202404703/1/R4.
Datum uitspraak: 2 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appelante], gevestigd in Augsbuert-Lytsewâld, gemeente Noardeast-Fryslân,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 18 juni 2024 in zaak nr. 22/4352 in het geding tussen:
de maatschap
en
het college van burgemeester en wethouders van Noardeast-Fryslân.
Procesverloop
Bij besluit van 26 januari 2022 heeft het college de aanvraag van de maatschap om een omgevingsvergunning voor onder meer het verplaatsen van 15 stuks jongvee buiten behandeling gesteld.
Bij besluit van 11 oktober 2022 heeft het college het door de maatschap daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 18 juni 2024 heeft de rechtbank het door de maatschap daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de maatschap hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De maatschap heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 augustus 2026, waar de maatschap, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college van burgemeester en wethouders van Noardeast-Fryslân, vertegenwoordigd door mr. C.R. Post, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 7 december 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, de Wet milieubeheer (Wm) en het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.), zoals die golden vóór 1 januari 2024, van toepassing blijven.
Wettelijk kader
2. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Inleiding
3. De maatschap heeft een veehouderij op het adres [locatie A] in Augsbuurt. Zij heeft een aanvraag ingediend om de inrichting milieuneutraal te wijzigen. De wijzigingen zijn het verplaatsen van 15 stuks jongvee, het bouwen van een wagenberging, het ombouwen van het jongveegedeelte naar melkvee in de melkveestal en het verplaatsen van de dieseltank, de vaste mestopslag en de kunstmestsilo. In de toelichting bij de aanvraag heeft ze geschreven dat een m.e.r.-beoordelingsbesluit niet nodig is. Dit is een besluit waarin wordt beoordeeld of vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die de activiteiten voor het milieu kunnen hebben, een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Er is namelijk, zo wordt aangegeven in de toelichting, geen sprake van het oprichten, wijzigen of uitbreiden van een installatie. De veehouderij moet volgens de maatschap als één installatie worden gezien en binnen de veehouderij wijzigt het aantal stuks jongvee niet.
4. Volgens het college is wel sprake van een wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren. De melkveestal is volgens het college een installatie op zichzelf. Het aantal dieren in de jongveestal breidt uit. Daardoor valt de activiteit onder categorie D14 in de bijlage bij het Besluit m.e.r. en moet worden beoordeeld of een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Dat de drempelwaarden in kolom 2 niet worden gehaald, maakt dat niet anders. Dat betekent dat voorafgaand aan of tegelijk met het indienen van een aanvraag voor een omgevingsvergunning een aanmeldnotitie moet worden ingediend. Dat is niet gebeurd. De toelichting bij de aanvraag kan volgens het college niet als aanmeldnotitie worden aangemerkt. Artikel 7.28, derde lid, aanhef en onder a, van de Wm bepaalt dat het college de aanvraag buiten behandeling moet stellen als een aanmeldnotitie ontbreekt. Dat heeft het gedaan. Dit besluit heeft het in bezwaar gehandhaafd.
Uitspraak van de rechtbank
5. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college terecht een aanmeldnotitie eiste van de maatschap. De aangevraagde activiteit valt binnen de omschrijving in kolom 1 van categorie D14 in de bijlage bij het Besluit m.e.r. De melkveestal en de jongveestal zijn namelijk twee verschillende installaties in de zin van kolom 1 van categorie D14 en het aantal stuks jongvee in de jongveestal neemt toe door de verplaatsing. De rechtbank heeft hierbij verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 18 september 2002, ECLLNL:RVS:2002:AE7749.
De drempelwaarden van kolom 2 in de bijlage worden niet overschreden. Toch is volgens de rechtbank een m.e.r.-beoordelingsbesluit nodig. Dit volgt uit artikel 2, vijfde lid, aanhef en onder b, van het Besluit m.e.r. Het besluit op de aanvraag van de maatschap is een besluit als omschreven in kolom 4. Omdat een m.e.r.-beoordelingsbesluit moet worden genomen, moet de maatschap een aanmeldnotitie indienen bij de aanvraag. Dit volgt uit artikel 7.2, eerste lid, aanhef en onder b, in combinatie met artikel 7.16, eerste lid, van de Wm.
De toelichting die de maatschap bij de aanvraag heeft gegeven, heeft het college niet als aanmeldnotitie hoeven aanmerken. Daarin heeft de maatschap namelijk expliciet gesteld dat een m.e.r.-beoordeling volgens haar niet aan de orde is. Volgens de rechtbank is dus juist niet beoogd een mededeling te doen als bedoeld in artikel 7.16, eerste lid, van de Wm. Los daarvan voldoet de toelichting volgens het college niet aan de eisen van een aanmeldnotitie. Die stelling is door de maatschap niet betwist.
Bij het ontbreken van een aanmeldnotitie moet het college ingevolge artikel 7.28, derde lid, aanhef en onder a, van de Wm een aanvraag om een omgevingsvergunning buiten behandeling stellen. Dat artikel is een lex specialis ten opzichte van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het artikel in de Awb, dat het college de mogelijkheid geeft een aanvraag aan te laten vullen, is daarom volgens de rechtbank niet van toepassing. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college terecht de aanvraag buiten behandeling heeft gesteld vanwege het ontbreken van een aanmeldnotitie.
Hoger beroep
Was een aanmeldnotitie vereist?
6. De maatschap betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college een aanmeldnotitie mocht eisen. Bij een voorgenomen uitbreiding van een veehouderij bestaat slechts een verplichting tot een m.e.r.-beoordelingsbesluit indien de uitbreiding meer bedraagt dan de in de bijlage bij het Besluit m.e.r. vermelde drempelwaarden. Het aantal dieren op de veehouderij blijft gelijk, dus de drempelwaarden worden niet overschreden. Ze verwijst naar uitspraken van de Afdeling van 30 maart 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP9585, 3 april 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ7545, en 28 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:700. Er is geen sprake van een wijziging of uitbreiding van een installatie en dus was het indienen van een aanmeldnotitie niet vereist, aldus de maatschap.
6.1. De uitspraken waar de maatschap naar verwijst ondersteunen het standpunt van de maatschap niet. In de uitspraken van 30 maart 2011 en 3 april 2013 gold oud recht. Toen gold voor het college geen verplichting om zich ervan te vergewissen of een activiteit daadwerkelijk geen aanzienlijke milieugevolgen kan hebben als de drempelwaarden van de bijlage bij het Besluit m.e.r. niet worden gehaald. Deze vergewisplicht is vanaf 1 april 2011 in artikel 2, vijfde lid, aanhef en onder b, van het Besluit m.e.r. opgenomen. Uit de uitspraak van 28 februari 2018 volgt ook niet dat het standpunt van de maatschap moet worden gevolgd. In die uitspraak lag de vraag voor of sprake was van een oprichting van een nieuwe installatie en niet, zoals in dit geval, van een wijziging of uitbreiding van een installatie. Artikel 2 van onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r. bepaalt dat sprake is van een wijziging in het geval van een reconstructie of verandering anderszins van een bestaande inrichting. De wijzigingen van de inrichting waarvoor de maatschap de omgevingsvergunning heeft aangevraagd zijn naar het oordeel van de Afdeling aan te merken als een ‘verandering anderszins’ als bedoeld in artikel 2 van onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat sprake is van een activiteit die genoemd wordt in kolom 2 van onderdeel D.14 van de bijlage bij het Besluit m.e.r., dat er sprake is van een besluit als genoemd in kolom 4 van de bijlage en dat daarom een aanmeldnotitie bij de aanvraag moest worden ingediend.
Het betoog slaagt niet.
Kan de toelichting bij de aanvraag dienen als aanmeldnotitie?
7. De maatschap betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de toelichting bij de aanvraag niet als aanmeldnotitie kon dienen. Het gaat om een zeer beperkte wijziging waarvan inzichtelijk is gemaakt dat er geen negatieve effecten zullen optreden. De inhoud is gericht op de gevolgen die door het verplaatsen kunnen ontstaan. Dat is voldoende bij een vormvrije m.e.r. beoordeling, zoals hier het geval. Het college heeft niet onderbouwd dat sprake is van nadelige gevolgen. Het heeft in strijd gehandeld met artikel 3:2 van de Awb door niet de nodige kennis omtrent de relevante feiten en af te wegen belangen te vergaren. Het had het advies van de bezwaarschriftencommissie moeten volgen en de toelichting als aanmeldnotitie aan moeten merken, aldus de maatschap.
7.1. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat het college de toelichting bij de aanvraag niet aan kon merken als aanmeldnotitie. In de aanvraag staat dat de wijziging een milieuneutrale wijziging is en dat een m.e.r. beoordeling niet aan de orde is. Daaruit blijkt dat de maatschap juist niet de bedoeling had een aanmeldnotitie aan te leveren. Bovendien heeft het college overtuigend toegelicht dat de toelichting niet voldoende informatie bevat voor een aanmeldnotitie. Zo ontbreken onder meer een beschrijving van de fysieke kenmerken van de voorgenomen activiteit, de locatie van de gehele activiteit en een concrete uitleg over de effecten van de uitbreiding van de jongveestal. Dat is wel vereist in een aanmeldnotitie op grond van artikel 7.16, vierde lid, van de Wm.
Het betoog slaagt niet.
Had de maatschap in de gelegenheid gesteld moeten worden de aanvraag aan te vullen?
8. De maatschap betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college haar geen herstelmogelijkheid kon bieden. De rechtbank heeft zonder onderbouwing de verwijzing van de maatschap naar de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 4 maart 2021, ECLI:NL:RBOBR:2021:988, afgedaan als een andere situatie. Deze uitspraak gaat over een vergelijkbare situatie. Artikel 4:5 van de Awb is wel van toepassing, aldus de maatschap.
8.1. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de situatie in de uitspraak van 4 maart 2021 een andere situatie is. In die uitspraak was de situatie aan de orde dat tussen de aanvraag en het moment waarop het besluit werd genomen artikel 7.28 van de Wm was gewijzigd. De rechtbank oordeelde in die uitspraak dat het college rekening had moeten houden met het feit dat het wettelijke systeem anders was ten tijde van de aanvraag. De zorgvuldigheid verlangde in dit geval dat het college de mogelijkheid bood de aanvraag aan te vullen. In het geval van de maatschap is de wet duidelijk. Ingevolge artikel 7.28, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer laat het college de aanvraag buiten behandeling indien bij het indienen van de aanvraag geen aanmeldnotitie is gevoegd. Het college heeft geen beslissingsruimte. Artikel 7.28, derde lid, aanhef en onder a, van de Wm gaat voor op artikel 4:5 van de Awb en daarom is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat het college niet de gelegenheid kon bieden de aanvraag aan te vullen met een aanmeldnotitie.
Het betoog slaagt niet.
Slotsom
9. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
10. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. M.M. Kaajan, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Greben, griffier.
w.g. Kaajan
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Greben
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2026
1210
BIJLAGE
Wet milieubeheer
Artikel 7.2
1. Bij algemene maatregel van bestuur worden de activiteiten aangewezen:
a. […]
b. ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben.
[…].
3. Terzake van de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder b, worden de categorieën van besluiten aangewezen in het kader waarvan het bevoegd gezag krachtens de artikelen 7.17 of 7.19 moet beoordelen of die activiteiten de in dat onderdeel bedoelde gevolgen hebben, en indien dat het geval is, bij de voorbereiding waarvan een milieueffectrapport moet worden gemaakt.
[…].
Artikel 7.16
1. Indien degene die een activiteit wil ondernemen, aangewezen krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder b, voornemens is een verzoek in te dienen tot het nemen van een besluit als bedoeld in het vierde lid van dat artikel, deelt hij dat voornemen schriftelijk mee aan het bevoegd gezag.
[…].
4. Bij de mededeling, bedoeld in het eerste lid, kan degene die de activiteit wil ondernemen een beschrijving verstrekken van de kenmerken van de voorgenomen activiteit en van de geplande maatregelen om waarschijnlijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te vermijden of te voorkomen.
[…].
Artikel 7.28
[…].
3. Het bevoegd gezag laat de aanvraag tevens buiten behandeling indien deze betreft een krachtens artikel 7.2, vierde lid, aangewezen besluit voor andere gevallen dan bedoeld in het tweede lid, en
a. bij het indienen van de aanvraag geen afschrift is gevoegd van de mededeling, bedoeld in artikel 7.16, eerste lid, of
b. […].
[…].
Besluit milieueffectrapportage
Artikel 2
1. […].
2. Als activiteiten als bedoeld in artikel 7.2, eerste lid, onder b, van de wet worden aangewezen de activiteiten die behoren tot een categorie die in onderdeel D van de bijlage is omschreven, […].
[…].
5. […]. Voor zover in de bijlage, onderdeel D, bij een categorie van activiteiten categorieën van gevallen zijn aangegeven, geldt:
a. de verplichting tot het toepassen van de artikelen 7.16 tot en met 7.19 en 7.20a van de wet in zodanige gevallen, en
b. de verplichting tot het toepassen van de artikelen 7.16, 7.17, eerste tot en met vierde lid, 7.18, 7.19, eerste en tweede lid, en 7.20a van de wet in overige gevallen, […].
[…].
Bijlage behorende bij het Besluit milieueffectenrapportage
Onderdeel A. Begripsbepaling
1. In deze bijlage wordt verstaan onder:
installatie: een of meer installaties binnen een inrichting voor zover het de activiteit betreft als bedoeld in kolom 1 van de onderdelen C en D;
[…].
2. In deze bijlage wordt mede verstaan onder:
wijziging: een reconstructie of verandering anderszins van […] bestaande inrichtingen;
uitbreiding: het opnieuw in gebruik nemen van […] bestaande inrichtingen;
[…].
Onderdeel D. Activiteiten, plannen en besluiten, ten aanzien waarvan de procedure als bedoeld in de artikelen 7.16 tot en met 7.20 van de wet van toepassing is
Kolom 1 Kolom 2 Kolom 3 Kolom 4
Activiteiten Gevallen Plannen Besluiten
D 14 De oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren. In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op meer dan:
1°. 40.000 stuks pluimvee (Rav1 cat. E, F, G en J),
2°. 2000 stuks mestvarkens (Rav cat. D.3),
3°. 750 stuks zeugen (Rav cat. D.1.2, D.1.3 en D.3 voor zover het opfokzeugen betreft),
4°. 3750 stuks gespeende biggen (biggenopfok) (Rav cat. D.1.1),
5°. 5000 stuks pelsdieren (fokteven) (Rav cat. H.1 t/m H.3),
6°. 1000 stuks voedsters of 6000 vlees- en opfokkonijnen tot dekleeftijd (Rav cat. I.1 en I.2), De structuurvisie, bedoeld in de artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en de plannen, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van die wet, de vaststelling van het inrichtingsplan, bedoeld in artikel 17 van de Wet inrichting landelijk gebied, het reconstructieplan, bedoeld in artikel 11 van de Reconstructiewet concentratiegebieden en het plan bedoeld in artikel 18 van de Reconstructiewet concentratiegebieden. Een besluit waarop afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn dan wel waarop titel 4.1 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is.