ECLI:NL:RVS:2026:5173

ECLI:NL:RVS:2026:5173

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 02-09-2026
Datum publicatie 02-09-2026
Zaaknummer 202202020/1/A3
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluiten van 30 maart 2021 heeft het college van gedeputeerde staten van Utrecht het door de Stichting de Faunabescherming, Stichting Fauna4Life en Stichting Animal Rights daartegen gemaakte bezwaren gedeeltelijk gegrond verklaard. Bij besluit van 13 augustus 2020 heeft het college aan de Stichting Faunabeheereenheid Utrecht op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) een ontheffing verleend voor het doden van vossen in de provincie Utrecht. Deze zaak gaat over een ontheffing die het college op 13 augustus 2020 heeft verleend aan de Faunabeheereenheid Utrecht voor het doden van vossen in weidevogelgebieden en bij biologische kippenbedrijven binnen de provincie Utrecht. De Stichtingen zijn het om verschillende redenen niet eens met de ontheffing. De rechtbank heeft overwogen dat de landelijke vrijstelling van artikel 3.1 van de Regeling natuurbescherming (Rnb) onverbindend is, omdat de Wnb aan de minister geen bevoegdheid geeft om een vrijstelling in een ministeriële regeling op te nemen, zoals wel is gebeurd. Volgens de rechtbank is het gevolg daarvan dat de algemene vrijstelling van het verbod om de vos te doden, niet geldt en dat de ontheffing in volle omvang moet worden getoetst aan alle wettelijke vereisten. De rechtbank heeft op basis van de aanvullende motivering die het college heeft gegeven in het verweerschrift beoordeeld of aan de wettelijke vereisten is voldaan. De rechtbank heeft geconcludeerd dat het college onvoldoende heeft onderbouwd dat het doden van vossen noodzakelijk is ter bescherming van weidevogelgebieden en pluimvee en dat geen andere bevredigende oplossingen bestaan. De rechtbank heeft het college daarom opgedragen om nieuwe besluiten te nemen.

Uitspraak

202202020/1/A3.

Datum uitspraak: 2 september 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. Stichting de Faunabescherming, gevestigd in Amstelveen,

2. het college van gedeputeerde staten van Utrecht,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden­-Nederland van 16 februari 2022 in zaken nrs. 21/1854 en 21/2143 in het geding tussen:

1. Stichting de Faunabescherming,

2. Stichting Fauna4Life en Stichting Animal Rights

en

het college.

Procesverloop

Bij besluiten van 30 maart 2021 heeft het college het door de Stichting de Faunabescherming, Stichting Fauna4Life en Stichting Animal Rights (tezamen: de Stichtingen) daartegen gemaakte bezwaren gedeeltelijk gegrond verklaard.Bij besluit van 13 augustus 2020 heeft het college aan de Stichting Faunabeheereenheid Utrecht op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) een ontheffing verleend voor het doden van vossen in de provincie Utrecht.

Bij uitspraak van 16 februari 2022 heeft de rechtbank de door de Stichtingen daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard, de besluiten van 30 maart 2021 vernietigd en het college opgedragen nieuwe besluiten te nemen.

Tegen deze uitspraak hebben de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (de minister), het college en de Stichting de Faunabescherming hoger beroep ingesteld.

De Stichting Animal Rights en Fauna4life hebben incidenteel hoger beroep ingesteld.

Het college en de Stichting Animal Rights en de Stichting Fauna4Life hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Bij besluiten van 21 maart 2023 heeft het college de bezwaren van de Stichtingen gedeeltelijk gegrond verklaard.

De Stichtingen hebben gronden ingediend tegen de besluiten van 21 maart 2023.

Het college en de Stichting Animal Rights en de Stichting Fauna4Life hebben nadere stukken ingediend.

Bij brief van 30 september 2025 heeft de minister het hoger beroep ingetrokken.

Bij brief van 29 oktober 2025 heeft het college een van de gronden van het hoger beroep ingetrokken.

Bij brief van 30 oktober 2025 hebben de Stichting Animal Rights en de Stichting Fauna4Life hun incidenteel hoger beroep ingetrokken.

Bij brief van 12 november 2025 heeft de Stichting de Faunabescherming medegedeeld dat zij de zitting niet zal bijwonen en de gronden tegen het besluit van 21 maart 2023 handhaaft.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 november 2025, waar de Stichting Animal Rights en de Stichting Fauna4Life, vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en bijgestaan door mr. M. van Duijn, advocaat in Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door mr. drs. M.C. de Smidt en mr. V.A.C. de Gier, advocaten in Rotterdam, en mr. H. de Vries en J.K. de Wit, zijn verschenen. Voorts is ter zitting de Faunabeheereenheid Utrecht, vertegenwoordigd door [gemachtigde B] en [gemachtigde C], gehoord.

Overwegingen

Overgangsrecht

1.1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een ontheffing is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 2.9, eerste lid, aanhef en onder a van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.

1.2. De aanvraag om een ontheffing is ingediend op 1 juli 2020. Dat betekent dat in dit geval de Wnb, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Inleiding

2. Deze zaak gaat over een ontheffing die het college op 13 augustus 2020 heeft verleend aan de Faunabeheereenheid Utrecht voor het doden van vossen in weidevogelgebieden en bij biologische kippenbedrijven binnen de provincie Utrecht. De Stichtingen zijn het om verschillende redenen niet eens met de ontheffing.

Uitspraak van de rechtbank

3. De rechtbank heeft overwogen dat de landelijke vrijstelling van artikel 3.1 van de Regeling natuurbescherming (Rnb) onverbindend is, omdat de Wnb aan de minister geen bevoegdheid geeft om een vrijstelling in een ministeriële regeling op te nemen, zoals wel is gebeurd. Volgens de rechtbank is het gevolg daarvan dat de algemene vrijstelling van het verbod om de vos te doden, niet geldt en dat de ontheffing in volle omvang moet worden getoetst aan alle wettelijke vereisten. De rechtbank heeft op basis van de aanvullende motivering die het college heeft gegeven in het verweerschrift beoordeeld of aan de wettelijke vereisten is voldaan. De rechtbank heeft geconcludeerd dat het college onvoldoende heeft onderbouwd dat het doden van vossen noodzakelijk is ter bescherming van weidevogelgebieden en pluimvee en dat geen andere bevredigende oplossingen bestaan. De rechtbank heeft het college daarom opgedragen om nieuwe besluiten te nemen.

Beoordeling van de hoger beroepen

Het hoger beroep van de Stichting de Faunabescherming

4. Het hoger beroep van de Stichting de Faunabescherming is niet gericht tegen de beslissing van de rechtbank, maar tegen de overwegingen die daaraan ten grondslag liggen. De Stichting betoogt dat dat de rechtbank ten onrechte haar beroepsgronden uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft verworpen. Daarover voert de Stichting de Faunabescherming aan dat de ontheffing voor het doden van de vos in de nacht, niet kan berusten op de landelijke vrijstelling van artikel 3.1, tweede lid, van de Rnb voor het doden van de vos overdag. Verder voert de Stichting de Faunabescherming aan dat het college zich ter motivering van de noodzaak van de verlening van de ontheffing voor het doden van de vos in de nacht, ten onrechte beroept op de landelijke vrijstelling. Het enkele verwijzen naar de landelijke vrijstelling is onvoldoende om noodzaak voor het doden op grond van de ontheffing aan te tonen.

4.1. De Afdeling stelt vast dat de rechtbank het beroep van de Stichting de Faunabescherming, mede op basis van de hierboven aangevoerde inhoudelijke gronden, gegrond heeft verklaard en het besluit op bezwaar van 30 maart 2021 heeft vernietigd. De beroepsgrond die de rechtbank zonder voorbehoud heeft verworpen, ziet op het betoog van de Stichting de Faunabescherming dat het college ten onrechte niet heeft beoordeeld of weidevogels zullen worden verstoord door de jacht op de vossen. Tegen dit oordeel heeft de Stichting de Faunabescherming in hoger beroep echter geen gronden naar voren gebracht.

4.2. Het betoog mist feitelijke grondslag. Het hoger beroep is daarom ongegrond.

Het hoger beroep van het college

5. Ter zitting bij de Afdeling heeft het college aangegeven dat aan de besluiten van 30 maart 2021 gebreken kleven, omdat het college daarin niet heeft kunnen volstaan met de verwijzing naar de vrijstelling van artikel 3.1, tweede lid, van de Rnb. Het college heeft ook aangegeven dat het in die besluiten ten onrechte geen inhoudelijke beoordeling heeft verricht op grond van artikel 3.10, in samenhang gelezen met artikel 3.8, vijfde lid, van de Wnb. In de besluiten van 21 maart 2023, in samenhang gelezen met de aanvullende motivering in het verweerschrift van 20 oktober 2021, heeft het college dit alsnog gedaan. Dat de rechtbank terecht tot het oordeel is gekomen dat aan de besluiten van 30 maart 2021 een motiveringsgebrek kleefde, en om die reden het college heeft opgedragen om nieuwe besluiten te nemen, is daarom geen onderdeel meer van het geschil.

