202501396/1/R4.
Datum uitspraak: 2 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Beltrum, gemeente Berkelland,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 27 januari 2025 in zaak nr. 23/2022 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van gedeputeerde staten van Gelderland.
Procesverloop
Bij besluit van 22 februari 2023 heeft het college de aanvraag van [appellant] om een omgevingsvergunning voor het realiseren van een bedrijfswoning op het adres [locatie] in Beltrum afgewezen.
Bij uitspraak van 27 januari 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] en het college hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 augustus 2026, waar [appellant], bijgestaan door A. Meekes, en het college, vertegenwoordigd door mr. drs. M.J.M. Verhulst, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 26 maart 2020. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. [appellant] wil een nieuwe bedrijfswoning bouwen. Op het perceel waarop [appellant] de bedrijfswoning wil bouwen geldt het bestemmingsplan "Buitengebied Berkelland 2020". In artikel 3.2.3, onder b, van de planregels is bepaald dat een bedrijfswoning niet groter mag zijn dan 1000 m3. Het college heeft de aanvraag van [appellant] om een omgevingsvergunning voor het realiseren van een bedrijfswoning afgewezen, mede omdat de bedrijfswoning groter is dan 1000 m3. Het college wil niet afwijken van deze planregel.
Uitspraak van de rechtbank
3. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college de aanvraag mocht afwijzen, omdat de woning groter is dan 1000 m3. [appellant] heeft betoogd dat de zolder niet moet worden meegerekend bij het berekenen van de inhoud, omdat deze niet voor bewoning is bestemd, maar in de planregels wordt voor de wijze van meten van de inhoud geen onderscheid tussen de verschillende functies van ruimten gemaakt. Dit betoog volgt de rechtbank daarom niet. De rechtbank is voorbijgegaan aan de stelling van [appellant] dat de maximale inhoud te laat aan hem is gecommuniceerd. Het college heeft op verschillende momenten in de procedure [appellant] op deze strijdigheid gewezen, onder andere per e-mail van 15 juli 2022. De rechtbank is niet meer toegekomen aan het betoog van [appellant] over de redelijke eisen van welstand. Omdat er geen sprake is van een onrechtmatig besluit, bestaat er geen recht op schadevergoeding van door [appellant] gemaakte kosten, volgens de rechtbank.
Hoger beroep
Verklaring van geen bedenkingen
4. [appellant] betoogt dat er een gebrek kleeft aan de totstandkoming van het besluit. Het college had een verklaring van geen bedenkingen (vvgb) aan de raad van de gemeente Berkelland moeten vragen. Dat is niet gebeurd.
4.1. Het betoog over de vvgb is niet eerder aangevoerd. In het omgevingsrecht kunnen beroepsgronden in beginsel niet voor het eerst in hoger beroep worden aangevoerd. Dit is echter een rechtsvraag van openbare orde, waardoor de Afdeling deze beroepsgrond inhoudelijk zal bespreken.
Het college kan alleen met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo, een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bestemmingsplan. Dit betekent dat een vvgb aan de gemeenteraad moet worden gevraagd, tenzij sprake is van een categorie van gevallen waarvan de gemeenteraad heeft besloten dat geen vvgb is vereist. Dit volgt uit artikel 2.27, eerste lid, van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 6.5, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht.
Op 17 oktober 2017 heeft de gemeenteraad een besluit genomen om categorieën van gevallen aan te wijzen waar geen vvgb voor is vereist. De gemeenteraad heeft besloten dat: "alle projecten waarvoor ten behoeve van een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht toepassing gegeven wordt aan artikel 2.12, eerste lid, onder a, onderdeel 3, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht aan te wijzen als categorie van gevallen waarvoor geen verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad is vereist tegen de afgifte van de omgevingsvergunning, tenzij: - Er sprake is van een (bouw)project voor uitbreiding van een niet-grondgebonden veehouderijbedrijf of een niet-grondgebonden veehouderijtak."
Een project als dit, waar buiten het bouwvlak wordt gebouwd en waar alleen op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3o, van de Wabo een vergunning voor verleend kan worden, is dus in beginsel aangewezen als geval waarvoor geen vvgb is vereist. Dat is alleen anders als de vergunning zou zien op een uitbreiding van de veehouderij.
Dat gebeurt niet bij de aangevraagde vervanging van de bedrijfswoning. De omvang van het bedrijf wijzigt daarmee immers niet.
Het betoog slaagt niet.
