3.5 van de plantoelichting. In de plantoelichting wordt daarnaast geconcludeerd dat de in het plan voorziene ontwikkeling voor het overige past binnen de ambitie van de Omgevingsvisie, want met het stedenbouwkundige ontwerp wordt het landschaps- en cultuurhistorische karakter in stand gehouden.
8.4. De omstandigheid dat verschillende percelen in het plangebied in eigendom waren van een voormalig gemeenteraadslid, leidt niet tot de conclusie dat het bestreden besluit om die reden een gebrek bevat. De raad heeft toegelicht dat de plannen voor woningbouw op deze gronden eerst zijn ontstaan na het vertrek van het betrokken raadslid in 2018. Ter onderbouwing wijst de raad op de in 2017 vastgestelde Omgevingsvisie waarin voor het plangebied geen woningbouwontwikkeling is voorzien. De Afdeling ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van dit standpunt van de raad.
8.5. De betogen slagen niet.
8.6. Het betoog van de stichting en [appellant] over de herbegrenzing van het naastgelegen NNN-gebied bespreekt de Afdeling niet inhoudelijk. Wat de stichting en [appellant] hierover hebben aangevoerd gaat namelijk niet over het bestreden plan, maar over een wijziging in de begrenzing van het gebied dat het NNN vormt, door Gedeputeerde Staten van Drenthe op 16 juni 2020. Die herbegrenzing is niet het onderwerp van de toetsing door de Afdeling bij de beoordeling van het besluit tot het vaststellen van het bestemmingsplan.
Stikstof
9. De stichting en [appellant] betogen dat het plan leidt tot een aantasting van natuurwaarden van een dichtbijgelegen Natura 2000-gebied, door de toename van de stikstofdepositie.
9.1. Artikel 8:69a van de Awb luidt: "De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept."
Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis heeft willen stellen dat er een verband is tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die in beroep komt.
9.2. De bepalingen in de Wet natuurbescherming (Wnb) over de beoordeling van plannen die gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied zijn daarin opgenomen ter bescherming van het behoud van de natuurwaarden in deze gebieden.
9.3. De Afdeling stelt vast dat de stichting op grond van artikel 3 van haar statuten als doel heeft het behoud van het natuurlijk gebied De Zulthe-Maatlanden en het behartigen van alle (gemeenschappelijke) belangen in algemene zin van aanwonenden van dat gebied en andere belanghebbenden. Het gebied De Zulthe-Maatlanden bevindt zich op ruim 2 km afstand van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied "Leekstermeergebied". Gelet op deze afstand, houdt het betoog over de gevolgen voor de natuurwaarden in het Natura-2000-gebied geen verband met de belangen die de stichting krachtens haar statutaire doelstelling in het bijzonder behartigt.
9.4. Als een natuurlijk persoon zich beroept op de bepalingen van de Wnb die strekken tot de bescherming van de natuurwaarden van een Natura 2000-gebied, beroept hij zich op een algemeen belang waarvoor hij niet in rechte kan opkomen. Dit volgt uit de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 11 november 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2706) onder 10.51. Verder volgt uit deze uitspraak dat individuele belangen van een natuurlijk persoon bij het behoud van een goede kwaliteit van zijn woon- en leefomgeving, waarvan een Natura 2000-gebied deel uitmaakt, zo verweven kunnen zijn met de algemene belangen die de Wnb beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen in de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van zijn belangen. Bij de beantwoording van de vraag of verwevenheid kan worden aangenomen, wordt in het bijzonder rekening gehouden met de afstand tussen de woning van appellant en het Natura 2000-gebied. Als het Natura 2000-gebied deel uitmaakt van de directe woonomgeving van betrokkene, is in beginsel sprake van verwevenheid zoals hiervoor bedoeld.
[appellant] woont op meer dan 2 km afstand van het Leekstermeergebied. Gelet op deze afstand, maakt het Leekstermeergebied geen deel uit van zijn directe leefomgeving. De Afdeling ziet dan ook geen grond om te oordelen dat de bepalingen uit de Wnb zo verweven zijn met de belangen van de stichting en [appellant], dat de betrokken normen van de Wnb strekken tot bescherming van hun belangen.
9.5. Het voorgaande betekent dat het in artikel 8:69a van de Awb neergelegde relativiteitsvereiste in de weg staat aan een vernietiging van het bestreden besluit vanwege deze beroepsgrond. De Afdeling zal deze beroepsgrond daarom niet inhoudelijk bespreken.
Waterhuishouding
10. De stichting en [appellant] betogen dat het plan onaanvaardbare gevolgen heeft voor de waterhuishouding in de omgeving, terwijl de raad geen integraal hydrologisch onderzoek heeft gedaan. Zij voeren aan dat het grondwaterpeil in het gebied wordt verlaagd, met risico’s op verzakkingen en schade aan omliggende bestaande bebouwing als gevolg. Verlaging van het grondwaterpeil heeft al eerder geleid tot verzakkingen in de omgeving. Zij wijzen op een nieuwsbericht op de website van Crux BV over een verzakking van twee woningen. De stichting en [appellant] voeren verder aan dat de omgeving zich kenmerkt door een lage ligging en ongunstige bodemopbouw. In combinatie met een verlaging van het grondwaterpeil, een sterke toename aan verhard oppervlak en de effecten van klimaatverandering, zal de kans op schade voor omwonenden volgens hen aanzienlijk zijn. De voorgenomen mitigerende maatregelen bieden volgens de stichting en [appellant] geen adequate oplossing om daling van het grondwaterpeil te voorkomen.
10.1. Artikel 10.1 van de planregels luidt: "De gronden met de bestemmingen 'Groen', 'Verkeer' en 'Woongebied' mogen niet eerder worden gebruikt voor aanleggen, bouwen en gebruiken ten behoeve van de in deze artikelen genoemde doeleinden nadat in overleg met het waterschap de in paragraaf 4.5 van de toelichting opgenomen waterhuishoudkundige maatregelen en aanbevelingen zijn uitgevoerd."
10.2. In paragraaf 4.5 van de plantoelichting is de raad ingegaan op de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding, onder verwijzing naar het rapport "Geohydrologisch onderzoek Maatlanden-De Zulthe" van Geo-Hydro van 19 augustus 2024 (het geohydrologisch rapport). Dit geohydrologisch rapport is als bijlage 9 bij de plantoelichting gevoegd. In paragraaf 4.3 van het rapport staat dat bij zogenoemde conventionele woningbouw (met kruipruimte), de grondwaterstand in de winter moet worden verlaagd. Volgens het rapport zijn negatieve effecten van die verlaging voor de omgeving niet te verwachten, want het grondwater op de locatie is vrijwel geïsoleerd van de omgeving. Een structurele verlaging van de grondwaterstand is volgens paragraaf 4.3 van het geohydrologisch rapport niet noodzakelijk als de infrastructuur verhoogd wordt aangelegd, kruipruimteloos wordt gebouwd en sleufbekisting wordt toegepast voor de aanleg van de riolering. Als de grondwaterstand op de locatie niet wordt verlaagd kunnen externe effecten worden uitgesloten, zo wordt in hoofdstuk 5 geconcludeerd.
De raad wijst verder op artikel 10.1 van de planregels, waarin staat dat de gronden niet eerder mogen worden gebruikt voor aanleggen bouwen en gebruiken dan nadat in overleg met het waterschap de in paragraaf 4.5 van de plantoelichting opgenomen waterhuishoudkundige maatregelen en aanbevelingen zijn uitgevoerd. De raad concludeert dat het aspect water geen belemmering vormt voor het plan.
10.3. In wat de stichting en [appellant] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de conclusie van de raad dat het aspect water geen belemmering vormt voor het plan. Zij hebben geen tegenadvies van een deskundige overgelegd of anderszins aannemelijk gemaakt dat het geohydrologisch rapport zodanige gebreken of onjuistheden bevat, dat de raad zich daarop niet mocht baseren. Zij betogen weliswaar dat een verlaging van het grondwaterpeil al eerder heeft geleid tot verzakkingen in de omgeving, maar zoals de raad stelt en nadrukkelijk staat vermeld in paragraaf 4.5 van de plantoelichting, zal de grondwaterstand in het plangebied niet worden verlaagd, behalve lokaal en tijdelijk voor de aanleg van de riolering. De raad heeft toegelicht dat in een eerder geohydrologisch onderzoek uit 2022 wel is uitgegaan van een verlaging van het grondwaterpeil, maar dat onderzoek en die werkwijze zijn intussen achterhaald. De beoogde woningen zullen niet op een conventionele manier worden gebouwd, maar kruipruimteloos. Naast het niet verlagen van het grondwaterpeil, zijn in paragraaf 4.5 van de plantoelichting nog verschillende andere maatregelen opgenomen, zoals de aanleg van wadi's voor waterberging, een gecontroleerde afvoer van water vanuit de wadi's naar bestaande watergangen en het realiseren van extra waterberging ter compensatie van verharding. Deze genoemde maatregelen moeten op grond van artikel 10.1 van de planregels in overleg met het waterschap worden uitgevoerd voordat de gronden worden gebruikt voor aanleggen, bouwen en gebruiken. De stichting en [appellant] hebben niets tegenover deze maatregelen gesteld, en hebben dus ook niet aannemelijk gemaakt dat de maatregelen onvoldoende zouden zijn.
Het betoog slaagt niet.
Schade door bouwactiviteiten
11. De stichting en [appellant] betogen dat het enkel monitoren van schade als gevolg van bouwactiviteiten onvoldoende is, want schade als gevolg van het zakken van het grondwaterpeil zal pas op lange termijn optreden. Zij voeren aan dat de gemeente langjarig verantwoordelijk blijft voor vervolgschade, en dat de bewijslast daarbij zou moeten worden omgekeerd.
11.1. De Afdeling bespreekt deze beroepsgrond niet inhoudelijk.
Wat de stichting en [appellant] hebben aangevoerd over mogelijke schade als gevolg van de bouwwerkzaamheden, gaat niet over het plan zelf maar over de uitvoering daarvan. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. Vergelijk bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 11 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3124, onder 7.2.
Conclusie en proceskosten
12. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.
13. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. A. ten Veen, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. M.M. Kaajan, leden, in tegenwoordigheid van mr. W. Kemerink op Schiphorst-Hofman, griffier.
w.g. Ten Veen
voorzitter
w.g. Kemerink op Schiphorst-Hofman
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2026
933