202304520/1/R4.
Datum uitspraak: 2 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
Stille Maatschap tussen [appellant A] en [appellant B], gevestigd in Alphen, gemeente West Maas en Waal,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 9 juni 2023 in de zaken nrs. 21/3375 en 21/3460 in het geding tussen:
1. [persoon A] en anderen,
2. [persoon B] en [persoon C],
en
het college van burgemeester en wethouders van West Maas en Waal.
Procesverloop
Bij besluit van 7 juni 2021 heeft het college [appellant] een omgevingsvergunning eerste fase verleend om haar melkveehouderij aan de [locatie A] in Wamel deels om te zetten in een varkenshouderij.
Bij uitspraak van 9 juni 2023 heeft de rechtbank de door [persoon A] en [persoon B] daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard en het besluit van 7 juni 2021 vernietigd.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Bij besluit van 31 oktober 2024 heeft het college de aanvraag om een omgevingsvergunning buiten behandeling gelaten.
[appellant] heeft gronden aangevoerd tegen dit besluit.
Bij besluit van 1 juli 2025 heeft het college het door [appellant] tegen het besluit van 31 oktober 2024 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
[appellant], [persoon B], [persoon A] en het college hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 28 januari 2026, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. J.J.J. de Rooij, advocaat in Tilburg, [gemachtigden], en het college, vertegenwoordigd door mr. S.M.J. Thijssen en ing. S. van Gennep, zijn verschenen. Voorts zijn [persoon A] en [persoon B], bijgestaan door mr. V. Wösten, op de zitting als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 4 oktober 2019. Dat betekent dat in dit geval de Wabo en de Wet milieubeheer, zoals die golden vóór 1 januari 2024, van toepassing blijven.
Inleiding
2. [appellant] exploiteert een melkveehouderij aan de [locatie A] in Wamel. Zij heeft een omgevingsvergunning aangevraagd omdat zij een bestaande stal wil slopen en twee nieuwe stallen wil bouwen. Daarin wil zij, in plaats van 160 stuks melk- en kalfkoeien en 151 stuks vrouwelijk jongvee nog slechts 140 zoogkoeien houden, met daarnaast 2.880 vleesvarkens en 2.880 gespeende biggen. Verder wil zij een mestscheidingsinstallatie en een mestbassin bouwen. De omgevingsvergunning eerste fase die in dit geding voorligt, is alleen verleend voor het wijzigen van de inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo. De bouw van de bouwwerken zal aan de orde komen bij de tweede fase.
In het kader van de totstandkoming van de omgevingsvergunning eerste fase heeft het college bij besluit van 29 mei 2019 geoordeeld dat geen milieueffectrapport hoeft te worden opgesteld (het m.e.r.-beoordelingsbesluit 2019).
[persoon B] en [persoon A] wonen aan de [locatie B], [locatie C] en [locatie D] in de directe omgeving van de inrichting van [appellant]. Zij vrezen overlast door de voorgenomen verandering van een volledige melkveehouderij naar een gedeeltelijke varkenshouderij.
3. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college in het besluit van 7 juni 2021 onvoldoende heeft gemotiveerd dat de gewijzigde inrichting kan voldoen aan de geluidgrenswaarden die aan de omgevingsvergunning zijn verbonden. Ook heeft het college volgens de rechtbank in het m.e.r.-beoordelingsbesluit 2019 onvoldoende gemotiveerd dat de gewijzigde inrichting voor wat betreft geur en gezondheid geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben die nopen tot het maken van een milieueffectrapport.
4. Het college heeft naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank de noodzaak van een milieueffectrapport en de aanvraag om omgevingsvergunning opnieuw beoordeeld en hierover nieuwe besluiten genomen. Bij besluit van 30 oktober 2024 (het m.e.r.-beoordelingsbesluit 2024) heeft het college bepaald dat voor de wijziging van de inrichting wel een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Bij besluit van 31 oktober 2024 heeft het college de aanvraag om de omgevingsvergunning buiten behandeling gesteld, omdat de aanvraag niet volledig was zonder een milieueffectrapport.
Het besluit van 31 oktober 2024 is genomen naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in samenhang met artikel 6:24 van die wet, eveneens geacht onderwerp te zijn van dit geding.
Het besluit van 1 juli 2025
5. Het college heeft op 1 juli 2025 een besluit genomen op het door [appellant] tegen het besluit van 31 oktober 2024 gemaakte bezwaar. Zoals hiervoor overwogen is het besluit van 31 oktober 2024 onderwerp van dit geding, zodat dat besluit betrokken moest worden bij de lopende procedure. Het college was daarom op grond van artikel 6:19, vierde lid, van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 6:24 van die wet, gehouden het door [appellant] tegen het besluit van 31 oktober 2024 ingediende bezwaarschrift door te zenden aan de Afdeling. Het besluit van 1 juli 2025 is onbevoegd genomen en moet alleen al daarom worden vernietigd.
Het hoger beroep
Het m.e.r.-beoordelingsbesluit 2019: geur en volksgezondheid
6. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het m.e.r.-beoordelingsbesluit 2019 niet deugdelijk is. De rechtbank heeft daaraan volgens [appellant] in de eerste plaats ten onrechte ten grondslag gelegd dat de geurbelasting op de nabijgelegen woningen aan de [locatie B], 6a en 8 niet in kaart is gebracht. [appellant] stelt dat die woningen geen geurgevoelige objecten zijn zoals bedoeld in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv), omdat het bedrijfswoningen zijn die behoren bij een andere veehouderij. Voor die woningen geldt daarom op grond van de Wgv een afstandsnorm van 50 m, die ook in acht wordt genomen, aldus [appellant]. Daarbij komt volgens haar dat de geurbelasting op andere nabijgelegen woningen, die wel als geurgevoelig object moeten worden aangemerkt, ruimschoots onder de daar geldende grenswaarde ligt, zodat dat naar verwachting ook het geval is bij de woningen aan de [locatie B], 6a en 8.
Verder is [appellant] het oneens met het oordeel van de rechtbank dat de beoordeling van het aspect "volksgezondheid" in datzelfde m.e.r.-beoordelingsbesluit niet deugdelijk is. [appellant] wijst erop dat het college in dat besluit heeft gekeken naar rapporten van het RIVM, naar het voorgenomen aantal dieren en de omvang van de activiteiten in de inrichting na de wijziging, en naar de te nemen maatregelen en te treffen voorzieningen in de inrichting. Verder stelt [appellant] dat de door de rechtbank bedoelde toets aan het toetsingskader voor endotoxinen wel degelijk heeft plaatsgevonden. Volgens [appellant] heeft het college uit al die gegevens een goed onderbouwde conclusie getrokken. Daarbij stelt [appellant] dat de fijnstofemissie van de inrichting weliswaar toeneemt, maar ruimschoots onder de daarvoor geldende grenswaarden blijft.
6.1. Op grond van artikel 7.17 van de Wet milieubeheer, in samenhang gelezen met artikel 7.2, eerste lid, en artikel 7.16 van die wet, en met artikel 2.2 van het Besluit milieueffectrapportage, moet het college in dit geval beoordelen of een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Een milieueffectrapport is noodzakelijk als de activiteit, waarvoor aanvraag wordt gedaan, belangrijke nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu.
6.2. De Afdeling beoordeelt eerst het onderdeel van het betoog dat betrekking heeft op het aspect "geur".
Anders dan [appellant] meent, zijn bedrijfswoningen die behoren bij een andere veehouderij wel geurgevoelige objecten zoals bedoeld in de Wgv. Op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wgv gelden echter de geurgrenswaarden in het eerste lid niet voor geurgevoelige objecten die deel uitmaken van andere veehouderijen. Buiten de bebouwde kom geldt voor die objecten een afstandsnorm van 50 m. De woningen aan de [locatie B], 6a en 8 zijn alle bedrijfswoningen bij een andere veehouderij op grond van het daar geldende bestemmingsplan "Buitengebied West Maas en Waal". Niet in geschil is dat al die woningen op een afstand liggen van meer dan 50 m van de inrichting van [appellant]. Zoals het college heeft geconstateerd in het m.e.r.-beoordelingsbesluit 2019 en de rechtbank onder 13 ook heeft onderkend, wordt dus aan de afstandsnorm voldaan.
Niet juist is echter het oordeel van de rechtbank dat het college in zijn beoordeling van het aspect "geur" slechts heeft gekeken naar dit toetsingskader in de Wgv en daardoor die beoordeling onvoldoende heeft gemotiveerd. Het college is namelijk in het m.e.r.-beoordelingsbesluit 2019 ook ingegaan op de cumulatie van geur, onder verwijzing naar een berekening van Agra-matic van 10 januari 2019. In de tabel die bij die berekening hoort, staat een beoordeling van de achtergrondbelasting van alle woningen in de directe omgeving van het perceel, waaronder [locatie B], 6a en 8. Het college is in het m.e.r.-beoordelingsbesluit 2019 verder weliswaar niet expliciet ingegaan op de geurbelasting op deze woningen, maar in de beantwoording van de zienswijzen, die ook onderdeel uitmaakt van het besluit van 7 juni 2021, heeft het college dat wel gedaan. Het college heeft daarbij onder meer gesteld dat de achtergrondbelasting op [locatie B]a 15,1 Ou/m³ bedraagt en die belasting beoordeeld als acceptabel voor een woning die deel uitmaakt van een veehouderij.
Voor wat betreft de voorgrondbelasting volgt uit de stukken dat die lager is dan 14,0 Ou/m³, de grenswaarde die in bepaalde gevallen geldt op grond van artikel 4 van de Verordening Geurhinder en veehouderij Gemeente West Maas en Waal. Daaruit volgt dat een geurbelasting tot die grenswaarde in het algemeen niet onacceptabel wordt geacht. De geurbelasting vanwege de veehouderij aan de [locatie A] op de dichtstbijzijnde geurgevoelige objecten, te weten, [locatie B] bedraagt 10,3 Ou/m³, op nummer 6a 13,2 Ou/m³ en op nummer 8 6,7 Ou/m³. [locatie B] ligt verder van de veehouderij dan 6 en 6a, waardoor niet aannemelijk is dat de geurbelasting daar hoger zal zijn.
De Afdeling ziet dan ook geen grond voor het oordeel van de rechtbank dat het college de geurbelasting onvoldoende in kaart heeft gebracht. De Afdeling is verder van oordeel dat het college het standpunt heeft kunnen innemen dat de geurbelasting op woningen niet zodanig hoog is dat die noopt tot het maken van een milieueffectrapport.
6.3. De rechtbank heeft over het aspect "volksgezondheid" geoordeeld dat het college nader had moeten motiveren waarom geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, nu het college in het m.e.r.-beoordelingsbesluit 2019 heeft opgenomen dat gevolgen voor de gezondheid door een toename van fijnstof en endotoxinen niet zijn uitgesloten.
De Afdeling volgt ook dit oordeel niet. In het m.e.r.-beoordelingsbesluit 2019 staat inderdaad dat, nu er woningen staan binnen 200 m van de inrichting, gevolgen voor de volksgezondheid door de toename van dieren en de omvang van de activiteiten van de inrichting niet zijn uitgesloten. In dat besluit staat echter ook dat aan alle wettelijke normen wordt voldaan en dat gezondheidsrisico’s door geur-, fijnstof- en geluidsemissies wel uitgesloten worden geacht. Het college acht verder het risico op infectieziekten (zoönosen) klein. Voor wat betreft endotoxines wijst het college er in het m.e.r.-beoordelingsbesluit 2019 op dat de Gezondheidsraad een advieswaarde van 30 units/m³ geeft en in de beantwoording van de zienswijzen bij het besluit van 7 juni 2021 heeft het college hierover nader toegelicht dat die advieswaarde niet wordt overschreden.
Gelet op deze motivering is de Afdeling van oordeel dat het college zich ook met betrekking tot de volksgezondheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de wijziging van de inrichting geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft, die nopen tot het opstellen van een milieueffectrapport.
6.4. Het betoog slaagt.
Het besluit van 7 juni 2021: geluid
7. Aan het besluit van 7 juni 2021 om de omgevingsvergunning te verlenen, heeft het college een geluidsonderzoek van G&O Consult van 26 maart 2021 ten grondslag gelegd (het eerste geluidsonderzoek). [persoon A] en [persoon B] zijn het wel eens met de hoogte van de geluidgrenswaarden die bij de omgevingsvergunning zijn gesteld, maar vrezen dat die geluidgrenswaarden niet naleefbaar zijn. Zij hebben ter onderbouwing daarvan een rapport van De Roever van 29 juni 2021 ingebracht (het tegenrapport). Hierop heeft [appellant] een tweede onderzoek van G&O Consult van 24 maart 2022 aangeleverd (het tweede geluidsonderzoek). In dat tweede geluidsonderzoek staat dat het eerste geluidsonderzoek op bepaalde punten lacunes vertoont. Het tweede geluidsonderzoek bevat daarom een nieuwe berekening op basis van een aantal correcties. Uit die nieuwe berekening blijkt dat ook met die correcties kan worden voldaan aan de gestelde geluidgrenswaarden. [persoon A] en [persoon B] hebben hierop gereageerd met een nadere beoordeling door Ambro Advies van 18 maart 2023 (de nadere beoordeling).
De rechtbank hecht belang aan de omstandigheid dat [appellant], en niet het college, het tweede geluidsonderzoek heeft ingebracht. Volgens de rechtbank heeft het college zich op het standpunt gesteld dat het eerste geluidsonderzoek zonder meer deugt, ook al staat in het tweede geluidsonderzoek dat dat niet zo is. Het college heeft zijn standpunt volgens de rechtbank niet gewijzigd naar aanleiding van het tweede geluidsonderzoek. De rechtbank heeft daarom geoordeeld dat de motivering van het college met betrekking tot geluid niet deugdelijk is, nu dat oordeel is gegeven zonder daarbij het tweede geluidsonderzoek nader te betrekken.
8. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het besluit van 7 juni 2021 niet goed is gemotiveerd voor wat betreft de naleefbaarheid van de geluidgrenswaarden. Zij stelt onder meer dat het tweede geluidsonderzoek van G&O Consult van 24 maart 2022 in die beoordeling moet worden meegenomen en dat dat onderzoek voldoende onderbouwing van de naleefbaarheid bevat.
8.1. De geluidgrenswaarden die in de omgevingsvergunning worden gesteld, zijn bindende voorschriften. [persoon A] en [persoon B] hebben in beroep betoogd dat die voorschriften niet kunnen worden nageleefd. Als zij aannemelijk maken dat dat inderdaad niet mogelijk is, is de omgevingsvergunning op dat punt onrechtmatig. De rechtbank moest daarom beoordelen in hoeverre de kritiek van [persoon A] en [persoon B] kon leiden tot de conclusie dat de geluidgrenswaarden niet kunnen worden nageleefd. De rechtbank heeft bij die beoordeling ten onrechte volstaan met de conclusie dat uit het feit dat bij het tweede geluidsonderzoek enkele aannames zijn gewijzigd, blijkt dat het eerste geluidsonderzoek niet op alle punten juist is, zonder vervolgens te beoordelen in hoeverre daardoor aannemelijk is geworden dat de geluidgrenswaarden niet kunnen worden nageleefd. Bij die beoordeling had de rechtbank het tweede geluidsonderzoek en de conclusies daarvan moeten betrekken. Dat het college dit tweede geluidsonderzoek niet expliciet voor zijn rekening heeft genomen, maakt dat niet anders.
8.2. De rechtbank heeft verschillende onderdelen van het aspect "geluid" benoemd en afzonderlijk beoordeeld. Voor de duidelijkheid zal de Afdeling hieronder die beoordeling ook stapsgewijs nalopen, voor zover [appellant] die bestrijdt.
8.3. De rechtbank heeft vastgesteld dat in het eerste geluidsonderzoek is gerekend met vaste rijroutes over het terrein van de inrichting. Van enkele rijroutes is niet geheel duidelijk of die wel kunnen worden gebruikt, omdat daarvoor twee graansilo’s op een verhoging moeten worden geplaatst terwijl niet duidelijk is of dat wel gaat gebeuren. Van één rijroute is duidelijk dat die niet kan worden gevolgd. Die laatste rijroute loopt tussen twee stallen door, waar de weg maar 1 m breed is. In het tweede geluidsonderzoek staat weliswaar dat deze rijroute door een van de stallen moet lopen en niet tussen twee stallen door, maar de rechtbank wijst erop dat dit niet is overgenomen door het college. De rechtbank heeft daarom geoordeeld dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat het rekenmodel voor de rijroutes in overeenstemming is met de werkelijke situatie.
Zoals hiervoor is overwogen, is de vraag die beantwoord moet worden of [persoon B] en [persoon A] aannemelijk hebben gemaakt dat de geluidgrenswaarden niet kunnen worden nageleefd. Op voorhand is niet aannemelijk dat de rijroute door de stal een hogere geluidbelasting veroorzaakt op omliggende woningen dan de rijroute tussen de stallen door. De nieuwe berekening in het tweede geluidsonderzoek bevestigt dat aan de geluidgrenswaarden kan worden voldaan, ook als de rijroute door de stal heen wordt gemodelleerd. Verder is de omstandigheid dat silo’s op een verhoging zullen moeten worden geplaatst om de andere rijroutes te kunnen volgen, ook niet een omstandigheid die maakt dat het college er niet vanuit kan gaan dat de geluidgrenswaarden kunnen worden nageleefd. Zolang de silo’s op een verhoging worden geplaatst, waartoe [appellant] heeft gesteld bereid te zijn, worden de geluidgrenswaarden nageleefd. Mochten de geluidgrenswaarden in de praktijk niet worden nageleefd, bijvoorbeeld omdat [appellant] de silo’s toch niet op een verhoging plaatst, dan kan het college handhavend tegen haar optreden. De Afdeling is dan ook van oordeel dat het niet aannemelijk is dat de geluidgrenswaarden op dit punt niet kunnen worden nageleefd.
In zoverre slaagt het betoog.
8.4. Het college is er bij de verlening van de vergunning van uitgegaan dat de bronsterkte voor de blower voor het lossen van bijproducten, 95 dB is, hoewel uit het tweede geluidsonderzoek blijkt dat die waarde onjuist is en 101 dB zou moeten zijn. Omdat het college dit niet heeft overgenomen, is de rechtbank van oordeel dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom wel kan worden uitgegaan van een bronsterkte van 95 dB. Daarom is de omgevingsvergunning onrechtmatig, aldus de rechtbank.
Naar het oordeel van de Afdeling is niet aannemelijk dat de geluidgrenswaarden niet kunnen worden nageleefd als ervan wordt uitgegaan dat de blower een hogere bronsterkte heeft. De berekening in het tweede geluidsonderzoek bevestigt dat. Op de zitting van de Afdeling heeft [appellant] bovendien bevestigd dat die bronsterkte de juiste is bij gebruik van vloeibaar voer. De blower heeft verder een zeer beperkte bedrijfsduur.
In zoverre slaagt het betoog.
8.5. De rechtbank heeft geconstateerd dat in het eerste geluidsonderzoek staat dat wordt gerekend met een ventilator van het type Fancom 3480P voor de luchtwassers, die een bronsterkte van 82 dB(A) zou hebben. In de omgevingsvergunning staat echter dat daar een ventilator van het type Ziehl Abegg FC080 wordt gebruikt. De gehanteerde bronsterkte van 82 dB(A) is ook de bronsterkte van de Ziehl Abegg FC080, zoals in de nadere beoordeling van Ambro Advies wordt bevestigd; de bronsterkte van een Fancom 3480P is 92 dB(A). In het tweede geluidsonderzoek staat dat de Fancom 3480P per abuis is genoemd en dat de Ziehl Abegg FC080 daadwerkelijk zal worden gebruikt. De rechtbank heeft geoordeeld dat in het geluidsonderzoek is gerekend met een andere ventilator dan is vergund.
De Afdeling is van oordeel dat waar het type Fancom 3480P wordt genoemd in het eerste geluidsonderzoek, sprake is van een verschrijving. De bronsterkte van 82 dB(A) waarmee is gerekend, is wel de juiste en dit is ook de sterkte waar [appellant] zich aan zal moeten houden. In het tweede geluidsonderzoek staat dat dat ook haalbaar is, wat op zichzelf in beroep niet is bestreden door [persoon B] en [persoon A]. De rechtbank heeft dat niet onderkend.
In zoverre slaagt het betoog.
8.6. De rechtbank stelt vast dat de afvoer van dikke fractie niet is meegenomen in het geluidsonderzoek. De rechtbank is van oordeel dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom dat niet is gebeurd.
In het tweede geluidsonderzoek staat toegelicht waarom de afvoer van dikke fractie niet is meegenomen. Dat is gedaan omdat de afvoer van dunne fractie een veel grotere geluidsbelasting oplevert dan de afvoer van dikke fractie, doordat dunne fractie vaker wordt afgevoerd met meer voertuigen en dat dichter bij de omliggende woningen gebeurt. Dikke en dunne fractie worden niet op dezelfde dag afgevoerd. Dat betekent dat als de geluidgrenswaarden kunnen worden nageleefd op een dag dat dunne fractie wordt afgevoerd, dat ook zo is op een dag dat dikke fractie wordt afgevoerd. De Afdeling vindt die motivering voldoende.
In zoverre slaagt het betoog.
8.7. De rechtbank heeft verder vastgesteld dat in het eerste geluidsonderzoek niet is gerekend met geluid van de hogedrukreiniger, die wordt gebruikt om vrachtwagens schoon te spuiten bij afvoer van varkens in de avond- en nachtperiode. De rechtbank heeft daarover overwogen dat aannemelijk is dat in die periode alleen afvoer plaatsvindt en dat daarvoor geen hogedrukreiniging nodig is. Omdat in voorschrift 2.2.1 bij de omgevingsvergunning echter wel wordt gesproken over aan- en afvoer, is de rechtbank van oordeel dat de geluidsvoorschriften en het geluidsonderzoek op dit punt uiteenlopen.
Ook in dit geval is de vraag of aannemelijk is gemaakt dat de geluidgrenswaarden niet kunnen worden nageleefd. Uit het eerste geluidsonderzoek volgt dat de geluidgrenswaarden, die in voorschrift 2.2 staan, naleefbaar zijn als in de avond en nacht geen hogedrukreiniger wordt gebruikt. In het tweede geluidsonderzoek staat dat in de avond- en nachtperiode geen aanvoer van varkens plaatsvindt, waarbij een hogedrukreiniger benodigd zou zijn, hetgeen [appellant] op de zitting van de Afdeling ook expliciet heeft bevestigd. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de geluidgrenswaarden niet kunnen worden nageleefd bij de beoogde activiteiten, namelijk alleen af- en geen aanvoer van varkens in de avond en nacht en het om die reden achterwege laten van het gebruik van de hogedrukreiniger in de avond en nacht.
In zoverre slaagt het betoog.
8.8. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het geluid van het vullen van de twee graansilo’s, al dan niet in combinatie met een vijzel, niet in het eerste geluidsonderzoek is meegenomen. Ook is de rechtbank van oordeel dat het lossen van graan langer duurt dan de drie minuten die daarmee gemoeid zouden zijn volgens het eerste geluidsonderzoek.
In het tweede geluidsonderzoek staat dat de duur van drie minuten voor het lossen van graan wel degelijk klopt. Verder staat in het tweede geluidsonderzoek dat de geluidsemissie van het vullen en van de vijzel van 80 dB(A) verwaarloosbaar is in vergelijking met de geluidsemissie van 105 dB(A) van de tractor met aanhangwagen waarmee het graan wordt getransporteerd. Het tweede geluidsonderzoek concludeert hierover dat de optredende geluidsniveaus niet worden onderschat. De Afdeling ziet geen aanleiding om daaraan te twijfelen. Hiermee is naar het oordeel van de Afdeling ook voldoende gemotiveerd waarom het geluid van het vullen, al dan niet in combinatie met de vijzel, niet in de berekening in het eerste geluidsonderzoek is meegenomen. Het is niet aannemelijk dat niet aan de geluidgrenswaarden kan worden voldaan.
In zoverre slaagt het betoog.
8.9. De rechtbank heeft overwogen dat in de omgevingsvergunning zowel een registratieplicht ontbreekt voor gebruikmaking van incidentele ontheffingen als een voorschrift met de verplichting om het college of omwonenden op de hoogte te stellen van de verwachte overlast door een incidentele activiteit. De rechtbank hecht er belang aan dat het volgens het college wel gebruikelijk is om dergelijke voorschriften op te nemen.
De Afdeling is van oordeel dat de enkele omstandigheid dat het gebruikelijk is om een bepaald voorschrift op te nemen, niet maakt dat de omgevingsvergunning zonder dat voorschrift zonder meer onrechtmatig is. De rechtbank heeft niet gemotiveerd waarom de omgevingsvergunning onrechtmatig zou zijn wegens het ontbreken van de genoemde voorschriften. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte geoordeeld dat de omgevingsvergunning onrechtmatig is omdat daarin die voorschriften niet zijn opgenomen.
In zoverre slaagt het betoog.
8.10. De rechtbank heeft overwogen dat het eerste geluidsonderzoek uitgaat van de geluiddempende werking van een sleufsilo en van de aanleg van twee grondwallen, maar dat in de omgevingsvergunning niet met voorschriften is geborgd dat die sleufsilo en grondwallen daadwerkelijk worden aangelegd overeenkomstig de uitgangspunten van het eerste geluidsonderzoek. De rechtbank heeft geoordeeld dat daardoor ook niet duidelijk is hoe hoog de sleufsilo moet zijn en of er daadwerkelijk grondwallen komen, waar die precies zouden moeten liggen en hoe hoog en breed die zouden moeten worden.
De vraag is of aannemelijk is dat [appellant] zich niet aan de voorgeschreven geluidgrenswaarden kan houden. Uit het eerste en het tweede geluidsonderzoek volgt dat [appellant] dat wel kan, mits zij de genoemde sleufsilo en grondwallen aanlegt. Hoewel de omgevingsvergunning daar niet expliciet toe verplicht, zal [appellant] de sleufsilo en grondwallen dus wel degelijk moeten aanleggen om aan de geluidgrenswaarden te kunnen voldoen. Mocht blijken dat [appellant] daar geen uitvoering aan geeft, dan ligt handhavend optreden door het college in de rede. [persoon A] en [persoon B] hebben geen feiten of omstandigheden aangevoerd die erop wijzen dat de sleufsilo en grondwallen niet aangelegd zouden kunnen worden. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat de sleufsilo en de grondwallen als zodanig geborgd moeten zijn in de omgevingsvergunning.
In zoverre slaagt het betoog.
8.11. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat het college niet heeft gemotiveerd waarom in het eerste geluidsonderzoek de indirecte hinder voor de woning aan de [locatie D] niet is beoordeeld.
De Afdeling overweegt dat de indirecte hinder voor de genoemde woning inderdaad niet is berekend in het eerste geluidsonderzoek. In het besluit van 7 juni 2021 staat wel dat overal aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A)wordt voldaan. In het tweede geluidsonderzoek staat een tabel met daarin de berekende indirecte hinder voor de woning aan de [locatie D]. Daaruit volgt dat de indirecte hinder op dat adres ten hoogste 50 dB(A) is en dat dus aan de voorkeursgrenswaarde wordt voldaan. De rechtbank heeft niet onderkend dat uit het tweede geluidsonderzoek blijkt dat er in het besluit van 7 juni 2021 terecht van wordt uitgegaan dat voor de woning aan de [locatie D] aan de voorkeursgrenswaarde wordt voldaan.
In zoverre slaagt het betoog.
8.12. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college ten onrechte het standpunt heeft ingenomen dat in het eerste geluidsonderzoek de acht ventilatoren in de stallen op de juiste wijze zijn gemodelleerd in het rekenmodel. In het tweede geluidsonderzoek staat weliswaar dat die berekening niet klopt, maar het college is bij de conclusies in het eerste geluidsonderzoek gebleven, zo overweegt de rechtbank.
In het tweede geluidsonderzoek staat inderdaad dat de ventilatoren van de luchtwasser in het eerste geluidsonderzoek onjuist zijn gemodelleerd. Daarvoor is in het tweede geluidsonderzoek echter een nieuwe berekening opgenomen, waaruit de conclusie wordt getrokken dat voldaan kan worden aan de vergunningvoorschriften. De gewijzigde modellering van de luchtwassers heeft geen negatief effect op de geluidsbelasting, zo staat in het tweede geluidsonderzoek. In de nadere beoordeling van Ambro Advies wordt dat weliswaar bestreden met een verwijzing naar de drukval van andere luchtwassers, maar die beoordeling bevat geen onderbouwing waaruit volgt dat hierdoor de geluidgrenswaarden niet haalbaar zijn. De Afdeling is daarom van oordeel dat ook op dit punt niet aannemelijk is dat de geluidgrenswaarden niet kunnen worden nageleefd.
In zoverre slaagt het betoog.
8.13. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat het standpunt van het college, dat het eerste geluidsonderzoek klopt wat betreft de aanwezigheid van verharding van het terrein bij rekenpunt 10, niet gevolgd kan worden. In het tweede geluidsonderzoek staat dat er inderdaad niet was gerekend met verhard terrein.
De Afdeling stelt vast dat in het tweede geluidsonderzoek staat dat het verharde terrein in eerste instantie over het hoofd was gezien, maar dat ook een nieuwe berekening is gemaakt. Daaruit wordt de conclusie getrokken dat de inrichting in de vergunde situatie kan voldoen aan de geluidsvoorschriften. [persoon B] en [persoon A] hebben hiertegen niets ingebracht. Het is dus niet aannemelijk geworden dat [appellant] zich niet aan de geluidgrenswaarden kan houden. De rechtbank heeft hier ten onrechte geen acht op geslagen.
In zoverre slaagt het betoog.
8.14. De rechtbank heeft ook vastgesteld dat de milieutekening bij de omgevingsvergunning niet in overeenstemming is met het eerste geluidsonderzoek. Op de tekening zijn namelijk luchtwassers en roerwerken ingetekend bij twee graansilo’s en het mestbassin, maar in het eerste geluidsonderzoek is daarmee geen rekening gehouden. De rechtbank acht het aannemelijk dat er geen luchtwasser aanwezig zal zijn op de graansilo’s en het mestbassin, maar het is volgens haar in strijd met de rechtszekerheid dat de milieutekening en het eerste geluidsonderzoek, die deel uitmaken van hetzelfde besluit, elkaar tegenspreken.
In het tweede geluidsonderzoek staat dat op dit punt het eerste geluidsonderzoek wel, maar de milieutekening niet klopt. Op de zitting van de Afdeling heeft [appellant] bevestigd dat het niet gebruikelijk is dat er luchtwassers worden gebruikt bij een graansilo of een mestbassin en dat dat in dit geval ook niet zal gebeuren. Ook de roerwerken hadden niet op de milieutekening moeten staan. Het college heeft naar aanleiding van het tweede geluidsonderzoek geen nieuwe, juiste milieutekening aan de omgevingsvergunning toegevoegd. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat de milieutekening bij het besluit van 7 juni 2021 gebrekkig is.
In zoverre slaagt het betoog niet.
Tussenconclusie
9. Beide gronden van het hoger beroep slagen. De Afdeling zal hierna de gronden van het beroep bespreken waar de rechtbank niet aan toe is gekomen. Daarna beoordeelt de Afdeling in hoeverre de uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd.
Gronden van het beroep
10. [persoon B] en [persoon A] hebben in beroep aangevoerd dat uit het eerste geluidsonderzoek blijkt dat de geluidsbelasting op woningen in de omgeving te hoog is. Zij stellen dat bij de woning aan de [locatie B]a de geluidsbelasting op 5 m hoogte 39 dB(A) is, en bij de woning aan de [locatie D] zelfs 44 dB(A). Dat is hoger dan de vastgestelde geluidgrenswaarden.
10.1. In het eerste geluidsonderzoek staat dat bij de bepaling van de geluidgrenswaarden en het berekenen van de geluidsbelasting gebruik is gemaakt van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening. In overeenstemming met die handreiking zijn bij elke woning twee toetspunten gemeten, namelijk op 1,5 m hoogte en op 5 m hoogte boven het maaiveld. In het eerste geluidsonderzoek staat dat de rekenhoogte in de dagperiode 1,5 m + maaiveld is, maar in de avond- en nachtperiode is dat 5 m + maaiveld, omdat in die periode de meest gevoelige verblijfsruimtes in de regel op die hoogte liggen. Ook dat is in overeenstemming met de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening. De geluidsbelasting van 39 en 44 dB(A) die [persoon B] en [persoon A] noemen, is de geluidsbelasting op 5 m hoogte die is berekend voor de dagperiode en is dus niet leidend voor het bepalen van de geluidgrenswaarden. Bij het vaststellen van de geluidgrenswaarden is voor de dagperiode terecht uitgegaan van 1,5 m hoogte, en die hoogte is ook van belang voor de handhaving van de voorschriften bij de omgevingsvergunning.
Het betoog slaagt niet.
11. [persoon B] en [persoon A] hebben verder aangevoerd dat het college ten onrechte geen geurbeheersplan, zoals bedoeld in BBT 12 en 26, heeft voorgeschreven.
11.1. Het opzetten van een geurbeheersplan staat in BBT 12 van de BBT-conclusies voor intensieve pluimvee- of varkenshouderijen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 22 juli 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1741), is BBT 12, en in het verlengde daarvan ook BBT 26, alleen toepasbaar in gevallen waar geurhinder bij gevoelige receptoren wordt verwacht en/of is onderbouwd. Als wordt voldaan aan de Wgv is dat in beginsel niet het geval. Zoals hiervoor onder 6.2 is overwogen, wordt in dit geval voldaan aan de Wgv. [persoon B] en [persoon A] hebben niet aannemelijk gemaakt dat de geurhinder van een zodanige orde van grootte zal zijn, dat toch een geurbeheersplan zou moeten worden voorgeschreven.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
12. De rechtbank heeft terecht vastgesteld dat de milieutekening bij het besluit van 7 juni 2021 een gebrek vertoont. Dat betekent dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het beroep van [persoon B] en [persoon A] gegrond is en het college terecht heeft opgedragen om hun griffierecht en proceskosten te vergoeden. De Afdeling zal die onderdelen van de rechtbankuitspraak, voor zover aangevallen, bevestigen met verbetering van de gronden.
Gelet op de bespreking van de overige gronden van het hoger beroep van [appellant] en de door de rechtbank onbesproken gelaten beroepsgronden van [persoon B] en [persoon A], is de onjuiste milieutekening het enige gebrek in het besluit van 7 juni 2021. De Afdeling zal de uitspraak van de rechtbank vernietigen, voor zover daarbij het besluit van 7 juni 2021 is vernietigd. Naar het oordeel van de Afdeling gaat de volledige vernietiging van het besluit van 7 juni 2021 namelijk te ver. In het tweede geluidsonderzoek staat namelijk dat de luchtwassers en roerwerken niet zijn opgenomen als geluidsbron in het akoestisch onderzoek, zodat dit gebrek niet van betekenis is voor de vraag of aan de geluidsvoorschriften kan worden voldaan. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 7 juni 2021 daarom slechts vernietigen voor zover daarbij op de milieutekening een luchtwasser en twee roerwerken zijn ingetekend bij de twee graansilo’s en een luchtwasser is ingetekend bij het mestbassin. Voor het overige kunnen de milieutekening en het besluit van 7 juni 2021 in stand blijven.
13. Gelet op het voorgaande behoeft het betoog van [appellant] over de keuze van de rechtbank om af te zien van een bestuurlijke lus, geen bespreking meer.
De besluiten van 30 en 31 oktober 2024
14. Bij besluiten van 30 en 31 oktober 2024 heeft het college, gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak, opnieuw beslist op de aanvraag. Doordat de Afdeling die uitspraak gedeeltelijk vernietigt en het besluit van 7 juni 2021 in stand laat, behoudens enkele onderdelen van de daarbij behorende milieutekening, komt de grondslag aan die besluiten te ontvallen en moeten die besluiten alleen al daarom worden vernietigd.
Proceskosten hoger beroep
15. Het college moet de proceskosten van [appellant] vergoeden.
Schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn
16. [persoon B] en [persoon C], en [persoon A] en [persoon D], hebben de Afdeling verzocht om een schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
17. De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit twee rechterlijke instanties bestaat zonder voorafgaande bezwaarprocedure, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste vier jaar redelijk. Hierbij wordt twee jaar gerekend voor iedere rechterlijke fase. De termijn begint op het moment van ontvangst van het beroepschrift door de rechtbank.
18. De rechtbank heeft het beroepschrift van [persoon B] ontvangen op 16 juli 2021 en dat van [persoon A] op 17 juli 2021. De redelijke termijn is in deze procedure dus met een jaar en bijna twee maanden overschreden. Deze overschrijding moet aan de Afdeling worden toegerekend.
19. De Afdeling hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Daarmee wordt de schadevergoeding vastgesteld op € 1.500,00 voor [persoon B] en datzelfde bedrag voor [persoon A]. Daarbij wordt opgemerkt dat zowel [persoon B] als [persoon A] samen met een ander procedeert, waarin de Afdeling in dit geval aanleiding ziet om het bedrag te matigen. Ieder voor zich hebben zij recht op 50% van het bedrag van de schadevergoeding, zodat aan [persoon B], [persoon C], [persoon A] en [persoon D] afzonderlijk een bedrag van € 750,00 moet worden toegekend. Deze matiging acht de Afdeling redelijk vanwege de matigende invloed die het samen deelnemen als partij in het voorliggende geval heeft gehad op de mate van stress, ongemak en onzekerheid die zij hebben ondervonden door de te lang durende procedure.
20. De Staat (minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) moet de proceskosten van het verzoek vergoeden. De Afdeling hanteert daarbij de wegingsfactor 0,5.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 9 juni 2023 in de zaken nrs. 21/3375 en 21/3460, voor zover daarbij het besluit van 7 juni 2021 is vernietigd;
III. bevestigt de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 9 juni 2023 in de zaken nrs. 21/3375 en 21/3460 voor het overige, voor zover aangevallen;
IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van West Maas en Waal van 7 juni 2021 met kenmerknummer 0214129157, voor zover daarbij op de milieutekening bij de omgevingsvergunning een luchtwasser en twee roerwerken zijn ingetekend bij de twee graansilo’s en een luchtwasser is ingetekend bij het mestbassin;
V. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van West Maas en Waal van 1 juli 2025 met kenmerknummer Z.111661/D.330232;
VI. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van West Maas en Waal van 31 oktober 2024 met kenmerknummer ODR2311003;
VII. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van West Maas en Waal van 30 oktober 2024 met kenmerknummer ODR2311003;
VIII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van West Maas en Waal tot vergoeding van bij Stille Maatschap tussen [appellant A] en [appellant B] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.335,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
IX. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van West Maas en Waal aan Stille Maatschap tussen [appellant A] en [appellant B] het door haar voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 548,00 vergoedt;
X. wijst het verzoek om schadevergoeding van [persoon B] en [persoon C] toe;
XI. veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan [persoon B] en [persoon C] een schadevergoeding van € 750,00 per persoon te betalen;
XII. veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot vergoeding van bij [persoon B] en [persoon C] in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
XIII. wijst het verzoek om schadevergoeding van [persoon A] en [persoon D] toe;
XIV. veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan [persoon A] en [persoon D] een schadevergoeding van € 750,00 per persoon te betalen;
XV. veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot vergoeding van bij [persoon A] en [persoon D] in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.
Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. J.H. van Breda, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.C. Hoekstra, griffier.
w.g. Knol
voorzitter
w.g. Hoekstra
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2026
687-860