202502716/1/R4.
Datum uitspraak: 2 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Ulft, gemeente Oude IJsselstreek,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 1 april 2025 in zaak nr. 23/6216 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Oude IJsselstreek.
Procesverloop
Bij besluit van 15 juli 2021 heeft het college het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen plaatsing van een buitenunit van een airco-installatie (de airco-unit) aan de gevel van de woning aan de [locatie] in Ulft, afgewezen.
Bij besluit van 9 augustus 2023 heeft het college opnieuw besloten op het bezwaar van [appellant] tegen dit besluit, zijn bezwaar gegrond verklaard en aangekondigd handhavend te zullen optreden tegen de airco-unit.
Bij afzonderlijke besluiten van 16 november 2023 (samen: het besluit van 16 november 2023) heeft het college het besluit van 15 juli 2021 hernieuwd (lees: herroepen) en een last onder dwangsom opgelegd aan [persoon A] en [persoon B] vanwege geluidoverlast door de airco-unit.
Bij uitspraak van 1 april 2025 heeft de rechtbank, voor zover van belang, het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard, het college en de Staat der Nederlanden veroordeeld tot betaling van schadevergoeding van respectievelijk € 100,00 en € 1.900,00 wegens overschrijding van de redelijke termijn en het college veroordeeld tot het betalen van de wettelijke rente aan [appellant] tot een bedrag van € 0,39.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 augustus 2026, waar het college, vertegenwoordigd door M.C.J.H. Roelofs, vergezeld door P.H.W. van Lier, zijn verschenen. Verder zijn op de zitting [persoon A] en [persoon B], bijgestaan door mr. D.T.J.T. Boerman, rechtsbijstandverlener in Tilburg, gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet een overtreding heeft plaatsgevonden, is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en vóór dat tijdstip een last onder dwangsom is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, dan blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet op die opgelegde dwangsom het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven.
Bij besluit van 16 november 2023 heeft het college aan [persoon A] en [persoon B] de last onder dwangsom opgelegd. Dat betekent dat in dit geval het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2. Het voor deze zaak relevante wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van de uitspraak.
3. [appellant] heeft het college verzocht om handhavend op te treden tegen de airco-unit op de zijmuur van de woning van zijn buren [persoon A] en [persoon B]. Volgens [appellant] veroorzaakt de airco-unit geluidoverlast. Het college heeft het verzoek om handhaving afgewezen bij het besluit van 15 juli 2021. Bij besluit van 13 januari 2022 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. In haar uitspraak van 28 juni 2023 in zaak nr. 22/1100 heeft de rechtbank (kort gezegd) geoordeeld dat het college ten onrechte geen geluidmeting heeft gedaan. De rechtbank heeft het beroep van [appellant] gegrond verklaard, het besluit op bezwaar vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit neemt met inachtneming van haar uitspraak.
4. Naar aanleiding van deze uitspraak heeft het college geluidmetingen laten uitvoeren. De conclusie daarvan is dat de airco-unit in de maximale bedrijfsstand in de nachtperiode een te hoog geluidsniveau op de gevel van de woning van [appellant] veroorzaakt, namelijk 42 dB(A), inclusief een correctie voor de gevelreflectie en een toeslag voor tonaal geluid. Het college acht een geluidsniveau van maximaal 40 dB(A) in de nachtperiode aanvaardbaar.Het college heeft bij het besluit van 9 augustus 2023 het bezwaar van [appellant] gegrond verklaard. Volgens het college leidt het geluid van de airco-unit in de nachtperiode tot overtreding van artikel 6:9, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening 2022 gemeente Oude IJsselstreek (APV). Daarin is kort gezegd bepaald dat het verboden is om toestellen in werking te hebben die voor een omwonende geluidhinder veroorzaken. Voor de uitleg van het begrip "geluidhinder" sluit het college aan bij de grenswaarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau op de gevel van gevoelige gebouwen in tabel 2.17a bij artikel 2.17, eerste lid, aanhef en onder a, van het Activiteitenbesluit milieubeheer (Activiteitenbesluit). Dat brengt met zich dat de airco-unit ’s nachts op de gevel van [appellant] een geluidsniveau van maximaal 40 dB(A) mag veroorzaken. Die geluidgrenswaarde wordt overschreden. Overdag en ’s avonds is er volgens het college geen overschrijding.
Bij het besluit van 16 november 2023 heeft het college - zo begrijpt de Afdeling - het besluit van 15 juli 2021 herroepen en het besluit op bezwaar van 9 augustus 2023 gewijzigd in die zin dat in aanvulling op de gegrondverklaring van het bezwaar van [appellant] een last onder dwangsom wordt opgelegd aan [persoon A] en [persoon B]. De last komt erop neer dat zij de overtreding van artikel 6:9, eerste lid, van de APV moeten beëindigen. Dat kunnen zij doen door de airco ’s nachts alleen te gebruiken in de stille modus, door een geluidwerende maatregel te treffen, of door de airco tijdens de nachtelijke uren uit te zetten, aldus de last onder dwangsom.
Het inhoudelijke oordeel van de rechtbank
5. De rechtbank heeft geoordeeld dat de besluiten van 9 augustus 2023 en 16 november 2023 moeten worden aangemerkt als samenstellende bestanddelen van het besluit op bezwaar. De rechtbank heeft het beroep van [appellant] hiertegen ongegrond verklaard. Zij heeft overwogen dat het college bij de beoordeling of sprake is van een overtreding van de APV heeft kunnen aansluiten bij de geluidgrenswaarden in tabel 2.17a van het Activiteitenbesluit.
De rechtbank heeft verder overwogen dat wat [appellant] aanvoert over de geluidonderzoeken geen concrete aanknopingspunten oplevert voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van die geluidonderzoeken. Het college mocht de uitkomsten daarvan dus ten grondslag leggen aan zijn besluiten. Dat betekent dat alleen in de nachtperiode sprake is van een overtreding, aldus de rechtbank.
Toepasselijke geluidgrenswaarden
6. [appellant] betoogt - zo begrijpt de Afdeling - dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet mocht aansluiten bij de geluidgrenswaarden op de gevel van gevoelige gebouwen in tabel 2.17a van het Activiteitenbesluit. Volgens hem had het college moeten aansluiten bij de strengere geluidgrenswaarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, zoals opgenomen in tabel 2.17a.
6.1. De Afdeling overweegt dat het college beoordelingsruimte heeft bij de beoordeling of sprake is van geluidoverlast als bedoeld in artikel 6:9, eerste lid, van de APV. Aan de hand van de beroepsgronden gaat de bestuursrechter in op de vraag of de manier waarop het bestuursorgaan van die beoordelingsruimte gebruik heeft gemaakt in overeenstemming is met het recht. Daarbij moet de bestuursrechter nagaan of het college redelijkerwijs de beoordelingsruimte op die manier heeft kunnen invullen.
6.2. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college redelijkerwijs mocht aansluiten bij de geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau op de gevel van gevoelige gebouwen, zoals opgenomen in tabel 2.17a van het Activiteitenbesluit. [appellant] heeft op geen enkele manier onderbouwd waarom die geluidgrenswaarde onvoldoende bescherming biedt tegen geluidhinder. Zonder nadere toelichting ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college (ook) had moeten beoordelen of wordt voldaan aan de inpandige geluidgrenswaarden in tabel 2.17a. Voor zover [appellant] beoogt te betogen dat het gemeten geluidsniveau op de gevel had moeten worden getoetst aan de geluidgrenswaarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, merkt de Afdeling op dat de grenswaarde en de plaats waar het geluidsniveau wordt gemeten bij elkaar horen. Een op de gevel gemeten geluidsniveau kan niet worden getoetst aan een grenswaarde die geldt voor het geluidsniveau in een gebouw.
Het betoog slaagt niet.
Verplaatsing airco-unit
7. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte niet heeft onderzocht of de airco-unit op een andere plek geplaatst kan worden, zodat hij geen geluidoverlast meer ondervindt.
7.1. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat alleen in de nachtperiode sprake is van een overtreding. Het college heeft [persoon A] en [persoon B] gelast om deze overtreding te beëindigen door de airco-unit gedurende deze uren uit te zetten, alleen in de stille modus te gebruiken of geluidwerende maatregelen te treffen. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat deze maatregelen ontoereikend zijn om de overtreding te beëindigen. Om die reden is verplaatsing van de airco-unit niet nodig en mocht het college onderzoek hiernaar achterwege laten.
Het betoog slaagt niet.
Wettelijke rente over eerdere proceskostenveroordeling
8. [appellant] betoogt dat de rechtbank de wettelijke rente over de proceskostenvergoeding, die het college aan [appellant] heeft betaald naar aanleiding van de eerdere rechtbankuitspraak van 28 juni 2023, niet juist heeft berekend. Hij voert daarover aan dat de rechtbank ten onrechte ervan uit is gegaan dat het college de proceskosten op 22 augustus 2023 aan hem heeft uitbetaald.