De weigering van de vergunning
5. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de mededeling van het college dat de aangevraagde bedrijfswoning een te grote inhoud heeft, te laat is gedaan. Dit gebeurde pas met de e-mail van 15 juli 2022, terwijl de aanvraag al op 26 maart 2020 is ingediend. In reactie op de e-mail van het college heeft [appellant] aangegeven dat de zolder niet moet worden meegerekend bij het bepalen van de inhoud, omdat deze geen woonfunctie heeft. De zolder is geen bouwlaag. Dit standpunt handhaaft [appellant]. Hij betwist dus dat de bedrijfswoning een te grote inhoud heeft. Mocht het toch zo zijn dat de woning een te grote inhoud heeft, dan had de rechtbank moeten oordelen dat het college gebruik had moeten maken van de bevoegdheid om van het bestemmingsplan af te wijken. De aangevraagde nieuwe bedrijfswoning is kleiner dan de huidige bedrijfswoning en is dus een verbetering. Tot slot voldoet het bouwplan wel aan de redelijke eisen van welstand, aldus [appellant].
5.1. Het uitgangspunt bij de beoordeling van het hoger beroep is de aanvraag. Aangevraagd is één bedrijfswoning van ongeveer 1.220 m3. Voordat op de aanvraag is beslist, is aan [appellant] gemaild dat een bedrijfswoning maximaal 1.000 m3 mag zijn. Er is geen rechtsregel die het college dwong om dit eerder te melden en [appellant] had zelf kennis kunnen nemen van de bouwregels in het bestemmingsplan. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat het college bij het meten van de inhoud, gelet op de meetregels in artikel 2.10 van de planregels, terecht geen rekening heeft gehouden met de gestelde verschillende functies in de bedrijfswoning. De inhoud wordt gemeten tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels en de buitenzijde van daken en dakkapellen. Of een woonlaag definieert als een bouwlaag, is niet relevant.
[appellant] heeft bij de rechtbank niet aangevoerd dat het college gebruik had moeten maken van de bevoegdheid om van het bestemmingsplan af te wijken ten aanzien van de inhoudseis. In het omgevingsrecht kunnen beroepsgronden niet voor het eerst in hoger beroep worden aangevoerd. Een uitzondering wordt gemaakt als uitgesloten is dat andere belanghebbenden daardoor worden benadeeld. Die uitzondering doet zich bij deze beroepsgrond niet voor. De Afdeling zal deze beroepsgrond dus niet inhoudelijk bespreken.
Net als de rechtbank komt de Afdeling tot het oordeel dat het college de vergunning vanwege strijd met artikel 3.2.3, onder b, van de planregels mocht weigeren. Ook in hoger beroep wordt daarom niet toegekomen aan het betoog over de redelijke eisen van welstand.
Het betoog slaagt niet.
Een gewijzigde situatie
6. [appellant] heeft uiteengezet dat de situatie inmiddels is veranderd. Een tweede bedrijfswoning is gewenst, zodat zijn zoon daarin kan wonen. Het bouwplan voor de aangevraagde bedrijfswoning kan daarom worden aangepast. Een slaapkamer kan worden gewijzigd in een garage. De woning is dan niet meer te groot. Hij heeft in het verleden een aanvraag gedaan voor een tweede bedrijfswoning. Daarop moet nog worden beslist, aldus [appellant].
6.1. In dit geding ligt alleen de aanvraag voor zoals hiervoor genoemd. De door [appellant] voorgestelde wijziging van de aanvraag kan in hoger beroep daarom niet worden meegenomen. Over een eerdere aanvraag over een tweede bedrijfswoning, en het beslisproces, kan in dit geding geen oordeel worden gegeven.
Het betoog slaagt niet.
Schadevergoeding
7. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte zijn verzoek om schadevergoeding heeft afgewezen. Het besluit is onrechtmatig, en dus heeft hij wel recht op schadevergoeding. [appellant] klaagt tot slot over de lange duur van de procedure.
7.1. De Afdeling komt met de rechtbank tot het oordeel dat het besluit niet onrechtmatig is. Daarom bestaat er geen recht op schadevergoeding wegens een onrechtmatig besluit.
De klacht over de lange duur van het proces wordt opgevat als een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden. De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit twee rechterlijke instanties bestaat zonder voorafgaande bezwaarprocedure, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste vier jaar redelijk. Hierbij wordt twee jaar gerekend voor iedere rechterlijke fase. De termijn begint op het moment van ontvangst van het beroepschrift door de rechtbank. De rechtbank heeft het beroepschrift van [appellant] ontvangen op 4 april 2023. De redelijke termijn is op het moment van deze uitspraak dus nog niet overschreden. De Afdeling wijst het verzoek van [appellant] om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn daarom af.
Het betoog slaagt niet.
Slotsom
8. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
9. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. M.M. Kaajan, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Greben, griffier.
w.g. Kaajan
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Greben
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2026
1210