202307677/1/R1.
Datum uitspraak: 2 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Beverwijk, en anderen
appellanten,
tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 15 november 2023 in zaak nr. 21/2968 in het geding tussen:
[appellant] en anderen
en
het college van burgemeester en wethouders van Beverwijk.
Procesverloop
Bij besluit van 28 september 2020 heeft het college aan [appellant] en anderen medegedeeld dat een door hen ingediende ingebrekestelling ten aanzien van het niet tijdig beslissen op hun handhavingsverzoek prematuur is en daarom niet in behandeling zal worden genomen.
Bij besluit van 10 december 2020 heeft het college het verzoek om handhaving van [appellant] en anderen met betrekking tot de aanleg van een verharding en een aarden wal met een kunststofbuis op het perceel aan de [locatie A] in Beverwijk afgewezen.
Bij besluit van 3 februari 2021 heeft het college het verzoek om handhaving van de [appellant] en anderen met betrekking tot onder meer de aanplant van bomen en coniferen op het perceel afgewezen.
Bij besluit van 30 april 2021 heeft het college het door [appellant] en anderen tegen de bovenstaande besluiten gemaakte bezwaar, voor zover van belang, ongegrond verklaard.
Bij mondelinge uitspraak van 15 november 2023 heeft de rechtbank het door [appellant] en anderen daartegen ingestelde beroep deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben [appellant] en anderen hoger beroep ingesteld.
Het college en [partij A] en [partij B] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] en anderen hebben nadere stukken ingediend.
[appellant] en anderen en [partij A] en [partij B] hebben verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) is partij in dit geding.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 20 januari 2026, waar [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door mr. K. van Driel, rechtsbijstandsverlener in Heemskerk, en het college, vertegenwoordigd door P. Shahidi en D. Sevil, zijn verschenen. Voorts zijn op de zitting [partij A] en [partij B], bijgestaan door mr. J.Chr. Rube, advocaat te Amsterdam, gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt.
Het verzoek om handhaving van de Wabo is gedaan op 1 september 2020. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. Op het perceel aan de [locatie A] werd voorheen een agrarisch bedrijf geëxploiteerd. [partij A] en [partij B] zijn eigenaar van dit perceel. [appellant] en anderen wonen aan de Creutzberglaan in Beverwijk aan de oostzijde van het perceel. [partij A] en [partij B] hebben ter hoogte van de percelen van [appellant] en anderen een verharding, een aarden wal en een kunststof buis aangelegd en bomen en coniferen aangeplant. [appellant] en anderen zijn het daar niet mee eens.
[appellant] en anderen hebben het college eerst bij e-mail van 1 september 2020 verzocht handhavend op te treden vanwege strijd met het bestemmingsplan "Groene Westrand Beverwijk". Het perceel heeft daarin de bestemming "Agrarisch". Bij brief van 14 september 2020 hebben zij het college in gebreke gesteld wegens het uitblijven van een besluit op dit verzoek. Daarnaast hebben [appellant] en anderen bij brief van 4 januari 2021 het college verzocht handhavend op te treden tegen onder meer de aanplant van bomen en coniferen.
Besluiten
3. Het college heeft zich blijkens het besluit van 28 september 2020 waarin het aangeeft dat een beslistermijn van acht weken geldt, op het standpunt gesteld dat de ingebrekestelling van 14 september 2020 prematuur is en dat het daarom geen dwangsom heeft verbeurd.
Bij besluit van 10 december 2020 heeft het college het door [appellant] en anderen op 1 september 2020 ingediende verzoek afgewezen. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat voor de verharding in het geldende bestemmingsplan geen aanlegvergunningstelsel is opgenomen en dus geen vergunning voor het aanleggen van verharding vereist is. Het storten van de aarde ten behoeve van het oprichten van een wal leidt volgens het college ook niet tot een strijdig gebruik met de agrarische bestemming.
Bij besluit van 3 februari 2021 heeft het college het door [appellant] en anderen op 4 januari 2021 ingediende verzoek afgewezen, omdat de aanplant van de bomen niet in strijd is met het bestemmingsplan.
4. Bij besluit van 30 april 2021 heeft het college beslist op het tegen de bovenstaande besluiten door [appellant] en anderen gemaakte bezwaar en dat, voor zover hier van belang, ongegrond verklaard.
Aangevallen uitspraak
5. De rechtbank heeft overwogen dat het beroep van [appellant] en anderen, voor zover ingesteld door [persoon A], [persoon B], [persoon C], [persoon D], [persoon E], [persoon F], [persoon G], [persoon H], [persoon K] en [persoon L] niet-ontvankelijk is, omdat zij geen (correcte) machtiging hebben overgelegd waarin zij mr. K van Driel machtigen om genoemde personen tijdens de procedure te vertegenwoordigen. Ook heeft de rechtbank het beroep van [appellant] en anderen, voor zover ingesteld door [persoon M] en [persoon N], niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij tijdens de procedure zijn verhuisd en voor zover ingesteld door [persoon P], omdat deze is overleden.
De rechtbank heeft het beroep van [appellant] en anderen, voor zover ingesteld door [appellant], [appellant B] en [appellant C], ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank eerst overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de ingebrekestelling van 14 september 2020 prematuur is. Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat het college het handhavingsverzoek terecht heeft afgewezen. De verharding, aarden wal en de aanplant van bomen en coniferen is niet in strijd met het bestemmingsplan en de kunststof buis kon vergunningvrij worden aangelegd. Er is dan ook geen overtreding waartegen het college handhavend kon optreden, zo oordeelt de rechtbank.
De rechtbank heeft tot slot de Staat veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van € 1.000,00 aan [appellant] en anderen gezamenlijk wegens de overschrijding van de redelijke termijn.
6. [appellant] en anderen zijn het niet eens met de uitspraak van de rechtbank en hebben gezamenlijk hoger beroep ingesteld. Hierna worden zij aangeduid als [appellant] en anderen, tenzij anders aangegeven.
Beoordeling van het hoger beroep
Goede procesorde
7. [appellant] en anderen betogen dat het door [partij A] en [partij B] op 16 januari 2026 ingebrachte stuk wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing moet worden gelaten.
7.1. Het stuk dat [partij A] en [partij B] heeft ingediend, is in strijd met artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) binnen tien dagen voor de zitting ingediend. De Afdeling ziet in dit geval echter, gelet op de aard en beperkte omvang van het stuk, geen aanleiding om het stuk niet in de beoordeling te betrekken. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat [appellant] en anderen op de zitting inhoudelijk op het stuk hebben gereageerd.
Niet-ontvankelijkverklaring van beroep voor zover ingediend door [appellant M] en [persoon N]
8. [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank hun beroep, voor zover ingesteld door [appellant M] en [persoon N], ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens hun verhuizing tijdens de procedure. Daarover stellen zij dat er procesbelang is bij een inhoudelijke beoordeling van hun beroep vanwege de geleden schade in verband met de waardevermindering van hun woningen als gevolg van de met het bestemmingsplan strijdige activiteiten op het perceel. Ook is er volgens hen procesbelang omdat zij hebben verzocht om vergoeding van de kosten voor het maken van bezwaar. Voor zover de nieuwe jurisprudentielijn (zie de uitspraak van de Afdeling van 5 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2323) dat enkel de mogelijke vergoeding van kosten in bezwaar niet voldoende is voor procesbelang door de Afdeling aan hen wordt tegengeworpen, voeren zij aan dat dit in strijd is met artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Hun stelling is dat zij bij het instellen van hun hoger beroep op 17 december 2023 mochten vertrouwen op de toen geldende vaste rechtspraak over procesbelang dat vergoeding van kosten in bezwaar voldoende is om procesbelang aan te nemen. De nieuwe lijn met de uitspraak van 5 juni 2024 was volgens hen destijds niet voorzienbaar.
8.1. Procesbelang is het belang dat een appellant heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het doel dat de appellant voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor de appellant van feitelijke betekenis is. Degene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk. De vraag of er procesbelang is, wordt beantwoord naar de stand van zaken op het moment van de uitspraak.
8.2. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 5 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2323, onder 11.2, levert het enkele niet vergoeden van bezwaarkosten niet langer een zelfstandig procesbelang op. In deze uitspraak zijn twee uitzonderingen hierop benoemd. Procesbelang moet wel aanwezig worden geacht als het betrokken bestuursorgaan zijn besluit in bezwaar heeft herroepen zonder daarbij een vergoeding van bezwaarkosten toe te kennen terwijl daar wel om was gevraagd, of als de hoogte van een toegekende vergoeding van bezwaarkosten in geschil is. Deze uitzonderingen zijn in deze zaak niet aan de orde. Hoewel deze nieuwe jurisprudentielijn is ingezet nadat [appellant] en anderen op 17 december 2023 hoger beroep hebben ingesteld bij de Afdeling, betekent dit naar het oordeel van de Afdeling in dit geval niet dat er een schending van artikel 6 van het EVRM is. Daarvoor acht de Afdeling van belang dat, daargelaten of deze wijziging in de rechtspraak voor hen voorzienbaar was, feitelijk al hun inhoudelijke gronden in de procedure bij de rechtbank aan de orde zijn gekomen.
8.3. Als de appellant stelt schade te hebben geleden, kan belang bestaan bij een inhoudelijke beoordeling van het (hoger) beroep. Voor het aannemen van procesbelang moet tot op zekere hoogte aannemelijk zijn dat schade is geleden als gevolg van het besluit.
De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat [appellant M] en [persoon N] geen belang meer hadden bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. [appellant M] en [persoon N] zijn verhuisd en waren al voor de uitspraak van de rechtbank geen eigenaar meer van naast het perceel gelegen woningen. Gelet hierop hadden zij op het moment van de uitspraak van de rechtbank geen feitelijke betrokkenheid meer bij het perceel. [appellant] en anderen hebben niet tot op een zekere hoogte aannemelijk gemaakt dat [appellant M] en [persoon N] schade hebben geleden als gevolg van de activiteiten op het perceel en de afwijzing van het verzoek om daartegen handhavend op te treden. Zij hebben weliswaar gesteld dat zij schade hebben geleden, maar zij hebben deze schade op geen enkele wijze toegelicht of onderbouwd.
8.4. De conclusie is dat de rechtbank het beroep, voor zover ingesteld door [appellant M] en [persoon N], terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Het betoog slaagt niet.
Niet-ontvankelijkheid van het beroep, voor zover ingesteld door [persoon A], [persoon C], [persoon D], [persoon E], [persoon F], [persoon G], [persoon H], [persoon K] en [persoon L]
9. [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank hun beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard voor zover dat is ingesteld door [persoon A], [persoon C], [persoon D], [persoon E], [persoon F], [persoon G], [persoon H], [persoon K] en [persoon L]. Daarover voeren zij aan dat de rechtbank hen in de gelegenheid had moeten stellen een eventueel gebrek in de gewenste machtiging te herstellen. [appellant] en anderen wijzen er verder op dat zij zich in de overgelegde stukken duidelijk kenbaar hebben gemaakt.
9.1. Uit artikel 6:5, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 6:24 en artikel 8:24, eerste en tweede lid, van de Awb, volgt dat een gestelde gemachtigde, die geen advocaat is, desgevraagd een schriftelijke machtiging moet overleggen. Als niet is voldaan aan artikel 6:5 van de Awb of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het hoger beroep, kan het ingevolge artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn (vergelijk de uitspraken van de Afdeling van 17 mei 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AX2140, onder 2.2, 19 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1939, onder 4.4, en 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2984, onder 7).
9.2. De rechtbank heeft eerst op de zitting van 15 november 2023 aan de orde gesteld dat volgens de rechtbank van [persoon A], [persoon C], [persoon D], [persoon E], [persoon F], [persoon G], [persoon H], [persoon K] en [persoon L] een (correcte) machtiging aan mr. K. van Driel ontbrak. Niet gebleken is dat [appellant] en anderen vervolgens door de rechtbank in de gelegenheid zijn gesteld het verzuim te herstellen binnen een hen daartoe gestelde termijn. De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat het beroep van [appellant] en anderen wegens dit gebrek niet-ontvankelijk is, voor zover dat is ingesteld door de hiervoor genoemde personen.
9.3. De Afdeling overweegt dat de rechtbank op grond van artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Awb de onder 9.2 genoemde personen in de gelegenheid had moeten stellen het gestelde verzuim te herstellen binnen een hen daartoe gestelde termijn, alvorens zij op grond van artikel 6:6, onder a, van de Awb het beroep in zoverre niet-ontvankelijk mocht verklaren. Die gelegenheid heeft de rechtbank niet geboden. Gelet hierop en omdat verder niet gebleken is van een andere reden waarom het beroep van [appellant] en anderen, voor zover ingesteld door [persoon A], [persoon C], [persoon D], [persoon E], [persoon F], [persoon G], [persoon H], [persoon K] en [persoon L], niet-ontvankelijk verklaard had moeten worden, betekent dit dat de rechtbank het beroep van [appellant] en anderen in zoverre ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De uitspraak van de rechtbank moet op dit punt worden vernietigd.
Het betoog slaagt.
10. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:116 van de Awb de zaak zonder terugwijzing naar de rechtbank af te doen, aangezien de zaak naar haar oordeel geen verdere behandeling door de rechtbank behoeft. Daarvoor acht de Afdeling van belang dat [persoon A], [persoon C], [persoon D], [persoon E], [persoon F], [persoon G], [persoon H], [persoon K] en [persoon L] samen met [appellant], [appellant B] en [appellant C] beroep hebben ingesteld en dat dat beroep door de rechtbank inhoudelijk is beoordeeld.
Is het college bevoegd om tot handhaving over te gaan?
11. [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college bevoegd is om tot handhaving over te gaan. Zij voeren aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het aanbrengen en het gebruik van de verharding en de aarden wal met kunststof buis en de aanplant van bomen en coniferen op het perceel niet in strijd is met de op het perceel rustende agrarische bestemming. Dit, kort gezegd, omdat het perceel niet meer wordt gebruikt ten behoeve van een agrarisch bedrijf, zo stellen zij.
11.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college zich met juistheid op het standpunt heeft gesteld dat volgens het bestemmingsplan geen omgevingsvergunning nodig is voor onder meer het aanleggen van verhardingen en de aarden wal. De rechtbank heeft echter - net als het college - niet onderkend dat het gebruik van het perceel zoals dat ten tijde van de besluitvorming plaatsvond, in strijd is met het bestemmingsplan. Vast staat en tussen partijen is niet in geschil dat [partij A] en [partij B] ten tijde van de besluitvorming over het handhavingsverzoek geen agrarisch bedrijf op het perceel uitoefenden. Hoewel de activiteiten op het perceel van [partij A] en [partij B] zoals het aanbrengen van verhardingen, een aarden wal en groen op zichzelf in overeenstemming zouden kunnen zijn met de bestemming "Agrarisch", is dat niet het geval als er ter plaatse helemaal geen agrarisch bedrijf wordt uitgeoefend. Het gaat dan namelijk niet om activiteiten bij een agrarisch bedrijf. De activiteiten zijn in dit geval dus niet met het oogmerk op agrarisch bedrijfsuitoefening uitgevoerd. Er was ten tijde van de besluitvorming over het handhavingsverzoek ook geen omgevingsvergunning verleend voor niet-agrarische nevenactiviteiten zoals genoemd in artikel 3.5.1 van de planregels of voor het gebruik voor woondoeleinden. Dit betekent dat het perceel alleen mocht worden gebruikt voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf. Gelet hierop komt de Afdeling niet toe aan bespreking van de overige gronden van [appellant] en anderen op dit punt.
De conclusie is dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het door het college ingenomen standpunt dat er geen overtreding was van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo onjuist is. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak in zoverre dient te worden vernietigd en dat het besluit op bezwaar van 30 april 2021 in zoverre voor vernietiging in aanmerking komt omdat het, in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb, niet deugdelijk is gemotiveerd.
Het betoog slaagt.
Is een dwangsom verbeurd wegens niet tijdig beslissen?
12. [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet tijdig heeft beslist op hun verzoek om handhaving. Daarom heeft het college volgens hen een dwangsom verbeurd. Daarover voeren zij aan dat in dit geval op grond van artikel 4:13, eerste lid, van de Awb een redelijke termijn voor het college geldt om te beslissen op hun verzoek om handhaving van 1 september 2020. Volgens hen was deze termijn gelet op onomkeerbare gevolgen van de aangebrachte voorzieningen op het perceel verstreken op 12 september 2020, en hebben zij het college nadien een ingebrekestelling gestuurd.
12.1. Voor het beslissen op een verzoek om handhaving geldt geen specifieke wettelijke termijn, zodat op grond van artikel 4:13, eerste lid, van de Awb een redelijke termijn geldt die op grond van het tweede lid in ieder geval na acht weken is verstreken.
12.2. [appellant] en anderen hebben op 1 september 2020 het college verzocht handhavend op te treden. Zij hebben dit verzoek herhaald op 9 en 11 september 2020 en het college daarin verzocht om uiterlijk op 12 september 2020 te beslissen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank terecht overwogen dat in dit geval een termijn van 12 dagen niet kan worden aangemerkt als een redelijke termijn als bedoeld in artikel 4:13, eerste lid, van de Awb. Daarbij heeft de rechtbank terecht betrokken dat [appellant] en anderen niet aannemelijk hebben gemaakt dat de op het perceel aangebrachte voorzieningen onomkeerbare gevolgen of onherstelbare schade met zich brengen. Ingevolge artikel 4:13 van de Awb was het college daarom gehouden om in ieder geval binnen acht weken na ontvangst van het verzoek op 1 september 2020 te beslissen. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, betekent dit dat [appellant] en anderen, voor zover zij het college in gebreke hebben gesteld, dit hebben gedaan vóór het einde van deze beslistermijnen en dat de ingebrekestelling dus prematuur is. Daarom is er geen ingebrekestelling als bedoeld in artikel 4:17, derde lid, van de Awb. Dit betekent dat, gelet ook op het eerste lid van dat artikel, geen dwangsom is verbeurd.
Het betoog slaagt niet.
Overschrijding redelijke termijn in beroep
13. [appellant] en anderen betogen dat de schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn die de rechtbank aan hen heeft toegekend te laag is. De rechtbank heeft volgens hen miskend dat de schadevergoeding wegens de overschrijding van de redelijke termijn per persoon had moeten worden toegewezen. Zij wijzen in dit verband op de uitspraak van de Afdeling van 8 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:585.
13.1. De rechtbank heeft geoordeeld dat op de datum van de uitspraak van de rechtbank de redelijke termijn met ruim 10 maanden was overschreden. De rechtbank heeft vervolgens de schadevergoeding vastgesteld op € 1.000,00. De rechtbank heeft deze vergoeding aan [appellant] en anderen gezamenlijk toegewezen.
13.2. Zoals [appellant] en anderen terecht aanvoeren, is het uitgangspunt in het geval meerdere belanghebbenden samen één procedure voeren dat iedere belanghebbende een zelfstandig recht op schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft. De rechtbank heeft aanleiding gezien om het bedrag per persoon te matigen in die zin dat het berekende bedrag aan schadevergoeding wordt gedeeld door het aantal appellanten en heeft hen samen in totaal een bedrag van € 1.000,00 toegekend. Hoewel de rechtbank deze matiging niet heeft onderbouwd, acht de Afdeling deze matiging in dit geval redelijk vanwege de matigende invloed die het instellen van gezamenlijk beroep in het voorliggende geval heeft gehad op de mate van stress, ongemak en onzekerheid die [appellant] en anderen hebben ondervonden door de te lang durende procedure. Door als groep gezamenlijk beroep in te stellen hebben zij de voor- en nadelen van het voeren van deze procedure kunnen delen. De Afdeling wijst ter vergelijking op haar uitspraak van 27 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3042, onder 15. Het betoog leidt daarom niet tot het daarmee beoogde doel. De rechtbank heeft namelijk het bedrag van de schadevergoeding terecht vastgesteld op € 1.000,00 voor [appellant] en anderen gezamenlijk.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie hoger beroep
14. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd voor zover daarbij het beroep van [persoon A], [persoon C], [persoon D], [persoon E], [persoon F], [persoon G], [persoon H], [persoon K] en [persoon L] niet-ontvankelijk is verklaard en voor zover het beroep van [appellant] en anderen ongegrond is verklaard. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellant] en anderen, ook voor zover ingesteld door [persoon A], [persoon C], [persoon D], [persoon E], [persoon F], [persoon G], [persoon H], [persoon K] en [persoon L] tegen het besluit op bezwaar van 30 april 2021 gegrond verklaren en dat besluit in zoverre vernietigen. De uitspraak van de rechtbank moet, voor zover aangevallen, voor het overige met verbetering van gronden worden bevestigd.
Het voorgaande betekent dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 3 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2645, blijft op een nieuw te nemen besluit het recht, zoals dat gold onmiddellijk vóór 1 januari 2024, van toepassing. Dit geldt echter alleen als onder het recht zoals dat geldt ten tijde van het nemen van dit nieuwe besluit nog steeds sprake is van dezelfde overtreding. Als dat niet zo is, dan moet het college het nieuwe recht toepassen.
Verzoek schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn
15. Zowel [appellant] en anderen als [partij A] en [partij B] hebben verzocht om een (aanvullende) vergoeding van immateriële schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de gehele procedure.
15.1. De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit een bezwaarschriftprocedure en twee rechterlijke instanties bestaat, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste vier jaar redelijk. De termijn begint op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan.
15.2. Het college heeft het bezwaarschrift op 8 januari 2021 ontvangen. Met deze uitspraak van de Afdeling op 2 september 2026 is de procedure beëindigd. De redelijke termijn is met niet meer dan twee jaar overschreden. De overschrijding is voor 10/31 deel aan de rechtbank en voor 21/31 deel aan de Afdeling toe te rekenen.
15.3. De Afdeling hanteert een forfaitair tarief van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. Het bedrag van de schadevergoeding zou daarmee € 2.000,00 per persoon bedragen.
- [appellant] en anderen
15.4. Voor het toekennen van een aanvullende schadevergoeding bestaat aanleiding als het bedrag dat de rechtbank op grond van overschrijding van de redelijke termijn heeft toegekend, lager is dan het door de Afdeling vast te stellen bedrag, waarop de verzoeker om schadevergoeding recht heeft (zie de uitspraak van de Afdeling van 3 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2718).
15.5. Gelet op wat hiervoor is overwogen onder 13.2, ziet de Afdeling evenwel in de omstandigheid dat [appellant] en anderen gezamenlijk als partij aan de procedure hebben deelgenomen, aanleiding het bedrag zoals is vermeld onder 15.3 voor hen te matigen in die zin dat het berekende bedrag aan schadevergoeding wordt gedeeld door het aantal appellanten dat gezamenlijk procedeert. Dat betekent dat aan [appellant] en anderen samen in totaal een bedrag van € 2.000,00 wordt toegekend. Dit bedrag is hoger dan de schadevergoeding die is vastgesteld door de rechtbank. Dit betekent dat [appellant] en anderen recht hebben op een aanvullende vergoeding van € 1.000,00.
- [partij A] en [partij B]
15.6. De Afdeling ziet ook in de omstandigheid dat [partij A] en [partij B] gezamenlijk als partij aan de procedure hebben deelgenomen, aanleiding dit bedrag voor hen te matigen in die zin dat zij het berekende bedrag aan schadevergoeding delen. Dat betekent dat aan [partij A] en [partij B] gezamenlijk een bedrag van € 2.000,00 moet worden toegekend. Dit acht de Afdeling redelijk vanwege de matigende invloed die het samen deelnemen als partij in het voorliggende geval heeft gehad op de mate van stress, ongemak en onzekerheid die zij hebben ondervonden door de te lang durende procedure. Door gezamenlijk op te treden hebben zij de voor- en nadelen van het voeren van deze procedure kunnen delen.
15.7. Omdat de overschrijding aan de rechtbank en de Afdeling is toe te rekenen, wordt de vergoeding van de schade naar evenredigheid uitgesproken ten laste van de Staat. De minister van Justitie en Veiligheid moet daarvan 10/31e deel voldoen en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties moet daarvan 21/31e deel voldoen.
Proceskosten en griffierecht
16. Het college moet de proceskosten van de [appellant] en anderen voor het beroep en het hoger beroep vergoeden.
17. De Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) moet de proceskosten vergoeden die [appellant] en anderen hebben gemaakt in verband met het verzoek om aanvullende schadevergoeding. Deze kosten bestaan uit het indienen van het verzoekschrift. De Afdeling zal bij de berekening de wegingsfactor 0,5 (licht) hanteren.
18. De Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) moet de proceskosten vergoeden die [partij A] en [partij B] hebben gemaakt in verband met het verzoek om aanvullende schadevergoeding. Deze kosten bestaan uit het indienen van het verzoekschrift. De Afdeling zal bij de berekening de wegingsfactor 0,5 (licht) hanteren.
19. [partij A] en [partij B] verzoeken tevergeefs om [appellant] en anderen te veroordelen in de kosten in verband met deze procedure. Op grond van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb kan een natuurlijke persoon alleen in de kosten worden veroordeeld in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht is sprake, als op grond van bijzondere omstandigheden kan worden vastgesteld dat ten tijde van het instellen van het (hoger) beroep het voor appellant evident was dat van de ingestelde procedure geen positief resultaat viel te verwachten. Die situatie doet zich niet voor.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de mondelinge uitspraak van de rechtbank NoordHolland van 15 november 2023 in zaak nr. 21/2968, voor zover daarbij
- het beroep van [appellant] en anderen, voor zover ingesteld door [persoon A], [persoon C], [persoon D], [persoon E], [persoon F], [persoon G], [persoon H], [persoon K] en [persoon L], niet-ontvankelijk is verklaard en;
- het beroep van [appellant] en anderen ongegrond is verklaard;
III. verklaart het beroep van [appellant] en anderen, voor zover dat ontvankelijk is, gegrond;
IV. bevestigt die uitspraak voor het overige;
V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Beverwijk tot vergoeding van bij [appellant] en anderen in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.736,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd totaal bedrag aan een van hen het college van burgemeester en wethouders aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
VI. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan [partij A] en [partij B] een schadevergoeding van € 2.000,00 te betalen (€ 645,16 te voldoen door de minister van Justitie en Veiligheid en € 1.354,84 te voldoen door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties), met dien verstande dat bij betaling van genoemd totaal bedrag aan een van hen de Staat der Nederlanden aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
VII. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties) tot vergoeding van [partij A] en [partij B] in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00 (€ 233,50 te voldoen door de minister van Justitie en Veiligheid en € 223,50 te voldoen door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd totaal bedrag aan een van hen de Staat der Nederlanden aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
VIII. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties) om aan [appellant] en anderen een schadevergoeding van € 1.000,00 te betalen, met dien verstande dat bij betaling van genoemd totaal bedrag aan een van hen de Staat der Nederlanden aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
IX. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties) tot vergoeding van bij [appellant] en anderen in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00 geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd totaal bedrag aan een van hen de Staat der Nederlanden aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
X. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Beverwijk aan [appellant] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrag van € 455,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. G.T.J.M. Jurgens, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.C. Lammers, griffier.
w.g. Jurgens
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Lammers
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2026
890-1099-672