ECLI:NL:RVS:2026:5186

ECLI:NL:RVS:2026:5186

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 02-09-2026
Datum publicatie 02-09-2026
Zaaknummer 202305140/1/R2
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij afzonderlijke besluiten van 13 juli 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Helmond [appellanten] onder oplegging van een dwangsom gelast om voor 1 oktober 2020 de zonder omgevingsvergunning op de percelen [locatie A] en [locatie B] in Helmond gerealiseerde erfafscheidingen te verwijderen, te verlagen tot 1 m, of te verplaatsen tot achter de voorgevelrooilijn. [appellanten] zijn eigenaren van respectievelijk de percelen [locatie A] en [locatie B] in Helmond. In september 2019 heeft een toezichthouder van de gemeente geconstateerd dat aan de voorzijde van deze percelen zonder omgevingsvergunning erfafscheidingen zijn geplaatst. Het college heeft hen in verband daarmee bij brieven van 15 januari 2020 een voornemen tot handhaving toegestuurd. Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van een overtreding en het college bevoegd was om handhavend op te treden. [appellanten] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het door het college gevoerde handhavingsbeleid zoals neergelegd in de "Beleidsregel handhaving particuliere bouwwerken Helmond 2013" in algemene zin onevenredig is.

Uitspraak

202305140/1/R2.

Datum uitspraak: 2 september 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], wonend in Helmond,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-­Brabant van 6 juli 2023 in zaken nrs. 21/2290 en 21/2298 in de gedingen tussen:

[appellanten]

en

het college van burgemeester en wethouders van Helmond.

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 13 juli 2020 heeft het college [appellanten] onder oplegging van een dwangsom gelast om voor 1 oktober 2020 de zonder omgevingsvergunning op de percelen [locatie A] en [locatie B] in Helmond gerealiseerde erfafscheidingen te verwijderen, te verlagen tot 1 m, of te verplaatsen tot achter de voorgevelrooilijn.

Bij afzonderlijke besluiten van 11 augustus 2021 heeft het college de door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 juli 2023 heeft de rechtbank de door [appellanten] daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard en de besluiten van

16 augustus 2021 (lees: 11 augustus 2021) vernietigd.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

[appellanten] hebben nadere stukken ingediend.

Bij besluiten van 18 oktober 2023 heeft het college opnieuw op de bezwaren van [appellanten] besloten en deze opnieuw ongegrond verklaard.

[appellanten] hebben beroepsgronden ingediend tegen deze besluiten.

Het college heeft daarop een schriftelijke reactie gegeven.

De Afdeling heeft de zaak tegelijkertijd met zaak nr. 202404589/1/R2 op een zitting behandeld op 24 november 2025, waar [appellanten], bijgestaan door mr. J. van Berkel, advocaat in Someren, en het college, vertegenwoordigd door mr. Y.J.A.M. Willems en mr. S. Rotman, zijn verschenen.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet een overtreding heeft plaatsgevonden, is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en vóór dat tijdstip een last onder dwangsom is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, dan blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet op die opgelegde last onder dwangsom het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven.

Bij besluiten van 13 juli 2020 heeft het college [appellanten] een last onder dwangsom opgelegd. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

2. De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Inleiding

3. [appellanten] zijn eigenaren van respectievelijk de percelen [locatie A] en [locatie B] in Helmond. In september 2019 heeft een toezichthouder van de gemeente geconstateerd dat aan de voorzijde van deze percelen zonder omgevingsvergunning erfafscheidingen zijn geplaatst. Het college heeft hen in verband daarmee bij brieven van 15 januari 2020 een voornemen tot handhaving toegestuurd.

Bij de besluiten van 13 juli 2020 is het college tot handhaving overgegaan. Het heeft aan de lasten ten grondslag gelegd dat [appellanten] in strijd met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, en artikel 2.3a, eerste lid, van de Wabo hebben gehandeld door de erfafscheidingen zonder de vereiste omgevingsvergunningen voor de activiteiten bouwen en afwijken van het bestemmingsplan te bouwen en in stand te laten. Volgens het college is een omgevingsvergunning vereist voor het bouwen van de erfafscheidingen en ook voor het afwijken van het bestemmingsplan, omdat artikel 16.2.3 van de planregels van het bestemmingsplan "Rijpelberg-Brouwhuis" bepaalt dat erfafscheidingen alleen voor zover geplaatst op minimaal 3 m achter de voorgevellijn, een bouwhoogte van 2 m mogen hebben. Daaraan is niet voldaan.

Het oordeel van de rechtbank

4. De rechtbank heeft vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat het plaatsen van de erfafscheidingen in strijd is met artikel 2.1 van de Wabo, zodat het college bevoegd was om handhavend op te treden.

Anders dan [appellanten] hebben betoogd, heeft zij verder de "Beleidsregel handhaving particuliere bouwwerken Helmond 2013" niet onevenredig geacht en de handhaving in de specifieke gevallen van [appellanten] ook niet. Zij heeft verder geoordeeld dat voor de overtredingen geen concreet zicht op legalisering bestaat. Zij heeft over het beroep op het gelijkheidsbeginsel geoordeeld dat het college voldoende onderzoek heeft gedaan naar de door [appellanten] in het geding gebrachte, volgens hen vergelijkbare andere gevallen. Zij heeft geoordeeld dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt, omdat het college naar haar oordeel een aantal andere gevallen op onjuiste gronden niet als vergelijkbare gevallen heeft aangemerkt.

De lasten onder dwangsom

Is er een overtreding?

5. Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van een overtreding en het college bevoegd was om handhavend op te treden.

Beginselplicht tot handhaving

6. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678, geldt bij handhavingsbesluiten, bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel, de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak (uitspraak van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285). Daarbij geldt als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving blijft dus voorop staan.

Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisering, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.

De gronden van het hoger beroep

- Over de Beleidsregel

7. [appellanten] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het door het college gevoerde handhavingsbeleid zoals neergelegd in de "Beleidsregel handhaving particuliere bouwwerken Helmond 2013" in algemene zin onevenredig is. Zij stellen dat daarom ook de handhaving in hun gevallen onevenredig is. De rechtbank heeft dit naar zij stellen niet onderkend, omdat zij geen duidelijk onderscheid heeft gemaakt tussen de verschillende in de Beleidsregel genoemde gevallen. Als dat onderscheid wel wordt gemaakt, blijkt volgens hen dat het beleid willekeurig en onredelijk is. Het beleid voorziet volgens hen in verschillende situaties waarin feitelijk wordt afgezien van handhavend optreden. Dat maakt het onredelijk dat dit in hun gevallen niet is gebeurd. Daarnaast heeft de rechtbank volgens hen miskend dat het handhavingsbeleid van het college niet doordacht is en niet consistent wordt toegepast.

7.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijv. de uitspraak van 4 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1982), mogen bij de handhaving prioriteiten worden gesteld, om in het kader van een doelmatige handhaving onderscheid te maken in de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan de handhavingstaak.

De rechtbank heeft terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de wijze waarop dat in de Beleidsregel is gebeurd, onevenredig is. Anders dan [appellanten] betogen, blijkt niet dat de rechtbank de verschillende in het beleid genoemde situaties onvoldoende bij het oordeel heeft betrokken. Zij heeft terecht, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1725), de keuze om in het beleid meer prioriteit te geven aan de handhaving van nieuwe gevallen dan aan die van oudere gevallen, niet onevenredig geacht. Dit geldt ook voor de keuze dat van een nieuw geval geen sprake meer is, als het bouwwerk ten tijde van de constatering langer dan 2 jaar aanwezig is. De bouwwerken van [appellanten] zijn, naar niet in geschil is, nieuwe gevallen in de zin van het beleid. Dat het, zoals zij stellen, niet redelijk is dat het moment van constateren bepaalt hoe met een overtreding wordt omgegaan, maakt het beleid niet onevenredig.

De Afdeling is verder van oordeel dat ook de wijze waarop de handhaving tegen oudere gevallen in de Beleidsregel is geregeld niet onevenredig is. Volgens de Beleidsregel hebben oudere gevallen minder prioriteit bij actieve handhavingsmaatregelen, maar komen deze wel aan de orde wanneer het gebied waarin het bouwwerk zich bevindt wordt geïnventariseerd in het kader van de Gebiedsgerichte inventarisatie Helmond, of eerder, naar aanleiding van een klacht of een melding. In het laatste geval worden overtredingen die niet als nieuw zijn aan te merken volgens de Beleidsregel per situatie beoordeeld. Op de zitting is door het college bevestigd dat in gevallen waarover een melding binnenkomt altijd wordt beoordeeld of tot handhaving moet worden overgegaan.

Dat, zoals [appellanten] stellen, de uitvoering van de handhaving niet met het voorgaande in lijn is, omdat al langere tijd geen gebiedsgerichte inventarisatie heeft plaatsgevonden en het beleid niet uitsluit dat er gevallen zullen zijn waartegen niet zal worden opgetreden, leidt ook niet tot oordeel dat het beleid onevenredig is. De rechtbank heeft terecht de motivering van het college, dat langere tijd geen gebiedsinventarisatie heeft plaatsgevonden door personeelstekorten en door COVID-19, voldoende geacht. Zij heeft ook terecht overwogen dat niet is gebleken dat geen enkele handhaving plaatsvindt ten aanzien van oudere gevallen. Het college heeft er verder terecht op gewezen dat het bouwen zonder of in strijd met een vergunning een in de Beleidsregel geprioriteerde handhavingstaak is en dat wel degelijk handhavend wordt opgetreden tegen zulke overtredingen, ook in oudere gevallen. Hiervan heeft het college een lijst van gevallen in het geding gebracht. Het college heeft aldus inzichtelijk gemaakt hoe volgens de Beleidsregel uitvoering wordt gegeven aan de handhavingstaak.

De rechtbank heeft de Beleidsregel terecht niet in algemene zin onevenredig geacht. Daarom maakt de toepassing van de Beleidsregel ook de handhaving in de gevallen van [appellanten] niet onevenredig.

Het betoog slaagt niet.

- Het gelijkheidsbeginsel

8. [appellanten] betogen verder dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat het onderzoek dat het college heeft gedaan naar 111 door hen aangeleverde, volgens hen vergelijkbare gevallen, voldoende is geweest. Zij stellen dat het college ook de in beroep nog aangeleverde 330 andere gevallen had moeten beoordelen. Volgens hen hebben zij die ook tijdig bij het college aangeleverd en kon deze beoordeling, anders dan de rechtbank heeft overwogen, wel van het college worden gevergd. Tijdgebrek mag volgens hen geen reden zijn om daarvan af te zien en was dat ook niet, ook omdat die gevallen al in een andere procedure waren beoordeeld. Bovendien moest deze beoordeling ook nog plaatsvinden ten behoeve van de nieuw te nemen besluiten op bezwaar.

Zij stellen verder dat de rechtbank ten onrechte voldoende heeft geacht dat het college de andere gevallen uitsluitend met het Geografisch Informatie Systeem (GIS) heeft beoordeeld.

8.1. Schending van het gelijkheidsbeginsel kan zoals vermeld een bijzondere omstandigheid vormen die kan nopen tot het afzien van handhavend optreden. Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel moeten dan de gevallen op relevante punten gelijk zijn. Het moet gaan om een gelijk geval, dat door het bestuursorgaan ongelijk wordt behandeld, zonder dat daarvoor een objectieve rechtvaardiging bestaat. Hieraan is inherent dat het bestuursorgaan wetenschap moet hebben van zulke gevallen en daartegen desondanks niet optreedt, terwijl het in het voorliggende geval wel optreedt.

8.2. De rechtbank heeft overwogen dat uit het onderzoek dat het college in het kader van het gelijkheidsbeginsel heeft uitgevoerd naar de 111 in de zienswijzen- en bezwaarfase naar voren gebrachte gevallen, bleek dat 8 gevallen mogelijk vergelijkbaar waren. Tegen een daarvan heeft het college inmiddels ook daadwerkelijk handhavend opgetreden en in vier van de zeven andere gevallen zijn na de rechtbankuitspraak ook aanschrijvingen gedaan. De rechtbank heeft het college gevolgd in het standpunt dat de drie resterende gevallen uiteindelijk geen vergelijkbare gevallen zijn, omdat daar de erfafscheidingen, anders dan bij [appellanten], niet voor de voorgevelrooilijn staan.

[appellanten] hebben tijdens de beroepsprocedure, bij brief aan de rechtbank van 8 november 2022 nog een aanvullende lijst met 388 foto’s van volgens hen vergelijkbare gevallen in het geding gebracht. Tijdens het hoger beroep hebben zij nog 682 andere gevallen bij het college naar voren gebracht.

8.3. Het college heeft op de zitting gesteld dat als mocht blijken dat zich onder deze honderden in (hoger) beroep nog aangevoerde aanvullende gevallen daadwerkelijk gelijke gevallen bevinden, het ook daartegen handhavend zal optreden.

De Afdeling acht dat onder de gegeven omstandigheden voldoende. De toets aan het gelijkheidsbeginsel vereist niet dat het college zijn bevoegdheid om handhavend op te treden in dit geval eerst had mogen aanwenden nadat het eerst het gehele relevante gebied van de gemeente in kaart had gebracht met betrekking tot mogelijk vergelijkbare overtredingen en daartegen indien nodig ook al handhavend zou hebben opgetreden. Het college kan deze gevallen zoals het heeft gesteld, in verband met een beperkte handhavingscapaciteit nu eenmaal niet allemaal tegelijk aanpakken. Daarom is de voormelde reactie van het college voldoende. Het college heeft onderzoek gedaan naar de in eerste instantie genoemde gevallen en heeft aannemelijk kunnen achten dat de andere, later aangevoerde gevallen tot een ander onderzoeksresultaat zouden kunnen leiden. Zoals het college heeft opgemerkt, zijn er onder de vele later nog aangevoerde andere gevallen ook veel gevallen die op het eerste gezicht al niet vergelijkbaar zijn, omdat die erfafscheidingen bijvoorbeeld niet voor de voorgevel staan, of lager zijn dan die van [appellanten].

De rechtbank heeft daarom in het voorgaande terecht geen grond gevonden voor vernietiging van de in beroep bestreden besluiten.

Zij heeft ook terecht geoordeeld dat het college het bouwjaar van de onderzochte erfafscheidingen heeft kunnen bepalen aan de hand van het GIS. Het aangevoerde leidt niet tot een ander oordeel, omdat niet is gesteld waarom het GIS niet tot juiste conclusies over de bouwjaren zou hebben geleid. Het betoog slaagt niet.

Conclusie over het hoger beroep

9. Het hoger beroep is ongegrond.

De nadere besluiten

10. Bij besluiten van 18 oktober 2023 heeft het college opnieuw op de bezwaren besloten, deze opnieuw ongegrond verklaard en de besluiten van 13 juli 2020 in stand gelaten.

Deze besluiten worden, gelet op artikel 6:24 van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.

De beroepsgronden tegen de nadere besluiten

11. [appellanten] hebben de beroepsgrond over mogelijk concreet zicht op legalisering van de overtreding op de zitting ingetrokken.

- De Beleidsregel

12. [appellanten] betogen dat de "Beleidsregel handhaving particuliere bouwwerken Helmond 2013" in algemene zin onevenredig is en dat daarom ook de handhaving in hun gevallen onevenredig is.

12.1. Deze beroepsgrond is ook in hoger beroep naar voren gebracht. De Afdeling heeft daar hiervoor onder 7.1. al over geoordeeld en het betoog niet gevolgd. Dit oordeel wijzigt niet in het beroep tegen de nieuwe besluiten.

Het betoog slaagt niet.

- Belangenafweging

13. [appellanten] betogen verder dat de belangenafweging in de besluiten niet deugt. Het college heeft in aanmerking genomen dat het gaat om een ernstige overtreding waarmee de welstandscommissie niet instemt en waartegen moet worden opgetreden in verband met precedentwerking. Het college heeft hun belangen echter onvoldoende bij het besluit betrokken. Zij stellen dat op de plaats van de erfafscheidingen altijd een haag heeft gestaan ter bescherming van hun privacy en veiligheid. Daarnaast zijn de bouwwerken volgens hen niet in strijd met redelijke eisen van welstand en bestaat geen risico van precedentwerking.

13.1. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het gaat om een ernstige overtreding, omdat de welstandscommissie de erfafscheiding van 2 m hoog in de voortuinstrook van het ensemble aan de Sallandhof een verstoring vindt van het straatbeeld en een aantasting van de bestaande stedenbouwkundig-architectonische karakteristiek. Het college is niet bereid om een omgevingsvergunning te verlenen.

De Afdeling ziet in het aangevoerde geen grond voor het oordeel dat de genoemde belangen van [appellanten] zo zwaarwegend zijn dat het college deze had moeten laten prevaleren boven het algemeen belang dat gediend is met de handhaving. Dat op de plaats van de erfafscheidingen eerder een haag stond, maakt dat niet anders. Het betoog slaagt niet.

- Het gelijkheidsbeginsel

14. [appellanten] betogen dat het college zich bij het nemen van de nieuwe besluiten niet kon beroepen op de uitspraak van de rechtbank, waarin is overwogen dat het college voldoende onderzoek heeft gedaan naar mogelijke schending van het gelijkheidsbeginsel, omdat de 111 in de bezwaarfase naar voren gebrachte andere gevallen zijn beoordeeld. Volgens hen dient het nieuwe besluit op bezwaar genomen te worden met inachtneming van alle feiten en omstandigheden van dat moment. Dat betekent dat het college ook alle andere nog door hen in de beroepsfase en daarna naar voren gebrachte gevallen had moeten beoordelen. Dit gaat om een aanvullend aantal van meer dan 1000 volgens hen vergelijkbare gevallen. Nu het college dit niet heeft gedaan, zijn de besluiten van 18 oktober 2023 niet deugdelijk gemotiveerd. Daarnaast stellen zij dat het college in de nieuwe besluiten opnieuw in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld, door in de vier gevallen die na de rechtbankuitspraak alsnog zijn aangeschreven, de eigenaren de gelegenheid te bieden tot legalisering van de bouwwerken.

14.1. [appellanten] hebben de beroepsgrond over onvoldoende onderzoek in verband met de grote aantallen in (hoger) beroep nog naar voren gebrachte andere gevallen, ook in hoger beroep aangevoerd.

De Afdeling is daarop onder 8.2 en 8.3 ingegaan en heeft het betoog hierover niet gevolgd. Dit oordeel wijzigt niet in het beroep tegen de nieuwe besluiten.

Dat het college in vier na de rechtbankuitspraak aangeschreven gevallen aan de overtreders de mogelijkheid heeft geboden om de betrokken bouwwerken te legaliseren door middel van het indienen van een aanvraag om een omgevingsvergunning en in de gevallen van [appellanten] niet, maakt niet dat in strijd met het gelijkheidsbeginsel is gehandeld. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat in die gevallen aanleiding bestaat om de aangeschreven overtreders, voordat tot handhaving wordt overgegaan, in de gelegenheid te stellen om een vergunningaanvraag in te dienen. In die gevallen worden de bouwwerken, anders dan die van [appellanten], uit ruimtelijk en esthetisch oogpunt voorshands aanvaardbaar geacht en is, volgens het college, legalisatie mogelijk. In zoverre zijn deze gevallen niet gelijk. [appellanten] hebben niet aannemelijk gemaakt dat en waarom het college heeft miskend dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit ook hun erfafscheidingen uit ruimtelijk en esthetisch oogpunt voorshands aanvaardbaar moesten worden geacht en dat legalisatie daarvan mogelijk zou zijn. Het betoog slaagt niet.

- De begunstigingstermijn

15. [appellanten] hebben de Afdeling ter zitting verzocht een ruime begunstigingstermijn te bepalen.

De Afdeling overweegt daarover dat zich onder de gedingstukken een emailbericht namens het college aan de gemachtigde van [appellanten] bevindt, waarin namens het college is toegezegd dat de begunstigingstermijn in de besluiten van 18 oktober 2023 wordt verlengd tot zes weken na de uitspraak in hoger beroep.

De Afdeling ziet geen aanleiding om een daarvan afwijkende regeling te treffen.

16. Het beroep is ongegrond.

17. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep ongegrond;

II. verklaart het beroep tegen de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Helmond van 18 oktober 2023, kenmerken S&B.JT 1.2023.0179.001 en S&B.JT 1.2023.0180.001, ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.L. Bolleboom, griffier.

w.g. Van Ravels

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Bolleboom

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2026

641

BIJLAGE

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.1, eerste lid:

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

b. (…)

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, (…);

Artikel 2.3a, eerste lid:

Het is verboden een bouwwerk of deel daarvan dat is gebouwd zonder omgevingsvergunning in stand te laten.

Bestemmingsplan Rijpelberg-Brouwhuis

Artikel 16.2.3, aanhef en onder a, van de planregels:

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen:

a. bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag maximaal 1 m¹ bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen maximaal 2 m¹ mag bedragen, mits gesitueerd op een afstand van minimaal 3 m¹ achter de voorgevellijn;

(…).

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. D.L. Bolleboom

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand