202404589/1/R2.
Datum uitspraak: 2 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Helmond,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 13 juni 2024 in zaak nr. 24/337 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Helmond.
Procesverloop
Bij besluit van 17 januari 2022 heeft het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom van € 1500,- ineens, gelast om voor 1 mei 2022 de zonder omgevingsvergunning op het perceel [locatie A] in Helmond gerealiseerde erfafscheiding (inclusief begeleidende palen) te verlagen tot een hoogte van 1 meter, dan wel deze te verwijderen.
Bij besluit van 6 december 2023 heeft het college het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 13 juni 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 6 december 2023 vernietigd voor zover dat betrekking heeft op het gedeelte van de erfafscheiding dat op meer dan 3 meter achter de voorgevelrooilijn ligt, het besluit van 17 januari 2022 herroepen voor zover daarin een last onder dwangsom is opgelegd voor het gedeelte van de erfafscheiding dat op meer dan 3 meter achter de voorgelrooilijn ligt en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Bij besluit van 23 juli 2024 heeft het college besloten tot invordering van de door [appellant] verbeurde dwangsom ter hoogte van € 1500,00.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
[appellant] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak, tegelijkertijd met zaak nr. 202305140/1/R2, op een zitting behandeld op 24 november 2025, waar [appellant], bijgestaan door mr. J. van Berkel, advocaat in Someren, en het college, vertegenwoordigd door mr. Y.J.A.M. Willems en mr. S. Rotman, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet een overtreding heeft plaatsgevonden, is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en vóór dat tijdstip een last onder dwangsom is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, dan blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet op die opgelegde last onder dwangsom het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven.
Bij besluit van 17 januari 2022 heeft het college [appellant] een last onder dwangsom opgelegd. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
2. De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Inleiding
3. [appellant] is eigenaar van het perceel [locatie A] in Helmond. Bij een controle door een toezichthouder van de gemeente is geconstateerd dat bij de woning op het hoekperceel zonder omgevingsvergunning een erfafscheiding van 2 m hoog is geplaatst. De erfafscheiding staat op de grens met het openbaar gebied en loopt van voor de woning, langs de zijkant tot aan de achterzijde van de woning.
Het college heeft aan de last ten grondslag gelegd dat [appellant] in strijd met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, en artikel 2.3a, eerste lid, van de Wabo heeft gehandeld door de erfafscheiding zonder de vereiste omgevingsvergunning voor de activiteiten bouwen en afwijken van het bestemmingsplan te bouwen en in stand te laten. Volgens het college is een omgevingsvergunning vereist voor het bouwen van de erfafscheiding en ook voor het afwijken van het bestemmingsplan, omdat artikel 16.2.3 van de planregels van het bestemmingsplan "Rijpelberg-Brouwhuis" bepaalt dat erfafscheidingen alleen voor zover geplaatst op een afstand van minimaal 3 m achter de voorgevelrooilijn, een bouwhoogte van 2 m mogen hebben. Daaraan is niet voor het geheel voldaan.
Het oordeel van de rechtbank
4. De rechtbank heeft [appellant] niet gevolgd in het betoog dat de erfafscheiding, voor zover gelegen achter de voorgevelrooilijn, zonder omgevingsvergunning kon worden gebouwd, gelet op artikel 2, aanhef en onder 12, van Bijlage II van het Bor. Zij is dan ook van oordeel dat voor de erfafscheiding als geheel een omgevingsvergunningplicht bestaat.
Het gedeelte van de erfafscheiding voor de voorgevelrooilijn en tot 3 m daarachter, past niet in het bestemmingsplan en het college is niet bereid om daar een omgevingsvergunning voor te verlenen. De rechtbank heeft dat standpunt van het college niet onredelijk geacht. Zij heeft verder, anders dan [appellant] heeft betoogd, de "Beleidsregel handhaving particuliere bouwwerken Helmond 2013" niet onevenredig geacht en de handhaving in het specifieke geval van [appellant] ook niet. Verder heeft zij het beroep op het gelijkheidsbeginsel verworpen.
De rechtbank heeft [appellant] wel gevolgd in het betoog dat het handhavend optreden tegen de erfafscheiding voor zover gelegen op een afstand van meer dan 3 meter achter de voorgevelrooilijn onzorgvuldig is. Zij heeft geoordeeld dat het college mogelijk concreet zicht op legalisering voor dat gedeelte van de erfafscheiding niet juist heeft beoordeeld.
Uit de rechtbankuitspraak blijkt verder dat [appellant] na het besluit op bezwaar alsnog een aanvraag om omgevingsvergunning voor dit gedeelte van de erfafscheiding heeft ingediend en hij deze vergunning heeft gekregen.
Dit betekent dat het geschil in hoger beroep alleen nog gaat over de handhavende maatregelen tegen het gedeelte van de erfafscheiding voor de voorgevelrooilijn en tot 3 meter daarachter.
De gronden van het hoger beroep
De last onder dwangsom
- Over de overtreding
Mocht het gedeelte van de erfafscheiding achter de voorgevelrooilijn zonder omgevingsvergunning worden gebouwd?
5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat voor het gedeelte van de erfafscheiding achter de voorgevelrooilijn een omgevingsvergunning is vereist. Volgens hem voldoet de erfafscheiding voor dit deel aan de voorwaarden in artikel 2, aanhef en onder 12, van Bijlage II van het Bor. Volgens [appellant] is dit het geval omdat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, in het betreffende gebied geen welstandseisen gelden voor erfafscheidingen.
5.1. De rechtbank heeft geoordeeld dat voor het betreffende gebied wel welstandseisen gelden, zodat niet wordt voldaan aan de voorwaarde in artikel 2, aanhef en onder 12, onder b, onder 3° van Bijlage II van het Bor. Naar het oordeel van de rechtbank is voor de erfafscheiding achter de voorgevelrooilijn dus een omgevingsvergunning vereist.
De rechtbank heeft daartoe overwogen dat in de nota van toelichting bij de genoemde bepaling (Staatsblad 2010, 143, blz. 150) wordt opgemerkt dat gemeenten er via de welstandsnota voor kunnen kiezen om het vereiste van 1 meter afstand tot het openbaar gebied al dan niet buiten toepassing te stellen. De rechtbank heeft geconstateerd dat dit in Helmond niet is gebeurd. Zij heeft erop gewezen dat op p. 14 van de "Welstandsnota Gemeente Helmond - Algemeen deel" en onder 1.1 van de "Welstandsnota Gemeente Helmond - Loketcriteria" het welstandsbeleid is weergegeven met betrekking tot erfafscheidingen zoals deze, met een hoogte tussen 1 meter en 2 meter, op een afstand van minder dan 1 meter van openbaar toegankelijk gebied. Daarin staat dat de gemeente het belang van sturing op de uiterlijke kwaliteit van onder meer deze categorie van gevallen onderschrijft en heeft besloten dat voor deze categorie een welstandstoets nodig is. In Helmond komen volgens p. 1 van de "Welstandsnota gemeente Helmond - Loketcriteria" geen welstandsvrije gebieden voor. De rechtbank heeft verder geconstateerd dat onder 2.5 van de "Welstandsnota gemeente Helmond - Loketcriteria", criteria zijn gegeven voor omgevingsvergunningplichtige erf- en perceelafscheidingen. Verder bevat p. 29 van de "Welstandsnota gemeente Helmond - Bebouwingstypen" welstandscriteria voor bouwwerken die vallen onder het bebouwingstype "Woonerven W6", waar het hier om gaat. Die criteria gelden voor alle bouwwerken onder dit bebouwingstype en volgens de rechtbank dus ook voor erf- of perceelafscheidingen.
5.2. De Afdeling onderschrijft het hiervoor weergegeven oordeel van de rechtbank en ook de gronden waarop de rechtbank tot dit oordeel is gekomen. Dat, zoals [appellant] betoogt, in de Welstandsnota geen welstandseisen zijn opgenomen die specifiek gelden voor de zogenoemde ‘plaag- of peststrook’ waarin zijn erfafscheiding is geplaatst, en dat op basis van de volgens hem summiere welstandseisen voor het relevante bebouwingstype "Woonerven W6" in het geheel geen welstandscriteria gelden voor erfafscheidingen, treft geen doel. Zoals hiervoor vermeld, zijn er in de gemeente geen welstandsvrije gebieden. Volgens de hiervoor besproken welstandsnota’s is dus ook op de locatie van de erfafscheiding van [appellant] welstandstoezicht van toepassing.
Het betoog slaagt niet.
Beginselplicht tot handhaving
6. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678, geldt bij handhavingsbesluiten, bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel, de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak (uitspraak van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285). Daarbij geldt als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving blijft dus voorop staan.
Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisering, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.
- De Beleidsregel
7. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het door het college gevoerde handhavingsbeleid zoals neergelegd in de "Beleidsregel handhaving particuliere bouwwerken Helmond 2013" in algemene zin onevenredig is. De rechtbank heeft volgens hem ten onrechte overwogen dat het college in het beleid meer prioriteit mag geven aan handhaving van nieuwe gevallen, dan aan oudere gevallen. Volgens hem voorziet het beleid niet in een prioritering, maar feitelijk in het afzien van handhavend optreden. De rechtbank heeft volgens hem miskend dat dat tot gevolg heeft dat het handhavend optreden in zijn geval onevenredig is. Daarnaast heeft de rechtbank volgens [appellant] miskend dat het beleid in strijd is met het verbod van willekeur.
7.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijv. de uitspraak van 4 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1982), mogen bij de handhaving prioriteiten worden gesteld, om in het kader van een doelmatige handhaving onderscheid te maken in de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan de handhavingstaak.
De rechtbank heeft terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de wijze waarop dat in de Beleidsregel is gebeurd, onevenredig is. Dat het beleid willekeurig is, zoals [appellant] stelt, volgt de Afdeling niet. De rechtbank heeft terecht, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1725), de keuze om in het beleid meer prioriteit te geven aan de handhaving van nieuwe gevallen dan aan die van oudere gevallen, niet onevenredig geacht. Dit geldt ook voor de keuze dat van een nieuw geval geen sprake meer is, als het bouwwerk ten tijde van de constatering langer dan 2 jaar aanwezig is. Het bouwwerk van [appellant] is, naar niet in geschil is, een nieuw geval in de zin van het beleid. Dat het, zoals hij stelt, niet redelijk is dat het moment van constateren bepaalt hoe met een overtreding wordt omgegaan, maakt het beleid niet onevenredig.
De Afdeling is verder van oordeel dat ook de wijze waarop de handhaving tegen oudere gevallen in de Beleidsregel is geregeld niet onevenredig is. Volgens de Beleidsregel hebben oudere gevallen minder prioriteit bij actieve handhavingsmaatregelen, maar komen deze wel aan de orde wanneer het gebied waarin het bouwwerk zich bevindt wordt geïnventariseerd in het kader van de Gebiedsgerichte inventarisatie Helmond, of eerder, naar aanleiding van een klacht of een melding. In het laatste geval worden overtredingen die niet als nieuw zijn aan te merken volgens de Beleidsregel per situatie beoordeeld. Op de zitting is door het college bevestigd dat in gevallen waarover een melding binnenkomt altijd wordt beoordeeld of tot handhaving moet worden overgegaan.
Dat, zoals [appellant] stelt, de uitvoering van de handhaving niet met het voorgaande in lijn is, omdat al langere tijd geen gebiedsgerichte inventarisatie heeft plaatsgevonden en het beleid niet uitsluit dat er gevallen zullen zijn waartegen niet zal worden opgetreden, leidt ook niet tot oordeel dat het beleid onevenredig is. De rechtbank heeft daarin terecht geen grond gevonden om het door het college gevoerde beleid als onevenredig aan te merken, nu zij heeft vastgesteld dat het beleid wel mede voorziet in de handhaving van oude gevallen. Het college heeft er verder terecht op gewezen dat het bouwen zonder of in strijd met een vergunning een in de Beleidsregel geprioriteerde handhavingstaak is en dat wel degelijk handhavend wordt opgetreden tegen zulke overtredingen, ook in oudere gevallen. Hiervan heeft het college een lijst van gevallen in het geding gebracht. Het college heeft aldus inzichtelijk gemaakt hoe volgens de Beleidsregel uitvoering wordt gegeven aan de handhavingstaak.
De rechtbank heeft de Beleidsregel terecht niet in algemene zin onevenredig geacht. Daarom maakt de toepassing van de Beleidsregel ook de handhaving in het geval van [appellant] niet onevenredig. Het betoog slaagt niet.
Het gelijkheidsbeginsel
8. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hem geen geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel toekomt. Hij voert daartoe aan dat hij 330 vergelijkbare gevallen heeft aangeleverd en dat het college er daarvan ten onrechte maar 10 als potentieel gelijke gevallen heeft aangemerkt, omdat de rest volgens het college gevallen zijn die ouder zijn dan 2 jaar. Volgens hem is dit criterium niet relevant bij de beoordeling of het om gelijke gevallen gaat.
Daarnaast voert hij aan dat de rechtbank het college ten onrechte heeft gevolgd in het standpunt dat deze 10 adressen niet vergelijkbaar zijn met zijn geval, om de door het college genoemde redenen. Van het adres Dommelstraat 28 is hem overigens bekend dat de verleende omgevingsvergunning, die volgens het college maakt dat dat geval niet vergelijkbaar is, inmiddels is ingetrokken.
Verder zijn wel omgevingsvergunningen verleend voor erfafscheidingen op de adressen Groningenhof 5 en 7 en Rijnlaan 217, waar deze volgens [appellant] ook voor de voorgevel staan.
Verder geldt volgens hem, voor zover de rechtbank het college volgt in het standpunt dat zijn situatie uit stedenbouwkundig oogpunt ongewenst is, dat dan ook voor andere gevallen geldt, waar niet handhavend wordt opgetreden.
Tenslotte voert hij aan dat voor zover het college stelt dat de erfafscheidingen op de adressen Peelhof 109 en Dinkelstraat 156 onder de Omgevingswet niet meer vergunningplichtig zijn, het college ten onrechte niet heeft gemotiveerd waarom dat voor zijn geval niet geldt.
8.1. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college de periode van 2 jaar na de constatering, die bepaalt of nog sprake is van een nieuw geval in de zin van het beleid, heeft mogen hanteren als relevant criterium voor de vraag of de door [appellant] aangevoerde andere gevallen vergelijkbaar zijn.
De rechtbank is in de uitspraak verder ingegaan op tien door [appellant] aangevoerde gevallen, waarvan het college heeft gesteld dat deze, net als zijn geval, jonger zijn dan 2 jaar. Zij heeft het college gevolgd in het standpunt dat het daarbij niet gaat om gevallen die anders worden behandeld dan het geval van [appellant], zonder dat daar een objectieve rechtvaardiging voor bestaat. Daartoe heeft zij overwogen dat het college de erfafscheidingen op de adressen Rijnlaan 215 en Peelhof 174 niet vergelijkbaar heeft hoeven achten, omdat het geen erfafscheidingen zijn op een hoek zoals die van [appellant]. Over de andere 8 gevallen heeft het college gesteld dat de erfafscheidingen op Peelhof 7, 9, 19 en 21 niet vergelijkbaar zijn omdat deze niet voor de voorgevel staan, maar het afscheidingen van de achtertuin zijn.
Over de erfafscheidingen Dinkelstraat 156, Peelhof 109 en Kaarderhof 66 heeft het college zich in het verweerschrift in beroep op het standpunt gesteld dat de twee eerstgenoemde gevallen volgens de Omgevingswet inmiddels zonder vergunning kunnen worden gebouwd en dat tegen het geval Kaarderhof 66 nog handhavend zal worden opgetreden. Bij Peelhof 97 ligt de erfafscheiding, in tegenstelling tot in het geval van [appellant], 2,5 m achter de voorgevelrooilijn.
De rechtbank heeft de voornoemde motivering van het college over het al dan niet vergelijkbaar zijn van deze andere gevallen gevolgd. Over de Dinkelstraat 156 en Peelhof 109 heeft zij overwogen dat hoewel ten tijde van het bestreden besluit de Omgevingswet nog niet in werking was getreden, het wel op de weg van het college lag om daarmee rekening te houden. Het college heeft hierin volgens haar dan ook aanleiding kunnen zien om deze gevallen niet vergelijkbaar te achten. Over het nog ter zitting genoemde geval Dommelstraat 28 heeft zij overwogen dat ook dat geen vergelijkbaar geval is, omdat dat een vergunde situatie is.
8.2. [appellant] heeft zijn betoog dat de rechtbank het college ten onrechte heeft gevolgd in het standpunt over het niet vergelijkbaar zijn van de gevallen Rijnlaan 215 en Peelhof 174 niet onderbouwd. Daarom kan het betoog in zoverre niet slagen.
Over de erfafscheidingen op de adressen Peelhof 7, 9, 19, 21 en 97 heeft de rechtbank het college kunnen volgen in het oordeel dat dit geen vergelijkbare gevallen zijn, alleen al omdat die erfafscheidingen niet voor de voorgevel staan zoals die van [appellant].
De rechtbank heeft verder terecht overwogen dat ook de door [appellant] genoemde situaties waarin een vergunning is verleend, geen vergelijkbare gevallen zijn. Over de omgevingsvergunning voor de erfafscheiding Dommelstraat 28 is op de zitting gebleken dat die is ingetrokken, omdat na verlening ervan is gebleken dat voor die erfafscheiding al eerder een omgevingsvergunning was verleend. Dit is dus nog altijd een vergunde situatie.
Over de erfafscheidingen op de adressen Dinkelstraat 156 en Peelhof 109 heeft de rechtbank ook terecht overwogen dat het college die niet als gelijke gevallen hoefde te beschouwen. Daargelaten of juist is dat, zoals de rechtbank heeft overwogen, deze gevallen onder de gelding van de Omgevingswet zonder omgevingsvergunning kunnen worden gebouwd, heeft het college zich in de beroepsprocedure ook op het standpunt gesteld dat deze bouwwerken niet gelijk te stellen zijn aan dat van [appellant], omdat deze achter de voorgevel van de woning staan en de erfafscheiding van [appellant] daar voor een belangrijk deel voor staat. Ook deze gevallen zijn reeds daarom niet aan te merken als gelijke gevallen.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie over het hoger beroep
9. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling zal de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, bevestigen.
10. Nu het hoger beroep ongegrond zal worden verklaard, moet [appellant] alsnog aan de last voldoen, voor zover die na het beroep en het hoger beroep in stand is gebleven. Daarbij gaat het zoals vermeld over het deel van de erfafscheiding dat voor de voorkant van de woning staat en het deel tot 3 meter achter die voorkant.
Het invorderingsbesluit van 23 juli 2024
11. Op grond van artikel 5:39, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft het hoger beroep tegen de last onder dwangsom mede betrekking op het invorderingsbesluit, aangezien [appellant] ook dat besluit betwist. Het college heeft blijkens dit besluit op 11 juli 2024 geconstateerd dat niet aan de last was voldaan. Daarop is bij dit besluit overgegaan tot invordering van de opgelegde dwangsom van € 1500,- ineens.
12. [appellant] betoogt dat de dwangsom niet is verbeurd, omdat de begunstigingstermijn volgens hem was verlengd en ten tijde van het invorderingsbesluit nog liep. Hij stelt daartoe dat hij tijdens de bezwaarprocedure heeft verzocht om verlenging van de termijn omdat die tijdens de bezwaarprocedure zou verstrijken. Daarop is door [naam jurist], jurist bij de gemeente, in een e-mailbericht van 4 maart 2022 geantwoord: "Hierbij bericht ik u dat het college bereid is in zijn beslissing op bezwaar een nieuwe begunstigingstermijn op te nemen. Gedurende de bezwaarprocedure zullen geen controles plaatsvinden." [appellant] heeft het betreffende e-mailbericht in het geding gebracht. Ook heeft hij zich op het standpunt gesteld dat de invordering onevenredig is en mede daarom niet in stand kan blijven.
12.1. Uit de gedingstukken blijkt dat in het besluit op bezwaar, ondanks voormeld e-mailbericht, geen nieuwe begunstigingstermijn is opgenomen. Uit het proces-verbaal van de zitting in beroep van 3 juni 2024 blijkt verder dat [jurist], die daar het college vertegenwoordigde, desgevraagd aan de rechtbank heeft bevestigd dat de begunstigingstermijn op dat moment was opgeschort. Ook [appellant] heeft daar verklaard dat volgens hem de begunstigingstermijn nog liep. Niettemin heeft het college na de rechtbankuitspraak van 13 juni 2024, zonder nader bericht over de begunstigingstermijn, het perceel van [appellant] op 11 juli 2024 gecontroleerd en naar aanleiding van deze controle de dwangsom ingevorderd.
In het besluit is naar aanleiding van een zienswijze van [appellant] hierover vermeld: "Het feit dat we bereid waren om in de beslissing op bezwaar een nieuwe begunstigingstermijn op te nemen doet niets af aan het feit dat dit (per abuis) niet is gebeurd. Aldus is de begunstigingstermijn in het besluit van de last onder dwangsom van 17 januari 2022, zijnde 1 mei 2022, formeel niet opgeschort dan wel gewijzigd. U heeft na verzending van de beslissing op bezwaar hierover ook geen contact meer opgenomen met de gemeente."
12.2. [appellant] betoogt tevergeefs dat met het e-mailbericht van 4 maart 2022 de begunstigingstermijn is verlengd. Dit bericht kan niet gelden als een besluit van het college tot verlenging van de begunstigingstermijn, noch als een aan het college toe te rekenen zodanig besluit. Het college was dus bevoegd om de dwangsom in te vorderen.
De Afdeling ziet in de hiervoor onder 12 en 12.1 beschreven gang van zaken echter wel een bijzondere omstandigheid die maakt dat het gebruikmaken van deze bevoegdheid in dit geval onevenredig is. Gelet daarop is het invorderingsbesluit van 23 juli 2024 in strijd met artikel 3:4 van de Awb genomen. Het betoog slaagt.
Conclusie over het beroep
13. Het beroep tegen het invorderingsbesluit is gegrond. Dat besluit zal worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:4 van de Awb.
14. Het college moet de proceskosten in verband met dit beroep vergoeden.
Voorlopige voorziening volgens artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb
15. Hiervoor is geoordeeld dat de begunstigingstermijn in het besluit van 17 januari 2022 niet is verlengd. Dat zou betekenen dat op 1 mei 2022 de dwangsom is verbeurd. Ter voorkoming van dit gevolg van deze uitspraak zal de Afdeling met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb bij wijze van voorlopige voorziening de in het besluit van 17 januari 2022 opgelegde last met terugwerkende kracht schorsen tot zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak. Dit betekent dat [appellant] tot zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak de tijd heeft om aan de last te voldoen, voor zover die na het beroep en het hoger beroep in stand is gebleven. Het betekent ook dat, als hij dat niet binnen die zes weken doet, de dwangsom verbeurt.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor zover aangevallen;
II. verklaart het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Helmond van 23 juli 2024, kenmerk 079452084593, gegrond;
III. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Helmond van 23 juli 2024, kenmerk 079452084593;
IV. schorst bij wijze van voorlopige voorziening de in het besluit van 17 januari 2022, zaaknummer 34381716 2020-00947, opgelegde last met terugwerkende kracht tot zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak;
V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Helmond tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1464,25, waarvan € 1.401,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.L. Bolleboom, griffier.
w.g. Van Ravels
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Bolleboom
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2026
641
BIJLAGE
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3:4, eerste lid:
Het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit.
Tweede lid:
De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
Artikel 5:39, eerste lid:
Het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de last onder dwangsom heeft mede betrekking op een beschikking die strekt tot invordering van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Artikel 2.1, eerste lid:
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
a. het bouwen van een bouwwerk,
b. (…)
c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, (…);
Artikel 2.3a, eerste lid:
Het is verboden een bouwwerk of deel daarvan dat is gebouwd zonder omgevingsvergunning in stand te laten.
Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht
Artikel 2, aanhef en onder 12:
Een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of c, van de wet is niet vereist, indien deze activiteiten betrekking hebben op:
een erf- of perceelafscheiding, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:
a. niet hoger dan 1 m, of
b. niet hoger dan 2 m, en
1°. op een erf of perceel waarop al een gebouw staat waarmee de erf- of perceelafscheiding in functionele relatie staat,
2°. achter de voorgevelrooilijn, en
3°. op meer dan 1 m van openbaar toegankelijk gebied, tenzij geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn;
Bestemmingsplan Rijpelberg-Brouwhuis
Artikel 16.2.3, aanhef en onder a, van de planregels:
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen:
a. bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag maximaal 1 m¹ bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen maximaal 2 m¹ mag bedragen, mits gesitueerd op een afstand van minimaal 3 m¹ achter de voorgevellijn;
(…).