5.1. Verder heeft het college in het nader stuk van 29 oktober 2025 en op de zitting bij de Afdeling het hoger beroep beperkt tot het oordeel van de rechtbank over de toetsingsmaatstaf die geldt voor de onderbouwing van de noodzaak van een ontheffing voor het doden van - in dit geval - de vos. De rechtbank heeft overwogen dat het college niet heeft aangetoond dat een toename van het aantal gedode vossen tot een afname van het predatiepercentage leidt. Volgens de rechtbank volgt uit de stukken waar het college zich op baseert evenmin dat het evident is dat de vos één van de oorzaken is van de slechte weidevogelstand. Het college stelt zich op het standpunt dat uit de uitspraak van de Afdeling van 3 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3471, volgt dat het college niet het precieze aandeel van de vos in de predatie van weidevogels hoeft aan te tonen, maar dat het college voldoende aannemelijk moet maken dat de ontheffing bijdraagt aan het belang van de bescherming van de weidevogels.

5.2. De Afdeling geeft het college hierin gelijk. In de uitspraak van 3 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3471, heeft de Afdeling overwogen dat het niet vereist is dat het college aantoont wat het precieze aandeel van de vos is in de predatie van weidevogels, of wat het effect van een groter afschot van vossen op de stand van deze vogels is. Het college moet voldoende aannemelijk maken dat de ontheffing bijdraagt aan het belang van de bescherming van weidevogels.

5.3. Het hoger beroep is gegrond.

Het beroep van de stichting Faunabescherming en de stichting Fauna4Life en Animal Rights tegen de besluiten van 21 maart 2023

6. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), heeft het bezwaar of beroep van rechtswege mede betrekking op deze besluiten, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben. Op grond van artikel 6:24 van de Awb geldt dit ook voor het hoger beroep.

6.1. Op 21 maart 2023 heeft het college nieuwe besluiten genomen. Het college heeft de eerder verleende ontheffing voor het doden van de vos ter bescherming van de weidevogels in stand gelaten en de onderbouwing daarvan nader gemotiveerd. Het college heeft de ontheffing verleend voor de duur van het Faunabeheerplan 2019-2025.

6.2. De Afdeling stelt vast dat het doel van het beroep van de Stichtingen is dat geen ontheffing wordt verleend voor het doden van de vos in de provincie Utrecht - althans, dat de verleende ontheffing wordt vernietigd - omdat zij menen dat de ontheffing niet noodzakelijk is ter bescherming van de weidevogels. De Afdeling is van oordeel dat de Stichtingen in dit geval geen belang meer hebben bij de inhoudelijke beantwoording van deze vraag. De bij de besluiten van 21 maart 2023 in stand gelaten ontheffing is inmiddels niet meer van kracht. De wet op grond waarvan de in stand gelaten ontheffing is gebaseerd, de Wnb, is ingetrokken. Hetzelfde geldt voor de op deze wet gebaseerde regelingen, die eveneens aan de besluiten van 21 maart 2023 ten grondslag zijn gelegd. Ook het Faunabeheerplan 2019-2025 dat mede aan dit besluit ten grondslag lag, is niet meer van kracht. De Afdeling acht het niet aannemelijk dat beantwoording van de vraag of het college in dit geval, ten tijde van belang, aannemelijk mocht achten dat het doden van de vos noodzakelijk is ter bescherming van de weidevogels, in relevante mate van betekenis zal zijn voor toekomstige besluitvorming en de beoordeling daarvan. Daarbij neemt de Afdeling niet alleen in aanmerking dat op eventuele toekomstige aanvragen een ander wettelijk regime en een ander Faunabeheerplan van toepassing zullen zijn, maar ook dat aannemelijk is dat de concrete inhoud van eventuele toekomstige aanvragen strekkende tot het verkrijgen van toestemming voor het doden van de vos, anders zal zijn dan de aanvraag die aan de besluiten van 21 maart 2023 ten grondslag lag. Daarbij is ook aannemelijk dat, vanwege het tijdsverloop sinds maart 2023, de relevante feiten en omstandigheden in belangrijke mate gewijzigd zijn. De Stichtingen hebben daarom onvoldoende belang bij de inhoudelijke beoordeling van hun beroepen tegen de besluiten van 21 maart 2023.

6.3. Dit betekent dat, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb geen beroep van rechtswege is ontstaan.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep van de Stichting de Faunabescherming ongegrond;

II. verklaart het hoger beroep van het college van gedeputeerde staten van Utrecht gegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. B.P.M. van Ravels, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.S. Venema, griffier.

w.g. Hoekstra

voorzitter

w.g. Venema

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2026

973

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. J. Hoekstra
  • mr. J.Th. Drop
  • mr. B.P.M. van Ravels

Griffier

  • mr. R.S. Venema

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand