202406591/1/A3.
Datum uitspraak: 2 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in Deurningen,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 13 september 2024 in zaak nr. 23/1696 in het geding tussen:
[appellante]
en
het college van burgemeester en wethouders van Dinkelland.
Procesverloop
Bij besluit van 17 maart 2023 heeft het college het verzoek om handhaving van [appellante] afgewezen.
Bij besluit van 27 juni 2023 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 13 september 2024 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 5 januari 2026, waar het college, vertegenwoordigd door S.J.M. Kuipers-Wigbold, M.M. Waanders-Brouwer en K. Lammers, is verschenen. Deze zaak is gelijktijdig op zitting behandeld met zaak nr. 202506590/1/A3.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellante] woont aan de [locatie] in Deurningen. Op het perceel achter haar woning is de horecagelegenheid Pelle’s Eten & Drinken (Pelle’s) gevestigd. Pelle’s organiseert jaarlijks een Weizenmiddag. Bij besluit van 27 februari 2023 heeft de burgemeester Pelle’s een vergunning verleend voor het organiseren van het evenement ‘Weizenmidddag 2023’ (het evenement) op 7 mei 2023. Aan de evenementenvergunning heeft de burgemeester voorschriften verbonden, waaronder voorschriften voor het toegestane geluid en het voorkomen van ernstige geluidsoverlast. [appellante] heeft het college op 6 maart 2023 verzocht om preventief handhavend op te treden tegen de te verwachten geluidshinder als gevolg van de activiteiten tijdens het evenement van 7 mei 2023. Dat verzoek heeft het college afgewezen en vervolgens heeft het college het bezwaar van [appellante] daartegen ongegrond verklaard. [appellante] is ook tegen de evenementenvergunning opgekomen. Het hoger beroep in die procedure is op 5 januari 2026 gelijktijdig behandeld met deze zaak en de Afdeling doet in die procedure gelijktijdig uitspraak.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college het handhavingsverzoek van [appellante] terecht heeft afgewezen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat geen sprake is van een (dreigende) overtreding wegens strijd met het bestemmingsplan "Deurningen" en het parapluplan "Kernen gemeente Dinkelland" of normen in het Activiteitenbesluit. De rechtbank heeft ter onderbouwing daarvan vastgesteld dat het college op 31 maart 2020 aan Pelle’s een omgevingsvergunning heeft verleend voor activiteiten die passen binnen de bestemming horeca categorie 2. Voor zover het evenement ‘Weizenmiddag 2023’ niet valt onder de werking van de omgevingsvergunning van 31 maart 2020, is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van strijd met de bestemming horecacategorie 1 en 2. Er is namelijk sprake van een kortdurend en incidenteel evenement, dat geen of weinig effect heeft op de leefomgeving. [appellante] heeft de door haar ondervonden overlast of gestelde ruimtelijke effecten van het evenement ‘Weizenmiddag 2023’ niet nader onderbouwd. Verder blijkt uit de metingen van de Omgevingsdienst Twente dat de geluidvoorschriften verbonden aan de evenementenvergunning niet zijn overschreden en was er ook om die reden geen aanleiding om over te gaan tot handhaving.
Beoordeling hoger beroep
3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het handhavingsverzoek terecht is afgewezen. Volgens haar was er aanleiding om over te gaan tot handhaving omdat er sprake is van strijd met het bestemmingsplan en ook strijd met de geluidsnormen uit het Activiteitenbesluit Milieubeheer. Volgens [appellante] had wat betreft de strijdigheid met het bestemmingsplan een verklaring van geen bedenkingen moeten worden afgegeven door de gemeenteraad. Verder bestrijdt [appellante] dat het evenement een kortdurend en incidenteel evenement is, dat geen of weinig effect heeft op de leefomgeving, en kan het niet zo zijn dat op deze wijze in strijd met het bestemmingsplan kan worden gehandeld.
3.1. De Afdeling stelt allereerst vast dat [appellante] niet de overweging van de rechtbank bestrijdt dat het college op 31 maart 2020 een omgevingsvergunning heeft verleend aan Pelle’s waardoor het gebruik van de gronden met de bestemming detailhandel ten behoeve van activiteiten die passen binnen de bestemming horeca categorie 2 zijn toegestaan, en dat deze vergunning in rechte vaststaat.
3.2. Wat [appellante] in hoger beroep hierover heeft aangevoerd is zo goed als een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellante] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de uitspraak van de rechtbank onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 7.3.2 tot en met 7.4 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. De Afdeling voegt daaraan toe dat [appellante] de door haar ondervonden overlast of gestelde ruimtelijke effecten van het evenement in beroep en ook in hoger beroep niet nader heeft onderbouwd. Ook stelt zij dat het evenement effect heeft op de leefomgeving, wat zij evenmin heeft onderbouwd. Dit terwijl uit de metingen van de Omgevingsdienst Twente tijdens het evenement ‘Weizenmiddag 2023’ volgt dat de geluidvoorschriften verbonden aan de evenementenvergunning toen niet zijn overschreden. [appellante] heeft die metingen niet met stukken betwist.
3.3. Al hetgeen [appellante] in hoger beroep verder nog heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel en kan onbesproken blijven.
Conclusie
4. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
5. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. van Wezep, griffier.
w.g. Minderhoud
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Wezep
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2026
844