8.1. Het verzoek om vergoeding van de wettelijke rente over de proceskosten waartoe het college is veroordeeld in een eerdere procedure valt buiten de omvang van het geding in deze procedure. Hetgeen [appellant] in hoger beroep aanvoert over de berekening van de wettelijke rente door de rechtbank behoeft daarom geen inhoudelijke bespreking.
Het betoog slaagt niet.
Uitblijven van proceskostenveroordeling
9. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte zijn beroep ongegrond heeft verklaard en in het verlengde daarvan ten onrechte geen proceskostenveroordeling voor het college heeft uitgesproken, nu de rechtbank schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn en vergoeding van wettelijke rente aan hem heeft toegewezen.
9.1. De rechtbank heeft - terecht - geen gebreken in het bij haar bestreden besluit geconstateerd. Dat betekent dat zij het beroep terecht ongegrond heeft verklaard en het college terecht niet heeft veroordeeld in de proceskosten van [appellant] voor zijn beroep.
Het feit dat de rechtbank het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft toegewezen en het college en de Staat der Nederlanden heeft veroordeeld tot betaling van de vastgestelde schade, maakt evenmin dat de rechtbank het beroep gegrond had moeten verklaren. Die schadevergoeding is niet inhoudelijk verbonden met de beroepsprocedure, maar is uitsluitend toegekend omdat de procedure te lang heeft geduurd. Hetzelfde geldt voor de toegekende vergoeding van wettelijke rente. Ook die vergoeding houdt geen verband met de rechtmatigheid van het bestreden besluit, maar slechts met het feit dat het college niet tijdig uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de rechtbank van 28 juni 2023. Aangezien [appellant] niet werd bijgestaan door een beroepsmatige rechtsbijstandverlener, heeft de rechtbank eveneens terecht geen proceskostenveroordeling uitgesproken in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding.
Het betoog slaagt niet.
Uitbetaling van toegewezen schadevergoeding
10. [appellant] betoogt dat hij de uitbetaling van de schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn, die de rechtbank aan hem heeft toegewezen, tot op heden nog niet heeft ontvangen.
10.1. De uitspraak van de rechtbank levert ingevolge artikel 8:76 van de Algemene wet bestuursrecht een executoriale titel op, die met toepassing van de voorschriften van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan worden tenuitvoergelegd. Dit brengt mee dat de daadwerkelijke betaling van de schadevergoeding die het college en de Staat der Nederlanden volgens de uitspraak van de rechtbank moeten voldoen alleen langs civielrechtelijke weg en niet langs bestuursrechtelijke weg kan worden afgedwongen. [appellant] kan zich hiervoor wenden tot de burgerlijke rechter. Voor de goede orde merkt de Afdeling op dat het college op de zitting heeft toegelicht dat de schadevergoeding inmiddels is betaald.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
11. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.
12. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.
Aldus vastgesteld door mr. M.M. Kaajan, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.V. Veldwijk, griffier.
w.g. Kaajan
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Veldwijk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2026
912-1213
BIJLAGE
ALGEMENE WET BESTUURSRECHT
Artikel 8:76
Voor zover een uitspraak strekt tot vergoeding van griffierecht, proceskosten of schade als bedoeld in artikel 8:74, 8:75, 8:75a, 8:82, vierde lid, 8:87, derde lid, of 8:95 levert zij een executoriale titel op, die met toepassing van de voorschriften van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan worden tenuitvoergelegd.
ACTIVITEITENBESLUIT MILIEUBEHEER
Artikel 2.17
1. Voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) en het maximaal geluidsniveau LAmax, veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten en laad- en losactiviteiten ten behoeve van en in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting, geldt dat:
a. de niveaus op de in tabel 2.17a genoemde plaatsen en tijdstippen niet meer bedragen dan de in die tabel aangegeven waarden;
Tabel 2.17a
07:00-19:00 uur 19:00-23:00 uur 23:00-07:00 uur
LAr,LT op de gevel van gevoelige gebouwen 50 dB(A) 45 dB(A) 40 dB(A)
LAr,LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen 35 dB(A) 30 dB(A) 25 dB(A)
LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen 70 dB(A) 65 dB(A) 60 dB(A)
LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen 55 dB(A) 50 dB(A) 45 dB(A)
(…)
ALGEMENE PLAATSELIJKE VERORDENING GEMEENTE OUDE IJSSELSTREEK 2022
Artikel 6:9 Overige geluidshinder
1. Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of van het Besluit op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidshinder wordt veroorzaakt.
(…)