202404768/1/R3.
Datum uitspraak: 2 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
Stichting De Werf en anderen, alle gevestigd en wonend in Schiedam,
appellanten,
en
1. de raad van de gemeente Schiedam,
2. het college van burgemeester en wethouders van Schiedam,
verweerders.
Procesverloop
In het besluit van 16 april 2024 heeft het college ten behoeve van het bestemmingsplan "Joppelaan" hogere waarden als bedoeld in artikel 110a van de Wet geluidhinder (Wgh) vastgesteld.
In het besluit van 4 juni 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "Joppelaan" vastgesteld.
Tegen deze besluiten hebben Stichting De Werf en anderen beroep ingesteld.
De raad en het college hebben een verweerschrift ingediend.
[vier personen] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 29 juni 2026, waar Stichting De Werf en anderen, vertegenwoordigd door A. Verdoes en H. Verlinden, de raad en het college, vertegenwoordigd door S.J.C. Hovens, zijn verschenen. Verder zijn op de zitting [vier personen] gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Op 1 januari 2024 is ook de Aanvullingswet geluid Omgevingswet in werking getreden. Op een besluit tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting in zones langs spoorwegen die zijn aangegeven op de kaart, bedoeld in artikel 106, eerste lid, van de Wgh, of op de geluidplafondkaart, bedoeld in artikel 1 van de Wgh, blijft het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet van toepassing totdat het besluit onherroepelijk is. Maar dan moet die hogere waarde wel zijn vastgesteld ten behoeve van een besluit waarvoor een aanvraag is ingediend of waarvan een ontwerp ter inzage is gelegd vóór het tijdstip van inwerkingtreding van die wet.
De hogere waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting zijn vastgesteld ten behoeve van het bestemmingsplan "Joppelaan" waarvan het ontwerp op 21 december 2023 ter inzage is gelegd. Dat betekent dat zowel op de beroepsprocedure tegen het bestemmingsplan als op het besluit tot vaststelling van de hogere waarden het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening en de Wgh, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2. Het bestemmingsplan maakt de bouw van twee woningen mogelijk ten oosten van de Joppelaan 1 en ten zuiden van de Kerkweg 46a in Schiedam. Dit gebied is in de huidige situatie onbebouwd en had onder het voorgaande bestemmingsplan een agrarische bestemming. Om de bouw van de woningen mogelijk te maken zijn, vanwege een vlak bij het plangebied gelegen spoorweg, door het college ook hogere geluidwaarden vastgesteld.
2.1. Het beroep is ingesteld door omwonenden van het plangebied en door Stichting De Werf, muziekvereniging St. Radboud, Rooms-Katholieke begraafplaats St. Jacobus en het Kennisnetwerk Burgerbetrokkenheid Schiedam. Deze stichtingen en verenigingen zijn ook gevestigd in de directe omgeving van het plangebied. Zij kunnen zich niet verenigen met de besluiten. Zij vinden dat het plangebied ontwikkeld moet worden in samenspraak met de buurt en dat andere ontwikkelingen hier beter passen dan de bouw van twee woningen.
3. De relevante wet- en regelgeving staat in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Het beroep tegen het besluit hogere waarden
4. Stichting De Werf en anderen komen ten eerste op tegen het besluit van het college om hogere waarden vast te stellen ten behoeve van het bestemmingsplan. Zij voeren aan dat vertrouwd moet kunnen worden op een bepaalde grenswaarde die geldt en dat die waarden dan ook niet zomaar aangepast moeten kunnen worden. Het college heeft met het besluit hogere waarden onzorgvuldig gehandeld, volgens Stichting De Werf en anderen.
4.1. Op grond van artikel 4.10 van het Besluit geluidhinder (Bgh) kan voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vanwege een spoorweg, van de gevel van woningen een hogere dan de in artikel 4.9, eerste lid, van het Bgh genoemde waarde worden vastgesteld, op voorwaarde dat deze waarde de 68 dB niet mag overschrijden. Deze bevoegdheid van het college volgt uit artikel 110a, eerste lid, van de Wgh. De Wgh en het Bgh voorzien daarmee in een bevoegdheid tot het vaststellen van hogere geluidwaarden. In wat is aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college hiermee onzorgvuldig heeft gehandeld.
Het betoog slaagt niet.
4.2. Voor zover Stichting De Werf en anderen op de zitting aan hun betoog hebben toegevoegd dat het college ten onrechte geen rekening heeft gehouden met geluid van het vliegverkeer van Rotterdam The Hague Airport en met de geplande uitbreiding van het spoor ter hoogte van de te bouwen woningen, overweegt de Afdeling als volgt.
Ook na afloop van de beroepstermijn en, als die termijn is gegeven, na afloop van de termijn als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb, kunnen ter motivering van een eerdere beroepsgrond, nieuwe argumenten worden aangevoerd en kan nieuw bewijs worden ingediend, tenzij dat in strijd is met de goede procesorde. De goede procesorde stelt dus grenzen aan de mogelijkheid om in een lopende procedure nieuwe argumenten of nieuw bewijs in te brengen. Dat geldt ook als het nog meer dan tien dagen duurt voordat de zitting is, zoals geregeld in artikel 8:58 van de Awb. De Afdeling hanteert twee vragen om te beoordelen of de goede procesorde wordt geschonden. De eerste vraag is of voor de overige partij(en) te weinig tijd resteert om zich er inhoudelijk over uit te laten. De tweede vraag is of de zaak moet worden aangehouden met als gevolg een onwenselijke of onaanvaardbare vertraging van de procedure in het licht van de belangen van de overige partij(en) en een goede rechtspleging. Onder dat laatste valt ook de voorbereiding van de zitting door de bestuursrechter.
Aangezien de hiervoor genoemde toevoegingen door Stichting De Werf en anderen op de zitting voor het eerst naar voren zijn gebracht, acht de Afdeling een inhoudelijke behandeling daarvan in strijd met de goede procesorde. De andere partijen hebben te weinig tijd om zich inhoudelijk over deze toevoegingen uit te kunnen laten. Deze toevoegingen zullen daarom verder onbesproken blijven.
4.3. Omdat het betoog niet slaagt, zal de Afdeling het standpunt van het college dat het in artikel 8:69a van de Awb neergelegde relativiteitsvereiste in de weg zou staan aan de vernietiging van het bestreden besluit niet verder bespreken.
Het beroep tegen de vaststelling van het bestemmingsplan
Toetsingskader bestemmingsplan
5. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
Inspraakmogelijkheden
6. Stichting De Werf en anderen betogen dat de inloopavond die door de raad is georganiseerd niet voldoet aan de wettelijke inspraakprocedure. Volgens hen waren niet alle betrokken organisaties uitgenodigd voor de inloopavond en was er geen intekenlijst aanwezig. Ook zijn de gestelde vragen niet genoteerd. Tot slot werd in het verslag van de inloopavond ten onrechte voorgehouden dat op de inloopavond geen bezwaren zijn gehoord, aldus Stichting De Werf en anderen.
6.1. De Afdeling stelt vast dat in Schiedam de "Participatieverordening Schiedam 2022" (Participatieverordening) geldt. Artikel 5 van de Participatieverordening bepaalt dat het bevoegde bestuursorgaan een eindverslag moet opstellen dat in ieder geval een overzicht van het gevolgde participatietraject op hoofdlijnen, een weergave van de belangrijkste uitkomsten van het participatietraject, en een reactie op deze uitkomsten van het participatietraject bevat. Op grond van lid 2 van dit artikel moet dit eindverslag door het bevoegde bestuursorgaan openbaar worden gemaakt. Op grond van lid 3 moet het college dit eindverslag ter kennis van de raad brengen als onderdeel van een raadsvoorstel.
In hoofdstuk 7 van de plantoelichting heeft de raad toegelicht dat, om te voldoen aan de Participatieverordening, omwonenden van het plangebied zijn uitgenodigd voor een participatiebijeenkomst op 15 november 2023. Het verslag van deze participatiebijeenkomst is als bijlage 8 opgenomen bij de toelichting. In het verslag van de participatiebijeenkomst staat dat bewoners en/of eigenaren van de panden aan de Kerkweg tussen 38 en 103 en de Joppelaan zijn uitgenodigd voor de participatiebijeenkomst. Verder zijn de vragen die op de participatiebijeenkomst zijn gesteld in dit verslag opgenomen en voorzien van een reactie. Het verslag is als bijlage bij de toelichting ter kennis van de raad gebracht als onderdeel van het betreffende raadsvoorstel. De Participatieverordening vereist niet dat alle betrokken organisaties worden uitgenodigd. Ook schrijft de Participatieverordening niet voor dat er een intekenlijst aanwezig is op de participatiebijeenkomst. In wat is aangevoerd ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding om te oordelen dat niet is voldaan aan de Participatieverordening.
Het betoog slaagt niet.
Goede ruimtelijke ordening
7. Stichting De Werf en anderen zijn het niet eens met het bebouwen van de locatie Joppelaan 3, die ligt in het mooie agrarische gebied van Kethel. Zij voeren aan dat er eerst duidelijk beleid vanuit de gemeente moet komen, voordat overgegaan kan worden tot bebouwing van het agrarische gebied. Dit beleid zou in overleg met omwonenden en betrokken organisaties tot stand moeten komen. Zij vrezen daarbij voor precedentwerking.
7.1. De Afdeling overweegt dat de raad bij het vaststellen van een bestemmingsplan beleidsruimte toekomt. In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. Dat Stichting De Werf en anderen aanvoeren dat woningbouw op deze voorheen agrarische bestemming niet wenselijk is, omdat daar, volgens hen, geen gemeentelijke visie op het gehele gebied aan ten grondslag ligt, doet daar niet aan af. De raad heeft gemotiveerd dat de in het bestemmingsplan voorziene woningbouw op deze locatie passend is. Uit paragraaf 3.3 van de plantoelichting blijkt dat de raad het bestemmingsplan heeft getoetst aan het gemeentelijk beleid. In de toelichting staat dat het bestemmingsplan bescheiden bijdraagt aan het verbeteren van de woningvoorraad en dat er geen strijd is met het gemeentelijk beleid. Daarnaast heeft de raad op de zitting toegelicht dat dit bestemmingsplan alleen voorziet in de bouw van twee woningen, en dat het bestemmingsplan geen voorschot neemt op grootschalige ontwikkelingen in dit gebied, waar Stichting De Werf en anderen voor vrezen. In wat is aangevoerd ziet de Afdeling dan ook geen grond om te oordelen dat het bestemmingsplan niet vastgesteld had mogen worden.
Het betoog slaagt niet.
Didam-arrest
8. Tot slot betogen Stichting De Werf en anderen dat niet duidelijk is op basis van welke onderbouwing de raad de gronden waar dit bestemmingsplan op ziet niet via openbare verkoop heeft verkocht. Zij vragen zich af of deze handelwijze van de raad in overeenstemming is met het Didam-arrest (HR 26 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1778).
8.1. Stichting De Werf en anderen hebben naar het oordeel van de Afdeling, door enkel de vraag op te werpen op basis waarvan in dit geval aan de Didam-regels is voldaan, niet aannemelijk gemaakt dat de raad op voorhand had moeten inzien dat het bestemmingsplan, gelet op de mogelijke gevolgen van het Didam- en Didam II-arrest (HR 15 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1661), niet uitvoerbaar is.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond.
10. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J.M.A. Wolvers-Poppelaars, griffier.
w.g. Hoekstra
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Wolvers-Poppelaars
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2026
780-1205
BIJLAGE
Wet geluidhinder
Artikel 110a, eerste lid
Burgemeester en wethouders zijn binnen de grenzen van de gemeente bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting.
Besluit geluidhinder
Artikel 4.9, eerste lid
Behoudens artikel 4.10 is de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting, vanwege een spoorweg, van de gevel van woningen 55 dB, in geval van:
a. aanleg van deze spoorweg, voor zover de woningen zijn gelegen binnen de zone van die spoorweg, bedoeld in artikel 1.4;
b. nog niet geprojecteerde woningen, voor zover de woningen zijn gelegen binnen de zone van die spoorweg, bedoeld in artikel 1.4 of artikel 1.4a.
Artikel 4.10
Voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vanwege een spoorweg, van de gevel van woningen kan een hogere dan de in artikel 4.9, eerste lid, genoemde waarde worden vastgesteld, met dien verstande dat deze waarde 68 dB niet te boven mag gaan.