ECLI:NL:RVS:2026:5168

ECLI:NL:RVS:2026:5168

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 02-09-2026
Datum publicatie 02-09-2026
Zaaknummer 202503397/1/A2
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 23 oktober 2023 heeft het CBR het rijbewijs van [appellant] met ingang van 30 oktober 2023 ongeldig verklaard. De politie heeft op 13 maart 2023 aan het CBR meegedeeld dat een vermoeden bestaat dat [appellant] niet langer beschikt over de vereiste rijvaardigheid en/of lichamelijke en/of geestelijke gesteldheid om motorrijtuigen te besturen. Daarbij is onder meer vermeld dat [appellant] artikel 8, tweede lid en onder a, van de Wegenverkeerswet 1994 (de Wvw) heeft overtreden, omdat op 12 maart 2023 bij hem een ademalcoholgehalte is geconstateerd van 630 µg/l. Verder is in het proces-verbaal vermeld dat sprake is van herhaald plegen binnen vijf jaar, nu op 21 en 22 november 2022 bij hem ademalcoholgehaltes zijn geconstateerd van respectievelijk 690 µg/l en 605 µg/l. Het CBR heeft naar aanleiding hiervan bij besluit van 23 maart 2023 bepaald dat [appellant] een onderzoek moet laten doen naar zijn alcoholgebruik en heeft de geldigheid van zijn rijbewijs geschorst.

Uitspraak

202503397/1/A2.

Datum uitspraak: 2 september 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 maart 2025 in zaak nr. 24/3537 in het geding tussen:

[appellant]

en

het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR).

Procesverloop

Bij besluit van 23 oktober 2023 heeft het CBR het rijbewijs van [appellant] met ingang van 30 oktober 2023 ongeldig verklaard.

Bij besluit van 26 februari 2024 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 maart 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het CBR heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 23 april 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. L.P. Kabel, advocaat in Eindhoven, en het CBR, vertegenwoordigd door mr. S. Sheikchote, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. De politie heeft op 13 maart 2023 aan het CBR meegedeeld dat een vermoeden bestaat dat [appellant] niet langer beschikt over de vereiste rijvaardigheid en/of lichamelijke en/of geestelijke gesteldheid om motorrijtuigen te besturen. Daarbij is onder meer vermeld dat [appellant] artikel 8, tweede lid en onder a, van de Wegenverkeerswet 1994 (de Wvw) heeft overtreden, omdat op 12 maart 2023 bij hem een ademalcoholgehalte is geconstateerd van 630 µg/l. Verder is in het proces-verbaal vermeld dat sprake is van herhaald plegen binnen vijf jaar, nu op 21 en 22 november 2022 bij hem ademalcoholgehaltes zijn geconstateerd van respectievelijk 690 µg/l en 605 µg/l. Het CBR heeft naar aanleiding hiervan bij besluit van 23 maart 2023 bepaald dat [appellant] een onderzoek moet laten doen naar zijn alcoholgebruik en heeft de geldigheid van zijn rijbewijs geschorst.

2. Het eerste deel van het onderzoek betrof een telefonisch consult met een psychodiagnostisch medewerker op 14 augustus 2023. Het tweede deel van het onderzoek betrof een fysiek gesprek met een psychiater op 30 augustus 2023, dat mede plaatsvond ter controle van de bevindingen uit het eerste onderzoek. Op basis hiervan heeft de psychiater op 1 september 2023 een rapport opgesteld, waarbij hij de psychiatrische diagnose alcoholmisbruik heeft gesteld. In het rapport is uit de alcoholanamnese van de psychodiagnostisch medewerker overgenomen dat [appellant] zes flessen wijn per week dronk: "drankgebruik in de 12 maanden voorafgaande aan de laatste aanhouding: betrokkene gebruikte gemiddeld 4 dagen in de week alcohol. Op de dagen van het alcoholgebruik bedroeg de gemiddelde alcoholconsumptie doordeweeks 1 fles wijn en in het weekend 2 flessen wijn per dag (7-14 AE). Deze hoeveelheid werd genuttigd binnen een tijdsbestek van gemiddeld 3-5 uur. […]." De psychiater heeft aan de diagnose alcoholmisbruik de uit de onderzoeken resulterende combinatie van vier afwijkende bevindingen ten grondslag gelegd. Deze bevindingen zijn, samengevat weergegeven:

- ten eerste dat [appellant] meerdere malen per maand een grote hoeveelheid alcohol dronk en dat dit drinkpatroon voldoet aan de criteria van binge-drinking volgens het Trimbos-instituut,

-ten tweede dat zijn gemiddelde gebruik van alcohol zich boven de grenswaarde van 40 alcoholische eenheden (AE) per week bevond,

-ten derde dat [appellant] behoudens de laatste aanhouding vaker onder invloed van alcohol als bestuurder van een motorvoertuig is aangehouden en -ten vierde dat bij de laatste aanhouding opnieuw sprake was van een hoog alcoholpromillage van meer dan twee keer de toegestane wettelijke norm.

2.1. [appellant] heeft bij e-mail van 8 september 2023 in het kader van het correctierecht een reactie gegeven op de in het psychiatrisch rapport opgenomen bevinding dat zijn gemiddelde gebruik van alcohol zich boven de grenswaarde van 40 AE per week bevond. Hij heeft naar voren gebracht: "Ik heb de schatting van mijn totale alcoholconsumptie (voornamelijk alcohol en bier) vertaald naar flessen wijn. Dit heb ik ook duidelijk aangegeven. Hierbij heb ik in acht genomen dat een fles wijn zes AE is zoals vaak gedacht wordt. Dit betekent dat wanneer 1/3e van mijn consumptie bier is geweest, ik al uit kom op 7 x 4 + 12 = 40 AE, niet meer dan 40 AE dus. Het is onjuist dat ik gemiddeld 6 flessen wijn per week dronk."

2.2. Het CBR heeft in het besluit van 26 februari 2024 opgemerkt dat de psychiater heeft aangegeven dat de reactie van [appellant] buiten de reikwijdte van het correctierecht valt en dat hij hiervan als volgt door de psychiater op de hoogte is gesteld: "Tijdens ons onderzoek heeft u aangegeven dat u 4 dagen in de week alcohol dronk en dat het hierbij gaat om 2 dagen doordeweeks en 2 dagen in het weekend. U gaf aan dat u op de dagen dat u doordeweeks alcohol dronk 1 fles wijn dronk per gelegenheid en in het weekend 2 flessen wijn per gelegenheid. De AE van 1 fles wijn is 7 AE. In totaal komt u dan uit op 42 AE per week (14 AE doordeweeks + 28 AE in het weekend). Het rapport wordt dus helaas niet aangepast. Wel zenden we uw reactie mee naar het CBR, zodat de medisch adviseur hier kennis van kan nemen." Het CBR heeft zich op het standpunt gesteld ervan uit te gaan dat de psychiater en de psychodiagnostisch medewerker zeer goed in staat zijn om verklaringen op een juiste wijze te interpreteren en in het rapport te verwerken. Keurend artsen hebben er volgens het CBR geen belang bij om een onjuist beeld te schetsen. Aan het achteraf stellen dat andere antwoorden zijn gegeven of dat het om een te hoge inschatting ging, kan dan ook weinig betekenis worden gehecht. Daarbij komt dat [appellant] er belang bij kan hebben om een verklaring te wijzigen of bij te stellen, omdat de consequenties van wat hij heeft verklaard hem duidelijk zijn geworden.

2.3. Het CBR heeft bij het, bij besluit van 26 februari 2024 gehandhaafde, besluit van 23 oktober 2023 het rijbewijs van [appellant] op grond van artikel 134 van de Wvw en paragraaf 8.8 van de bijlage bij de Regeling eisen geschiktheid 2000 (de Regeling) ongeldig verklaard wegens misbruik van alcohol. Het CBR heeft daarbij onder meer betrokken dat, anders dan [appellant] in bezwaar heeft gesteld, de omstandigheid dat de derde en vierde bevindingen uit het psychiatrisch rapport de aanleiding vormden voor het onderzoek, niet betekent dat die omstandigheden niet bij het te verrichten onderzoek als relevant gegeven betrokken mogen worden.

3. Het wettelijk kader staat in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Uitspraak van de rechtbank

4. De rechtbank heeft geoordeeld dat het CBR het rijbewijs van [appellant] terecht ongeldig heeft verklaard. De rechtbank heeft daaraan het volgende ten grondslag gelegd.

4.1. Het psychiatrisch rapport kan naar het oordeel van de rechtbank worden aangemerkt als een specialistisch rapport in de zin van de Regeling. Niet in geschil is dat de psychiater [appellant] zelf heeft gezien en zelf direct betrokken is geweest bij een deel van het onderzoek. Dat het onderzoek deels is uitgevoerd door een psychodiagnostisch medewerker die niet BIG-geregistreerd is, maar wel onder de verantwoordelijkheid van de psychiater werkte, is niet in strijd met de Regeling.

4.2. Het psychiatrisch rapport is naar het oordeel van de rechtbank zorgvuldig tot stand gekomen. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat de Regeling niet voorschrijft dat een anamnese in persoon moet worden afgenomen. Zij heeft geen aanknopingspunten gezien om aan te nemen dat de psychodiagnostisch medewerker tijdens het eerste deel van het onderzoek onvoldoende heeft doorgevraagd naar het gemiddelde alcoholgebruik van [appellant]. Nu [appellant] concreet - in termen van het aantal flessen wijn - en onweersproken heeft verklaard hoeveel alcohol hij gemiddeld per week dronk, mocht de medewerker van de juistheid daarvan uitgaan. De ongevraagde vertaalslag van zijn totale alcoholconsumptie (bier en wijn) naar flessen wijn, komt, net als zijn vooronderstelling dat één fles wijn gelijkstaat aan zes AE in plaats van zeven AE, waarvan de psychiater is uitgegaan, volgens de rechtbank voor rekening van [appellant]. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat [appellant] de mogelijkheid had om dit in het gesprek met de psychiater te corrigeren. Niet is gebleken dat hij dat heeft gedaan. Hij heeft wel in het kader van het correctierecht opgemerkt dat hij gemiddeld niet meer dan 40 AE per week dronk, maar het correctierecht is slechts bedoeld om objectieve gegevens te verbeteren, niet om verklaringen achteraf bij te stellen.

4.3. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat de redeneringen van de psychiater in het rapport begrijpelijk zijn en dat de conclusie dat er sprake was van alcoholmisbruik daarop aansluit. De rechtbank heeft daarvoor verwezen naar vaste rechtspraak van de Afdeling waaruit volgt dat de diagnose alcoholmisbruik in beginsel niet uitsluitend kan worden gesteld op grond van de anamnese in combinatie met een sterk verhoogd ademalcoholgehalte, omdat de betrouwbaarheid van de anamnestische gegevens in de keuringssituatie vaak laag is. Als de eigen verklaring echter wel betrouwbaar is en duidt op misbruik, mogen de anamnestische gegevens wel als basis voor de diagnose worden gebruikt. Er zijn volgens de rechtbank geen aanwijzingen dat [appellant] met zijn verklaring in de anamnese dat hij gemiddeld zes flessen wijn per week dronk, te rooskleurig over zijn alcoholgebruik is geweest. Zijn verklaring is betrouwbaar en duidt, gelet op de eerste twee bevindingen uit het rapport, op alcoholmisbruik. De psychiater mocht de anamnestische gegevens van [appellant] daarom gebruiken als basis voor zijn diagnose. De bevindingen in het rapport kunnen zijn conclusie dragen. Te meer omdat die conclusie niet louter op de anamnestische gegevens is gebaseerd, maar ook op het feit dat [appellant] meerdere keren als bestuurder van een motorvoertuig onder invloed van alcohol is aangehouden, waarbij één keer zelfs met een alcoholpromillage van meer dan twee keer de toegestane wettelijke norm.

Het hoger beroep en de beoordeling daarvan

Het eerste deel van het onderzoek

5. [appellant] voert naar het oordeel van de Afdeling tevergeefs aan dat het onzorgvuldig is dat de anamnese telefonisch is afgenomen door een psychodiagnostisch medewerker. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de omstandigheid dat het aan het psychiatrisch rapport ten grondslag liggende onderzoek deels is uitgevoerd door een psychodiagnostisch medewerker die niet BIG-geregistreerd is, niet in strijd is met de Regeling. Wat [appellant] heeft aangevoerd over hoofdstuk 7.4 van de richtlijn Medisch Specialistische Rapportage in bestuurs- en civielrechtelijk verband 2024 van de Nederlandse Vereniging voor Medisch Specialistische Rapportage, leidt niet tot een ander oordeel. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 10 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4312, onder 4.1, is van belang dat, los van de vraag of de richtlijn het CBR bindt, vaststaat dat de desbetreffende psychiater, als specialist in de zaak, de betrokkene in persoon heeft gezien. In dit geval is, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, niet in geschil dat de psychiater [appellant] in persoon heeft gezien. Verder heeft de psychodiagnostisch medewerker, die een deel van het onderzoek heeft uitgevoerd, dit gedaan onder verantwoordelijkheid van de psychiater.

5.1. Het betoog slaagt niet.

Het psychiatrisch rapport

6. [appellant] betoogt dat de rechtbank er ten onrechte doorslaggevend gewicht aan heeft toegekend dat hij de tijdens het eerste onderzoek gemaakte vertaalslag van zijn alcoholgebruik van bier en wijn naar het aantal van zes flessen wijn per week, niet tijdens het gesprek met de psychiater heeft gecorrigeerd. Hij stelt dat hij pas na ontvangst van het psychiatrisch rapport heeft kunnen zien dat de psychiater voor de diagnose alcoholmisbruik is uitgegaan van zeven AE per fles wijn, in plaats van de zes AE waarvan hij is uitgegaan. Hij wijst er op dat hij de weergave van zijn alcoholgebruik in het kader van het correctierecht heeft betwist en dat dit, anders dan de rechtbank heeft overwogen, zag op een feitelijke onjuistheid in de anamnese. De rechtbank heeft verder ten onrechte niet bij haar oordeel betrokken dat de psychiater naar aanleiding daarvan geen navraag heeft gedaan bij de psychodiagnostisch medewerker. Daarom is het rapport volgens [appellant] op dit punt onzorgvuldig tot stand gekomen. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de eerste bevinding uit het rapport, naast de derde en vierde bevindingen die zien op de aanhoudingen, onvoldoende is om tot de diagnose alcoholmisbruik te komen. Hij voert aan dat de rechtbank de meerdere aanhoudingen wegens rijden onder invloed, gelet op de vaste rechtspraak van de Afdeling, ten onrechte als ondersteunende elementen voor de diagnose alcoholmisbruik heeft aangemerkt. De aanhoudingen zijn immers al aanleiding geweest voor het onderzoek naar de geschiktheid.

7. Het CBR mag afgaan op het psychiatrisch rapport dat aan het CBR is uitgebracht, nadat het is nagegaan of dit rapport op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor de wettelijke adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs. Als belanghebbende concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het rapport, de begrijpelijkheid van de in het rapport gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het CBR niet zonder nadere motivering op het rapport afgaan. Zo nodig vraagt het CBR de psychiater een reactie op wat [appellant] over het rapport heeft aangevoerd.

7.1. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 24 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1339, onder 23, is het diagnosticeren van stoornissen in het gebruik van alcohol in het kader van CBR-keuringen gericht op het algemene belang van de verkeersveiligheid. De diagnose ‘alcoholmisbruik in ruime zin’ ten behoeve van CBR-zaken is een beschrijvende diagnose waarbij alle gegevens worden gebruikt die wijzen in de richting van problemen rond alcoholgebruik, terwijl aanwijzingen dat het onwaarschijnlijk is dat bij betrokkene sprake is van met alcoholgebruik gerelateerde problemen niet aanwezig zijn. Om tot een diagnose te kunnen komen, heeft de psychiater de anamnese, het lichamelijk en psychiatrisch onderzoek en het laboratoriumonderzoek als instrumenten tot zijn beschikking. De diagnose ‘alcoholmisbruik in ruime zin’ kan in de praktijk niet uitsluitend worden gesteld op grond van de anamnese in combinatie met een sterk verhoogd ademalcoholgehalte. De reden daarvoor is dat de betrouwbaarheid van de anamnestische gegevens in de keuringssituatie laag is, omdat de bestuurder in kwestie het rijbewijs doorgaans wenst te behouden. Verder is het ademalcoholgehalte steeds een momentopname. Daarom kan de diagnose ‘alcoholmisbruik in ruime zin’ alleen worden verkregen met de hulp van meerdere aanwijzingen die deze diagnose ondersteunen en die een aanwijzing kunnen vormen voor aanwezigheid van alcoholproblemen. Deze aanwijzingen kunnen onder meer worden gevonden in de omstandigheden van de aanhouding. Daarbij valt te denken aan contextuele zaken of observaties van de verbalisanten, zoals het (relatief) ontbreken van intoxicatieverschijnselen tijdens de aanhouding, die in het proces-verbaal zijn genoteerd. Daarnaast is het goed of langdurig kunnen functioneren met hoge promillages alcohol een aanwijzing voor alcoholtolerantie en daarmee voor de aanwezigheid van problemen met het gebruik van alcohol. In dat verband kan worden gedacht aan het kunnen besturen van een auto onder invloed van hoge promillages alcohol. Vergelijk ook de uitspraken van 10 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3324, onder 5.3, en 22 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2252, onder 13.

7.2. Uit de uitspraken van de Afdeling van 10 juni 2026, onder 5.3, en 13 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3484, onder 10 en 11, volgt verder dat anamnestische gegevens die bevestigend zijn voor alcoholmisbruik wel als basis mogen worden gebruikt voor de diagnose als er geen reden is om aan te nemen dat die gegevens onbetrouwbaar zijn. Dit veronderstelt dat de anamnestische gegevens op zorgvuldige wijze zijn verkregen.

7.3. De rechtbank heeft naar het oordeel van de Afdeling ten onrechte geoordeeld dat het psychiatrisch rapport zorgvuldig tot stand is gekomen. [appellant] heeft zijn hiervoor onder 2.1. weergegeven reactie op het psychiatrisch rapport en de onder 2.2. weergegeven reactie daarop van de psychiater opgenomen in zijn bezwaarschrift. Hij heeft daarbij aangevoerd dat hij duidelijk heeft aangegeven dat hij wijn en bier dronk en in het weekeinde voornamelijk bier en dat dat wordt ondersteund door het in het psychiatrisch rapport vermelde alcoholgebruik voor de laatste aanhouding. Uit niets blijkt dat de psychiater naar aanleiding van de door [appellant] geuite betwisting over de in het rapport overgenomen anamnese dat hij zes flessen wijn per week dronk, navraag heeft gedaan bij de psychodiagnostisch medewerker over wat tijdens de anamnese precies is verklaard en hoe de vertaalslag van bier en wijn naar flessen wijn tot stand is gekomen. Het CBR heeft dit in het kader van zijn vergewisplicht ten onrechte niet onderkend.

7.4. Het gesprek met de psychiater was op 30 augustus 2023, waarmee het onderzoek werd afgerond. Het psychiatrisch rapport is opgesteld op 1 september 2023, zodat [appellant] terecht stelt dat hij pas na ontvangst daarvan kon zien van welke hoeveelheid AE per fles wijn de psychiater is uitgegaan voor de diagnose alcoholmisbruik. De rechtbank heeft daarom ten onrechte overwogen dat [appellant] in het gesprek met de psychiater de mogelijkheid had om de vertaalslag van zijn totale alcoholconsumptie (bier en wijn) naar zes flessen wijn en zijn vooronderstelling dat één fles wijn gelijkstaat aan zes AE, te corrigeren en dat niet gebleken is dat hij dat heeft gedaan. De rechtbank heeft, gelet op wat hiervoor onder 7.3. is overwogen, ten onrechte geoordeeld dat de verklaring van [appellant], gelet op de eerste twee bevindingen uit het psychiatrisch rapport, duidt op alcoholmisbruik. Daarbij gaat de Afdeling ervan uit dat de eerste bevinding (binge-drinking) net als de tweede bevinding (42 AE per week) is gerelateerd aan de hiervoor onder 2. weergegeven alcoholanamnese van, kort weergegeven, zes flessen wijn per week, waarvan vier in het weekeinde binnen een tijdsbestek van drie tot vijf uur. De derde en vierde bevindingen over de twee aanhoudingen waarbij [appellant] onder invloed van alcohol was, kunnen de conclusie dat sprake is van misbruik van alcohol naar het oordeel van de Afdeling niet zelfstandig dragen. De Afdeling betrekt hierbij dat de psychiater in het rapport bij de diagnose alcoholmisbruik heeft betrokken dat juist de combinatie van de vier bevindingen indicatief is voor alcoholproblematiek tijdens de laatste aanhouding.

7.5. Het betoog slaagt.

Conclusie

8. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De Afdeling verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond en vernietigt het besluit van 26 februari 2024 wegens schending van artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

9. Het CBR moet met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit nemen op het bezwaar van [appellant].

10. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit alleen bij haar beroep kan worden ingesteld.

11. Het CBR moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 maart 2025 in zaak nr. 24/3537;

III. verklaart het beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van 26 februari 2024;

V. draagt het CBR op om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak, met inachtneming van wat daarin is overwogen, een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

VI. bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit alleen bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

VII. veroordeelt het CBR tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.736,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII. gelast dat het CBR aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 476,00 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. den Ouden, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, griffier.

w.g. Den Ouden

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. De Vink

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2026

154-1189

BIJLAGE

Wettelijk kader

Wegenverkeerswet 1994

Artikel 8

[…]

2. Het is een ieder verboden een voertuig te besturen, als bestuurder te doen besturen of als begeleider op te treden na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat:

a. het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 220 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, dan wel

[…].

Artikel 134

[…]

2. Het CBR besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs indien de uitslag van het onderzoek daartoe aanleiding geeft. Bij ministeriële regeling worden de gevallen aangewezen waarin daarvan sprake is.

[…].

Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011

Artikel 27

Het CBR besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs, bedoeld in artikel 134, derde lid, van de wet, indien de uitslag van het onderzoek, respectievelijk de onderzoeken, inhoudt dat betrokkene:

[…].

b. niet voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijk en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een of meer categorieën motorrijtuigen.

Regeling eisen geschiktheid 2000

Artikel 2

De eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen worden vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage.

Bijlage behorende bij de Regeling eisen geschiktheid 2000

[…]

Hoofdstuk 2. Algemene opmerkingen

[…]

Supervisie

Waar voor de beoordeling van de geschiktheid een specialistisch rapport nodig is, is daarmee bedoeld een rapport dat is opgesteld en ondertekend door een medisch specialist, waarbij het is toegestaan dat delen van het onderzoek onder supervisie en verantwoordelijkheid van de specialist zijn uitgevoerd door een derde.

[…].

Hoofdstuk 8. Psychiatrische stoornissen

[…]

8.8 Misbruik van psychoactieve middelen (zoals alcohol en drugs)

Voor de beoordeling of sprake is van misbruik van psychoactieve middelen is een specialistisch rapport vereist.

Personen die misbruik maken van dergelijke middelen zijn zonder meer ongeschikt.

Indien zij aannemelijk of aantoonbaar zijn gestopt met dit misbruik, dient een recidiefvrije periode van een jaar te zijn gepasseerd voordat zij door middel van een herkeuring - op basis van een specialistisch rapport geschikt - kunnen worden geacht.

Een strenge opstelling van de keurend arts is aangewezen, gezien de gevaren die het gebruik van deze middelen oplevert voor de verkeersveiligheid.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand