ECLI:NL:RVS:2026:5170

ECLI:NL:RVS:2026:5170

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 02-09-2026
Datum publicatie 02-09-2026
Zaaknummer 202502744/1/A2
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 22 september 2022 heeft de Dienst Toeslagen de hoogte van de aanvullende werkelijke schadevergoeding van [appellant] vastgesteld op € 4.223,00. [appellant] is een gedupeerde ouder van de toeslagenaffaire. Op 31 januari 2020 heeft zij een verzoek gedaan voor een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag. Bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag over de toeslagjaren 2012 en 2013 is sprake geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen. De Dienst Toeslagen heeft daarom bij besluit van 12 oktober 2021 het definitieve compensatiebedrag op € 27.181,00 vastgesteld, waarvan € 6.000,00 is toegekend voor geleden immateriële schade. Volgens [appellant] is de werkelijke schade die zij heeft geleden hoger dan het definitieve compensatiebedrag. Zij heeft daarom een verzoek ingediend bij de Commissie Werkelijke Schade (CWS) om aanvullende compensatie voor de werkelijk geleden schade.

Uitspraak

202502744/1/A2.

Datum uitspraak: 2 september 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 april 2025 in zaak nr. 24/2656 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Dienst Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 22 september 2022 heeft de Dienst Toeslagen de hoogte van de aanvullende werkelijke schadevergoeding van [appellant] vastgesteld op € 4.223,00.

Bij besluit van 28 februari 2024 heeft de Dienst Toeslagen het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en de aanvullende werkelijke schadevergoeding verhoogd tot € 7.253,00.

Bij besluit van 22 januari 2025 heeft de Dienst Toeslagen de aanvullende werkelijke schadevergoeding verhoogd tot € 11.591,00.

Bij uitspraak van 16 april 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] tegen de besluiten van 28 februari 2024 en 22 januari 2025 gerichte beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Dienst Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 6 juli 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. G.H. Amstelveen, advocaat in Capelle aan den IJssel, en de Dienst Toeslagen, vertegenwoordigd door [gemachtigde 1], en [gemachtigde 2], zijn verschenen.

Overwegingen

1. [appellant] is een gedupeerde ouder van de toeslagenaffaire. Op 31 januari 2020 heeft zij een verzoek gedaan voor een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag. Bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag over de toeslagjaren 2012 en 2013 is sprake geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen. De Dienst Toeslagen heeft daarom bij besluit van 12 oktober 2021 het definitieve compensatiebedrag op € 27.181,00 vastgesteld, waarvan € 6.000,00 is toegekend voor geleden immateriële schade. Volgens [appellant] is de werkelijke schade die zij heeft geleden hoger dan het definitieve compensatiebedrag. Zij heeft daarom een verzoek ingediend bij de Commissie Werkelijke Schade (CWS) om aanvullende compensatie voor de werkelijk geleden schade.

Besluitvorming

2. De CWS heeft het verzoek beoordeeld en de Dienst Toeslagen geadviseerd om aan [appellant] een aanvullende schadevergoeding van € 4.223,00 toe te kennen vanwege immateriële schade. [appellant] stelt ook andere schade te hebben geleden, namelijk reiskosten, inkomensschade, studiekosten wegens studievertraging, overige vermogensschade, kosten voor een behandeling bij een fysiotherapeut, en kosten voor juridische bijstand. Deze schadeposten komen volgens het CWS niet voor vergoeding in aanmerking omdat het causaal verband tussen de kosten en de terugvorderingen van de kinderopvangtoeslag onvoldoende is onderbouwd.

3. De Dienst Toeslagen heeft het advies van de CWS van 5 juli 2022 gevolgd in het besluit van 22 september 2022. Naar aanleiding van het bezwaar heeft de Dienst Toeslagen, onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftenadviescommissie, bij besluit van 28 februari 2024 het aanvullende compensatiebedrag herzien en verhoogd tot € 7.253,00. [appellant] heeft tegen dat besluit beroep ingesteld bij de rechtbank.

4. Op 1 juli 2024 heeft het CWS een nieuwe versie van haar werkwijze en schadekader (het schadekader) gepubliceerd. Met een nader besluit van 22 januari 2025 heeft de Dienst Toeslagen hangende het beroep het schadekader toegepast, en het aanvullende compensatiebedrag verhoogd tot € 11.591,00.

De uitspraak van de rechtbank

5. De rechtbank heeft geoordeeld dat het bedrag van de aanvullende compensatie niet te laag is vastgesteld in het besluit van 22 januari 2025. De Dienst Toeslagen is aansprakelijk voor de schade als gevolg van het institutioneel vooringenomen handelen bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag over de toeslagjaren 2012 en 2013. De Dienst Toeslagen heeft over de toeslagjaren 2012 en 2013 een bedrag van € 13.501,00 aan kinderopvangtoeslag van eiseres teruggevorderd. Uit het dossier blijkt onvoldoende dat sprake is van een causaal verband tussen de terugvorderingen en de door [appellant] gestelde schade. Zij heeft niet uitgelegd hoe de betalingsregeling waar zij sinds eind 2016 aan voldeed, er vanaf 2018 toe leidde dat haar arbeidsovereenkomst is beëindigd en haar relatie werd verbroken. Ook uit het huisartsenjournaal blijkt niet dat de terugvorderingen van de Dienst Toeslagen enige rol hebben gespeeld bij de relatieproblemen of de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. De gestelde schade als gevolg van de verhuizing van [appellant] naar haar moeder komt dus niet voor vergoeding in aanmerking. Verder is ook niet gebleken van een causaal verband tussen de terugvorderingen en de gestelde reiskosten die eiseres voor haar studie heeft gemaakt.

Hoger beroep en beoordeling

6. [appellant] betoogt dat de aan haar toegekende vergoeding voor immateriële schade onvoldoende tegemoetkomt aan het leed dat zij heeft meegemaakt.

6.1. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de Dienst Toeslagen het bedrag van de aanvullende compensatie in het besluit van 22 januari 2025 niet te laag heeft vastgesteld. In dat besluit heeft de Dienst Toeslagen duidelijk uiteengezet hoe het toegekende bedrag aan immateriële schadevergoeding tot stand is gekomen. [appellant] heeft niet onderbouwd waarom dat bedrag niet zou kloppen. Ook heeft zij niet duidelijk gemaakt waarom het bedrag van € 19.800,00 dat in totaal aan compensatie en aanvullende compensatie ten aanzien van de door haar geleden immateriële schade aan haar is toegekend, onvoldoende zou zijn. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het bedrag nagenoeg overeenkomt met het bedrag van € 20.000,00 waar zij in haar verzoek om aanvullende werkelijke schadevergoeding om heeft gevraagd.

Het betoog slaagt niet.

7. Verder betoogt [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat er een causaal verband is tussen de terugvorderingen en de door haar gestelde schade. Dat in het journaal van de huisarts geen direct verband wordt gelegd met de kinderopvangtoeslagenaffaire en de gevolgen daarvan, kan niet zonder meer betekenen dat daar geen verband tussen bestaat. Daarnaast betekent de omstandigheid dat zij aan de betalingsregeling voldeed niet dat de onterechte terugvorderingen over de toeslagjaren 2012 en 2013 geen invloed hadden op haar. Door de terugvorderingen kon zij zich haar studie en de kosten van het openbaar vervoer voor haar studie niet meer veroorloven. Zij moest noodgedwongen stoppen met haar studie. Verder zou zonder de stress die de hoge terugvorderingen hebben veroorzaakt haar dienstverband niet zijn beëindigd en was zij waarschijnlijk nog samen geweest met haar toenmalig partner. Omdat zij konden delen in de kosten had zij hoogstwaarschijnlijk het huis niet verkocht en was zij ook niet verhuisd.

7.1. De rechtbank heeft geoordeeld dat uit het dossier onvoldoende blijkt dat sprake is van een causaal verband tussen de terugvorderingen van de Dienst Toeslagen en de gestelde schade. In wat [appellant] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 8 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.

Conclusie

8. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

9. De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. J.F. de Groot en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Yildiz, griffier.

w.g. De Poorter

voorzitter

w.g. Yildiz

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2026

594-1177

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. J.C.A. de Poorter
  • mr. J.F. de Groot
  • mr. M. den Heyer

Griffier

  • mr. S. Yildiz

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand