ECLI:NL:RVS:2026:5167

ECLI:NL:RVS:2026:5167

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 02-09-2026
Datum publicatie 02-09-2026
Zaaknummer 202405625/1/R4 en 202405628/1/R4
Rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 17 augustus 2021 heeft de minister van Economische Zaken en Klimaat (nu: de staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei, beiden: de staatssecretaris) een opsporingsvergunning aardwarmte verleend aan Shell Geothermal B.V. (nu: OMV GeoTherm NL B.V. (OMV)) en aan D4 B.V. (D4) voor het gebied Rijnland. Bij besluiten van 8 juni 2022 heeft de staatssecretaris de bezwaren van Zuid-Holland en Dunea niet-ontvankelijk verklaard, omdat er geen feitelijke gevolgen zouden zijn voor hun belangen of voor de aan hen toevertrouwde belangen. Volgens de staatssecretaris zijn zij daarom geen belanghebbenden. De rechtbank heeft geoordeeld dat Zuid-Holland en Dunea wel belanghebbenden zijn. Zij heeft hun beroepen daarom gegrond verklaard, de besluiten van 8 juni 2022 vernietigd en de staatssecretaris de opdracht gegeven om binnen zes weken nieuwe besluiten te nemen op de bezwaren. De staatssecretaris, Wayland en Yeager zijn van mening dat Zuid-Holland en Dunea geen belanghebbenden zijn en hebben daarom hoger beroep ingesteld.

Uitspraak

202405625/1/R4 en 202405628/1/R4.

Datum uitspraak: 2 september 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. de minister van Klimaat en Groene Groei (nu: de staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei, beiden: de staatssecretaris),

2. Wayland Energy B.V., gevestigd in Bergschenhoek, gemeente Lansingerland, nu Yeager Energy Bergschenhoek Holding B.V., gevestigd in Leiden (beiden: Wayland), en

3. Yeager Energy B.V. (Yeager), gevestigd in Leiden,

appellanten,

tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag van 22 juli 2024 in zaken nrs. 22/4504, 22/4507, 22/4508, 22/4509, 22/4522, 22/4523, 22/4524 en 22/4525 in de gedingen tussen:

1. het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (Zuid-Holland), en

2. Dunea N.V. (Dunea), gevestigd in Zoetermeer,

en

de staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, nu: de staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei (beiden: de staatssecretaris).

Procesverloop

Bij besluit van 17 augustus 2021 heeft de minister van Economische Zaken en Klimaat (nu: de staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei, beiden: de staatssecretaris) een opsporingsvergunning aardwarmte verleend aan Shell Geothermal B.V. (nu: OMV GeoTherm NL B.V. (OMV)) en aan D4 B.V. (D4) voor het gebied Rijnland.

Bij besluit van 17 augustus 2021 heeft de staatssecretaris een opsporingsvergunning aardwarmte verleend aan Eavor Europe B.V. (Eavor) voor het gebied Leiden 2.

Bij besluit van 17 augustus 2021 heeft de staatssecretaris een opsporingsvergunning aardwarmte verleend aan Wayland voor het gebied Leiden 3.

Bij besluit van 18 augustus 2021 heeft de staatssecretaris een opsporingsvergunning aardwarmte verleend aan Yeager voor het gebied Oude Rijn.

Bij vier afzonderlijke besluiten van 8 juni 2022 heeft de staatssecretaris de bezwaren van Dunea en Zuid-Holland tegen de opsporingsvergunningen Rijnland, Leiden 2, Leiden 3 en Oude Rijn niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraken van 22 juli 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:12884 en ECLI:NL:RBDHA:2024:12878) heeft de rechtbank de door Dunea en Zuid-Holland daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard, de besluiten van 8 september 2022 (lees: 8 juni 2022) vernietigd en de staatssecretaris opgedragen om binnen zes weken nieuwe besluiten te nemen op de bezwaren.

Tegen deze uitspraken hebben Wayland, Yeager en de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

Zuid-Holland en Dunea hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Bij vier afzonderlijke besluiten van 28 oktober 2024 heeft de staatssecretaris de bezwaren van Zuid-Holland en Dunea tegen de opsporingsvergunningen Rijnland, Leiden 2, Leiden 3 en Oude Rijn ongegrond verklaard.

Zuid-Holland en Dunea hebben gronden ingediend tegen de besluiten van 28 oktober 2024.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De staatssecretaris, Yeager, Wayland, OMV, Zuid-Holland en Dunea hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 6 februari 2026, waar Wayland, vertegenwoordigd door mr. E.M.N. Noordover, advocaat te Amsterdam, Yeager, vertegenwoordigd door Noordover, vergezeld door [persoon], de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. A.G.C. Bulten en mr. D.W.M. Wenders, vergezeld door L. Hemerijckx, Dunea, vertegenwoordigd door mr. I.J. Wind-Middel, advocaat te Amsterdam, vergezeld door [personen] en Zuid-Holland, vertegenwoordigd door mr. S.M. Schipper, advocaat te Breda, vergezeld door [persoon], zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. Bij brief van 17 april 2020 hebben Shell Geothermal B.V. (nu: OMV) en D4 een opsporingsvergunning aangevraagd voor het opsporen van aardwarmte in het gebied Rijnland. De staatssecretaris heeft op 27 mei 2020 mededeling gedaan van deze aanvraag in de Staatscourant en daarbij de gelegenheid gegeven om concurrerende aanvragen in te dienen. Daarop hebben Eavor, Wayland en Yeager concurrerende aanvragen ingediend. Bij besluiten van 17 en 18 augustus 2021 heeft de staatssecretaris opsporingsvergunningen verleend aan OMV en D4, Eavor, Wayland en Yeager.

Bij besluiten van 8 juni 2022 heeft de staatssecretaris de bezwaren van Zuid-Holland en Dunea niet-ontvankelijk verklaard, omdat er geen feitelijke gevolgen zouden zijn voor hun belangen of voor de aan hen toevertrouwde belangen. Volgens de staatssecretaris zijn zij daarom geen belanghebbenden.

De rechtbank heeft geoordeeld dat Zuid-Holland en Dunea wel belanghebbenden zijn. Zij heeft hun beroepen daarom gegrond verklaard, de besluiten van 8 september 2022 (lees: 8 juni 2022) vernietigd en de staatssecretaris de opdracht gegeven om binnen zes weken nieuwe besluiten te nemen op de bezwaren.

De staatssecretaris, Wayland en Yeager zijn van mening dat Zuid-Holland en Dunea geen belanghebbenden zijn en hebben daarom hoger beroep ingesteld.

Hoger beroepen

Belanghebbendheid

2. De staatssecretaris, Wayland en Yeager betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat Zuid-Holland en Dunea belanghebbenden zijn. Zij voeren aan dat de rechtbank de belanghebbendheid ten onrechte heeft beoordeeld aan de hand van het toetsingskader voor de verlening van een opsporingsvergunning en niet heeft getoetst of de opsporingsvergunningen daadwerkelijk gevolgen kunnen hebben voor Zuid-Holland en Dunea. Een opsporingsvergunning heeft volgens hen slechts een marktordenend karakter en heeft dus geen feitelijke gevolgen. Omdat de belangen van Zuid-Holland en Dunea niet door een opsporingsvergunning, maar door eventuele latere besluitvorming worden geraakt, is geen sprake van een actueel en rechtstreeks geraakt belang, aldus de staatssecretaris, Wayland en Yeager. Yeager voert nog aan dat Zuid-Holland en Dunea ook niet rechtstreeks in hun belangen geraakt worden via een nader besluit in de keten van besluitvorming.

2.1. In artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Uit artikel 7:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:1 van de Awb, volgt dat uitsluitend een belanghebbende bezwaar kan maken tegen een besluit. Alleen wie een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit, is belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.

Op grond van artikel 1:2, tweede lid, gelezen in samenhang met het eerste lid en met artikel 8:1 van de Awb, kan een bestuursorgaan uitsluitend beroep instellen tegen een besluit als een aan hem toevertrouwd belang rechtstreeks betrokken is bij een besluit van een ander bestuursorgaan. Een belang is aan een bestuursorgaan toevertrouwd als een wettelijk voorschrift aan dit bestuursorgaan een bevoegdheid tot behartiging van dit belang toekent. Dit neemt niet weg dat uit een bijzondere wet kan voortvloeien dat een bestuursorgaan geen beroep kan instellen.

Ingevolge artikel 1:2, derde lid, van de Awb, worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

2.2. De rechtbank heeft, samengevat, overwogen dat uit het toetsingskader voor de opsporingsvergunning volgt dat de toevertrouwde belangen van Dunea en Zuid-Holland rechtstreeks zijn betrokken bij de besluitvorming en zij daarom belanghebbenden zijn bij de besluiten van 17 en 18 augustus 2021. Dat een opsporingsvergunning een marktordenend karakter heeft en geen rechten geeft om fysieke activiteiten in het gebied uit te voeren, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel.

2.3. De staatssecretaris, Wayland en Yeager hebben terecht aangevoerd dat uit het toetsingskader voor de opsporingsvergunning niet rechtstreeks kan worden afgeleid dat Zuid-Holland en Dunea belanghebbenden zijn bij de besluiten van 17 en 18 augustus 2021. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, moet voor de vraag of iemand belanghebbende is bij een besluit worden vastgesteld of hij door dat specifieke besluit rechtstreeks in zijn belangen wordt geraakt. De Afdeling verwijst hiervoor naar haar uitspraak van 22 juli 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:4305), onder 2.3. Om te beoordelen of de rechtbank desondanks terecht heeft geoordeeld dat de staatssecretaris ten onrechte de bezwaren van Dunea en Zuid-Holland niet-ontvankelijk heeft verklaard, zal de Afdeling hierna beoordelen of hun belang rechtstreeks geraakt wordt door de besluiten van 17 en 18 augustus 2021.

2.4. De Afdeling stelt vast dat, onder andere, de bescherming van het grondwater een mede aan Zuid-Holland toevertrouwd belang is. Dit volgt onder meer uit artikel 6.4 van de Waterwet. Dit is niet in geschil. Evenmin in geschil is dat het belang van Dunea, een drinkwaterbedrijf, de veilige en tijdige levering van drinkwater is.

2.5. De Afdeling overweegt dat op grond van de Mijnbouwwet ten tijde van de besluiten van 8 juni 2022 voor opsporingsvergunningen voor aardwarmte en voor opsporingsvergunningen voor koolwaterstoffen hetzelfde vergunningenstelsel gold. Dat betekent dat de besluiten van 17 en 18 augustus 2021, evenals de opsporingsvergunning in de uitspraak van 22 juli 2026, zelf geen feitelijke activiteiten toestaan. Voor feitelijke activiteiten is nadere besluitvorming vereist. De besluiten van 17 en 18 augustus 2021 hebben dus geen feitelijke gevolgen voor Zuid-Holland en Dunea.

Evenals in de uitspraak van 22 juli 2026 is overwogen onder 2.6 geldt echter dat het feit dat nadere besluitvorming nodig is, niet noodzakelijkerwijs in de weg staat aan het aannemen van belanghebbendheid. Als regel geldt dat bezwaar en beroep tegen een eerder besluit uit de besluitvormingsketen mogelijk moet zijn wanneer zo’n besluit naar zijn strekking leidt tot de mogelijkheid dat iemand door het nadere besluit in zijn belang zal worden geraakt.

De besluiten van 17 en 18 augustus 2021 geven weliswaar alleen directe toestemming voor activiteiten gericht op het vergaren van kennis over de aanwezigheid van aardwarmte, die kennis is echter gericht op de verkenning van de mogelijkheden voor opsporing en winning van aardwarmte in het betrokken gebied. Omdat de winning van aardwarmte feitelijke gevolgen kan hebben die de belangen van Zuid-Holland en Dunea kunnen raken, worden zij ook door de besluiten van 17 en 18 augustus 2021 rechtstreeks in hun belangen geraakt. Zuid-Holland en Dunea zijn daarom belanghebbenden bij die besluiten.

Voor zover Wayland en Yeager nog hebben verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 17 december 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:6152), overweegt de Afdeling als volgt. In die uitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat een partij geen belanghebbende was bij de verkleining van het winningsgebied van een winningsvergunning voor de winning van koolwaterstoffen. De Afdeling heeft daar overwogen dat dat besluit in dat geval geen invloed had op de mogelijkheden voor daadwerkelijke gaswinning. Bij de besluiten van 17 en 18 augustus 2021 heeft de verlening van de opsporingsvergunningen wel invloed heeft op de uiteindelijke mogelijkheden voor aardwarmtewinning. De verwijzing naar de uitspraak van 17 december 2025 leidt daarom niet tot een ander oordeel.

De rechtbank heeft dus terecht geoordeeld dat de staatssecretaris de bezwaren van Dunea en Zuid-Holland ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Wel heeft de rechtbank dat op verkeerde gronden gedaan, maar dat leidt niet tot vernietiging van de uitspraken.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie hoger beroepen

3. De hoger beroepen van de staatssecretaris, Wayland en Yeager zijn ongegrond. De Afdeling bevestigt de aangevallen uitspraken met verbetering van de gronden waarop deze rusten.

4. Van Wayland is tweemaal griffierecht geheven. Op grond van artikel 8:41, derde lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 8:108, is eenmaal griffierecht verschuldigd als een hogerberoepschrift zich richt tegen twee of meer samenhangende uitspraken. In dit geval heeft Wayland één hogerberoepschrift ingediend tegen twee samenhangende uitspraken. Het teveel betaalde griffierecht van € 559,00 zal door de griffier van de Raad van State worden terugbetaald aan Wayland.

5. De staatssecretaris moet de proceskosten van Zuid-Holland en Dunea vergoeden.

De besluiten van 28 oktober 2024

6. Bij besluiten van 28 oktober 2024 heeft de staatssecretaris ter uitvoering van de uitspraken van de rechtbank opnieuw op de bezwaren van Zuid-Holland en Dunea beslist. Deze besluiten worden, gelet op artikel 6:24 van de Awb gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van deze gedingen.

De staatssecretaris heeft de bezwaren ongegrond verklaard. Volgens de staatssecretaris brengen de opsporingsvergunningen (nu: de toewijzingen zoekgebieden) de grondwaterbeschermingsgebieden en de drinkwatervoorziening namelijk niet in gevaar.

Zuid-Holland en Dunea hebben gronden aangevoerd tegen de besluiten van 28 oktober 2024.

Toetsingskader

7. Zuid-Holland betoogt dat de staatssecretaris, gelet op het overgangsrecht uit artikel 167m van de Mijnbouwwet, ten onrechte heeft getoetst aan hoofdstuk 2a van de Mijnbouwwet.

7.1. Na de besluiten van 17 en 18 augustus 2021 is hoofdstuk 2a aan de Mijnbouwwet toegevoegd. Daardoor gold ten tijde van de besluiten van 28 oktober 2024 een ander, nieuw vergunningstelsel voor aardwarmtewinning. Op grond van artikel 167m van de Mijnbouwwet blijft de Mijnbouwwet, zoals die luidde onmiddellijk voor inwerkingtreding van hoofdstuk 2a, echter van toepassing op besluiten die zijn genomen voor inwerkingtreding van dat hoofdstuk, zolang die besluiten nog niet onherroepelijk zijn.

Aangezien de besluiten van 17 en 18 augustus 2021 ten tijde van de besluiten van 28 oktober 2024 nog niet onherroepelijk waren, moest de staatssecretaris het oude toetsingskader hanteren dat gold voor de inwerkingtreding van hoofdstuk 2a van de Mijnbouwwet. De staatssecretaris heeft in het verweerschrift erkend dat zij aan het nieuwe artikel 24i, tweede lid, aanhef en onder a, van de Mijnbouwwet heeft getoetst, terwijl zij aan artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, aanhef en onder 2, van de Mijnbouwwet had moeten toetsen. In zoverre zijn de besluiten van 28 oktober 2024 daarom in strijd met artikel 167m van de Mijnbouwwet.

Het betoog slaagt.

7.2. Zoals de staatssecretaris terecht heeft gesteld, zijn artikel 24i, tweede lid, aanhef en onder a, en artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, aanhef en onder 2, van de Mijnbouwwet inhoudelijk nagenoeg gelijkluidend. De staatssecretaris heeft toegelicht dat de wijziging van het toetsingskader daarom niet tot een andere (inhoudelijke) afweging leidt. De Afdeling zal hierna aan de hand van de beroepsgronden onderzoeken of de motivering van de besluiten, los van de onjuiste verwijzing naar artikelonderdelen, de besluiten kan dragen. Als dat het geval is, ziet de Afdeling aanleiding om het gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren.

Toestaan feitelijke activiteiten

8. Zuid-Holland betoogt dat de staatssecretaris er ten onrechte van is uitgegaan dat de opsporingsvergunning geen feitelijke activiteiten toestaat. Volgens Zuid-Holland is het oude recht van de Mijnbouwwet van toepassing. Onder dat oude recht konden met een opsporingsvergunning proefboringen worden uitgevoerd en zijn die proefboringen op grond van de Omgevingswet ondertussen ook vergunningvrij. Daarom heeft de staatssecretaris ten onrechte geen rekening gehouden met de feitelijke gevolgen van opsporing, aldus Zuid-Holland.

8.1. Op grond van artikel 167g van de Mijnbouwwet wordt een opsporingsvergunning voor aardwarmte met ingang van de inwerkingtreding van hoofdstuk 2a beschouwd als een toewijzing zoekgebied aardwarmte. Dat betekent dat de opsporingsvergunningen die met de besluiten van 17 en 18 augustus 2021 zijn verleend, worden beschouwd als toewijzingen zoekgebied aardwarmte. Met een toewijzing zoekgebied zijn geen feitelijke activiteiten zoals een proefboring toegestaan. Daargelaten de vraag of een omgevingsvergunning of wijziging van een omgevingsplan nodig is voor feitelijke activiteiten, is op grond van artikel 24b van de Mijnbouwwet voor de daadwerkelijke opsporing en winning van aardwarmte ook nog een startvergunning aardwarmte of vervolgvergunning aardwarmte vereist. De besluiten van 17 en 18 augustus 2021 stonden ten tijde van de besluiten van 28 oktober 2024 dus geen feitelijke activiteiten toe. De staatssecretaris is daar terecht van uitgegaan.

Het betoog slaagt niet.

De belangen van drinkwaterwinning en grondwaterbescherming

9. Zuid-Holland en Dunea betogen dat de staatssecretaris de belangen van drinkwaterwinning en grondwaterbescherming onvoldoende heeft meegewogen. De staatssecretaris had de bezwaren gegrond moeten verklaren en de opsporingsvergunningen alsnog moeten weigeren voor zover de vergunningsgebieden samenvallen met het grondwaterbeschermingsgebied (inclusief waterwingebied) en het zoekgebied ‘drinkwater voor de toekomst’.

9.1. Zoals onder 7.1 is overwogen, gold ten tijde van de besluiten van 28 oktober 2024 het toetsingskader zoals dat gold voorafgaand aan de inwerkingtreding van hoofdstuk 2a van de Mijnbouwwet. Op dat moment luidde artikel 9, eerste lid, van de Mijnbouwwet:

"1. Onverminderd de artikelen 7 en 8 kan een vergunning slechts geheel of gedeeltelijk worden geweigerd:

[…]

f. indien het in de aanvraag aangeduide gebied door Onze Minister niet geschikt wordt geacht voor de in de aanvraag vermelde activiteit om reden van het belang van:

[…]

2°. het planmatig gebruik of beheer van delfstoffen, aardwarmte, andere natuurlijke rijkdommen, waaronder grondwater met het oog op de winning van drinkwater, of mogelijkheden tot het opslaan van stoffen,

[…]"

9.2. De staatssecretaris moet onder andere beoordelen of de verlening van de opsporingsvergunningen kan worden geweigerd vanwege het belang van het planmatig gebruik van grondwater met het oog op de winning van drinkwater. De Afdeling toetst of de minister op basis van deugdelijk onderzoek en met een deugdelijke motivering heeft kunnen besluiten dat artikel 9, aanhef en onder f, van de Mijnbouwwet geen aanleiding geeft voor het weigeren van de opsporingsvergunningen. Omdat met de opsporingsvergunningen, zoals hiervoor onder 8.1 is overwogen, nog geen fysieke activiteiten worden toegestaan, zal de Afdeling beoordelen of de staatssecretaris al op voorhand moest aannemen dat de feitelijke opsporing en winning van aardwarmte niet kan plaatsvinden in of onder (in dit geval) het grondwaterbeschermingsgebied, het waterwingebied en het zoekgebied ‘drinkwater voor de toekomst’. Alleen dan kan de Afdeling tot het oordeel komen dat de staatssecretaris de opsporingsvergunning niet had kunnen verlenen.

9.3. Zoals onder 8.1 is overwogen, is voor de daadwerkelijke opsporing van aardwarmte nog een startvergunning aardwarmte nodig. Mogelijk ziet die startvergunning op een gebied dat in of onder een gebied is gelegen dat is aangewezen of gereserveerd voor de winning van drinkwater uit grondwater. Als dat zo is, dan moet de staatssecretaris op grond van artikel 24w van de Mijnbouwwet een voorschrift verbinden aan die vergunning waarmee doorboring van dat gebied wordt verboden. Ten tijde van de besluiten van 28 oktober 2024 was in de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening zo’n gebied, het grondwaterbeschermingsgebied, aangewezen. Artikelen 3.34 en 3.35 van die verordening verboden het aanleggen van een mijnbouwwerk in dat gebied. Slechts een deel van het gebied waarvoor opsporingsvergunningen zijn verleend, is in of onder dat gebied gelegen.

In de besluiten van 28 oktober 2024 heeft de staatssecretaris toegelicht dat de reservoirs waarin aardwarmte te vinden kan zijn, veel dieper zijn gelegen dan de aardlagen van waaruit grondwater ten behoeve van drinkwater kan worden gewonnen. Dat betekent dat voor eventuele opsporing en winning van aardwarmte de boring op afstand van een te beschermen gebied gezet kan worden, om vervolgens schuin tot onder het te beschermen gebied aardwarmte op te sporen of te winnen.

De Afdeling kan deze toelichting volgen. In de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening is niet expliciet bepaald tot welke diepte het grondwaterbeschermingsgebied reikt. Maar of het nodig is om schuin te boren en of schuin boren in strijd is met de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening is een vraag die de staatssecretaris pas bij een eventuele startvergunning aardwarmte zal moeten beantwoorden. Zo nodig kunnen tegen een dergelijke startvergunning opnieuw rechtsmiddelen worden aangewend, zodat deze vragen in die procedure alsnog aan de orde kunnen komen. De staatssecretaris heeft daarom niet al op voorhand moeten aannemen dat de feitelijke opsporing en winning van aardwarmte niet kan plaatsvinden.

Het betoog slaagt niet.

Passeren gebrek

10. Zoals onder 7.1 is overwogen, zijn de besluiten van 28 oktober 2024 in strijd met artikel 167m van de Mijnbouwwet, omdat de staatssecretaris niet aan het oude, maar het nieuwe toetsingskader heeft getoetst. Zoals onder 7.2 is overwogen, zijn de artikelonderdelen waaraan in het oude en het nieuwe recht getoetst moet worden echter inhoudelijk nagenoeg gelijk. Omdat de gronden over de inhoudelijke motivering van de besluiten van 28 oktober 2024 niet slagen, is niet aannemelijk dat Zuid-Holland is benadeeld door dit gebrek. De Afdeling ziet daarom aanleiding om het gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb.

Conclusie beroepen van rechtswege

11. De beroepen zijn ongegrond.

12. De staatssecretaris moet de proceskosten van Zuid-Holland vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraken;

II. veroordeelt de staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei tot vergoeding van bij het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland in verband met de behandeling van de hoger beroepen opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00;

III. veroordeelt de staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei tot vergoeding van bij Dunea N.V. in verband met de behandeling van de hoger beroepen opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00;

IV. verklaart de beroepen tegen de besluiten van 28 oktober 2024 ongegrond;

V. veroordeelt de staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei tot vergoeding van bij het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland in verband met de behandeling van de beroepen tegen de besluiten van 28 oktober 2024 opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. bepaalt dat de griffier van de Raad van State aan Wayland Energy B.V. het door haar te veel betaalde griffierecht van € 559,00 voor de behandeling van het hoger beroep terugbetaalt;

VII. bepaalt dat van de staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei een griffierecht van € 559,00 wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, voorzitter, en mr. C.C.W. Lange en mr. A.B. Blomberg, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. van den Brink, griffier.

w.g. Uylenburg

voorzitter

w.g. Van den Brink

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2026

912-1069

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. R. Uylenburg
  • mr. C.C.W. Lange
  • mr. A.B. Blomberg

Griffier

  • mr. J. van den Brink

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand