202505266/2/R2.
Datum uitspraak: 6 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), hangende de beroepen van:
1. [verzoeker sub 1] en anderen, allen wonend in Hedikhuizen, gemeente Heusden,
2. [verzoeker sub 2A], [verzoeker sub 2B] en de [verzoekster sub 2C] (hierna tezamen en in enkelvoud: [verzoeker sub 2]), allen wonend, respectievelijk gevestigd, in Hedikhuizen, gemeente Heusden,
verzoekers,
en
de raad van de gemeente Heusden,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 25 juni 2025 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie 1], Hedikhuizen en [locatie 2], Haarsteeg" (hierna: het bestemmingsplan) vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben [verzoeker sub 1] en anderen en [verzoeker sub 2] beroep ingesteld.
Tevens hebben [verzoeker sub 1] en anderen en [verzoeker sub 2] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
[verzoeker sub 1] en anderen hebben een nader stuk ingediend.
[partij A] en [partij B] hebben een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op zitting behandeld op 23 december 2025, waar [verzoeker sub 1] en anderen in persoon, [verzoeker sub 2A], [verzoeker sub 2B], vertegenwoordigd door mr. P.R. Botman, advocaat te Tilburg, en de raad, vertegenwoordigd door J.E.W. van Baardwijk en J.P. Burgs, zijn verschenen. Voorts zijn op de zitting [partij C], [partij D], [partij E] en [partij A] en [partij B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [partij]), vertegenwoordigd door mr. M.J.O. Copier en mr. F.A.J. Steenbakkers, beide advocaat te Nijmegen, als partij gehoord.
Overwegingen
1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd, het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 28 december 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
3. Het bestemmingsplan voorziet in de uitbreiding van het bedrijf van [partij]. [partij] is een aannemersbedrijf dat gespecialiseerd is in sloop- en grondwerken en recycling van grondstoffen. Het bedrijf is op dit moment op meerdere locaties gevestigd. Met het bestemmingsplan worden de bedrijfsactiviteiten geconcentreerd op de locatie [locatie 1] in Hedikhuizen. De locatie aan de [locatie 2] in Haarsteeg is daardoor niet langer nodig. Het bestemmingsplan voorziet voor die locatie in een woonbestemming. In het bestemmingsplan wordt het bestemmingsvlak voor het bedrijf aan de [locatie 1] vergroot (hierna aangeduid als uitbreidingsvlak) en wordt voorzien in de mogelijkheid om op het uitbreidingsvlak een nieuwe loods te bouwen.
[verzoeker sub 1] en anderen en [verzoeker sub 2] zijn omwonenden en hebben beroep ingesteld tegen het deel van het bestemmingsplan dat de uitbreiding van [partij] mogelijk maakt, omdat zij vrezen voor de aantasting van hun woon- en leefklimaat. Volgens hen is de uitbreiding van het bedrijf in strijd met provinciaal en gemeentelijk beleid en met een goede ruimtelijke ordening.
4. [verzoeker sub 1] en anderen en [verzoeker sub 2] hebben gevraagd om een voorlopige voorziening en stellen dat er spoedeisend belang is. Zij vrezen onder meer dat [partij] graafwerkzaamheden gaat verrichten die onomkeerbare schade veroorzaken aan de houtwal naast het bedrijf.
5. [partij] heeft ter zitting aangegeven geen graafwerkzaamheden te gaan verrichten maar het uitbreidingsvlak wel op korte termijn in gebruik te willen nemen voor het bedrijf. Ook streeft [partij] ernaar de omgevingsvergunning voor de bouw van de nieuwe loods in februari 2026 aan te vragen. Er is dus een spoedeisend belang gemoeid met het verzoek.
De redenen die [verzoeker sub 1] en anderen en [verzoeker sub 2] hebben gegeven waarom het plan moet worden vernietigd, zijn van een zodanige omvang en complexiteit dat een voorlopige inschatting van de uitkomst van de zaak niet goed is te maken. De voorzieningenrechter zal daarom met een belangenafweging bepalen of vooruitlopend op de beoordeling in de bodemprocedure een voorziening moet worden getroffen.
Zoals hierboven aangegeven, is er een spoedeisend belang gemoeid vanwege het voornemen van [partij] om het uitbreidingsvlak in gebruik te nemen en op korte termijn een omgevingsvergunning aan te vragen. Aan de andere kant is het louter gebruik van dit uitbreidingsvlak niet onomkeerbaar en zal het vooral de opslag van goederen betreffen. Verder is inmiddels de behandeling van de beroepen in de hoofdzaak op 5 februari 2026 gepland. Het is niet aannemelijk dat voor een uitspraak in de hoofdzaak onomkeerbare gevolgen zullen optreden.
Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat, de betrokken belangen afwegende, onverwijlde spoed niet noopt tot het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek wordt afgewezen.
6. Overigens wijst de voorzieningenrechter erop dat [verzoeker sub 1] en anderen en [verzoeker sub 2] een nieuw verzoek om voorlopige voorziening kunnen indienen als zich nieuwe of andere omstandigheden voordoen die maken dat alsnog een voorlopige voorziening moet worden getroffen voordat de Afdeling uitspraak heeft gedaan op de beroepen.
7. Ondanks de afwijzing van het verzoek, hebben [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 1] niet zonder reden een verzoek ingediend. Daarom ziet de voorzieningenrechter aanleiding om te bepalen dat de raad, zoals ter zitting verzocht door [verzoeker sub 2], de proceskosten van [verzoeker sub 2] en het griffierecht van [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 1] en anderen moet vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. wijst de verzoeken af;
II. veroordeelt de raad van de gemeente Heusden tot vergoeding van bij [verzoeker sub 2A], [verzoeker sub 2B] en de [verzoekster sub 2C] in verband met de behandeling van hun verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
III. gelast dat de raad van de gemeente Heusden aan de hierna vermelde verzoekers het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van:
a. € 194,00 aan [verzoeker sub 1] en anderen, met dien verstande dat bij betaling van genoemde bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
b. € 194,00 aan [verzoeker sub 2A], [verzoeker sub 2B] en de [verzoekster sub 2C] met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.
Aldus vastgesteld door mr. M.M. Kaajan, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M. Scheele, griffier.
w.g. Kaajan
voorzieningenrechter
w.g. Scheele
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 6 januari 2026