202505318/1/A2.
Datum uitspraak: 9 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 augustus 2025 in zaak nr. 25/89 in het geding tussen:
[appellante]
en
Dienst Toeslagen.
Procesverloop
Bij drie afzonderlijke besluiten van 19 juli 2022, kenmerk UHT-DC-I-A, kenmerk UHT-DH-A en kenmerk UHT-DH5 A, heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag van [appellante] om compensatie voor het jaar 2008, de periode van januari 2012 tot en met mei 2012, de periode van september 2013 tot en met december 2013, voor het jaar 2016 en voor het jaar 2019 afgewezen.
Bij twee afzonderlijke besluiten van 19 juli 2022, kenmerk UHT-DC-I en kenmerk UHT-DHR, heeft de Dienst Toeslagen voor 2009, 2010, 2011, de periode van juni 2012 tot en met december 2012, de periode van januari 2013 tot en met augustus 2013 en de jaren 2014, 2015, 2017 en 2018 een compensatie van € 66.621 toegekend.
Bij besluit van 28 november 2024 heeft de Dienst Toeslagen het door [appellante] tegen het besluit van 19 juli 2022, kenmerk UHT-DH A, gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en de tegen de andere vier besluiten van 19 juli 2022 gemaakte bezwaren gegrond verklaard en het totale compensatiebedrag verhoogd naar € 72.856, inclusief een O/GS-tegemoetkoming van € 1.836.
Bij uitspraak van 29 augustus 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De Dienst Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 16 juli 2026, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. R.A. Dayala, advocaat in Amsterdam, en de Dienst Toeslagen, vertegenwoordigd door [gemachtigden], zijn verschenen.
Overwegingen
1. [appellante] is een erkende gedupeerde van de toeslagenaffaire. Zij heeft op 29 maart 2021 verzocht om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2008 tot en met 2019.
2. Op 23 juni 2021 heeft [appellante] een brief ontvangen, waarin is vermeld dat zij in het kader van de Catshuisregeling een bedrag van € 30.000 ontvangt.
3. Op 19 juli 2022 heeft de Dienst Toeslagen aan [appellante] een compensatie van € 66.621 toegekend. Omdat het bedrag hoger is dan het eerder toegekende bedrag van € 30.000, zal zij nog een bedrag van € 36.621 ontvangen.
4. Op 28 november 2024 heeft de Dienst Toeslagen onder verwijzing naar een advies van de bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen van 11 november 2024 de compensatie aan [appellante] onder meer vanwege foutieve renteberekeningen verhoogd naar een totaalbedrag van € 72.856 voor 2009, 2010, 2011, de periode van juni 2012 tot en met december 2012, januari 2013 tot en met augustus 2013, 2014, 2015, 2017 en 2018. Daaronder valt ook een O/GS-tegemoetkoming van € 1.836 voor de periode januari 2012 tot en met mei 2012. Voor de periode januari 2012 tot en met mei 2012 is echter geen compensatie toegekend op grond van institutioneel vooringenomen handelen dan wel hardheid van het stelsel, omdat in deze periode geen gebruik is gemaakt van geregistreerde kinderopvang. Voor het jaar 2008 is ook geen compensatie toegekend, omdat de neerwaartse correctie was gelegen in een te hoog voorschot, dat op basis van reguliere wijzigingen opnieuw is berekend. Voor 2016 is evenmin compensatie toegekend. De toeslag is voor 2016 op nihil vastgesteld, omdat [appellante] op het antwoordformulier heeft ingevuld over dat jaar geen gebruik te hebben gemaakt van geregistreerde kinderopvang.
Overgangsrecht
5. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat op grond van het overgangsrecht compensatiebeschikkingen die in het kader van de hersteloperatie toeslagen zijn genomen vóór de inwerkingtreding van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) op 5 november 2022, aangemerkt worden als beschikkingen die zijn genomen op grond van de Wht.
Uitspraak van de rechtbank
6. Voor het jaar 2008 heeft de rechtbank geoordeeld dat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Dienst Toeslagen met institutionele vooringenomenheid heeft gehandeld of dat sprake is van hardheid van het stelsel. De definitieve vaststelling van de hoogte van de kinderopvangtoeslag is voor dit jaar gebaseerd op het door [appellante] op 22 mei 2009 ondertekende antwoordformulier en het daarbij behorende jaaroverzicht 2008 van de kinderopvanginstelling Combiwel. Daaruit is gebleken dat er minder kinderopvanguren zijn afgenomen dan het aantal uren waarvan is uitgegaan bij de voorschotbeschikking voor dat jaar. Daarom is de definitieve vaststelling van de hoogte van de kinderopvangtoeslag voor dat jaar lager dan voor dat jaar voorlopig was begroot.
7. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de Dienst Toeslagen voor de periode januari 2012 tot en met mei 2012 ondanks de vastgestelde institutionele vooringenomenheid terecht geen compensatie heeft toegekend vanwege een ernstige onregelmatigheid. [appellante] heeft in die periode immers geen opvang afgenomen. De Dienst Toeslagen mocht daarbij uitgaan van de gegevens uit de KOI-viewer, het systeem waarin kinderopvanginstellingen doorgaven of er kinderopvang genoten was. [appellante] heeft niet anderszins objectief aannemelijk gemaakt dat zij in deze periode toch geregistreerde kinderopvang heeft afgenomen.
8. De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat de vaststelling van de kinderopvangtoeslag op nihil voor het toeslagjaar 2016 niet het gevolg is van institutionele vooringenomenheid of hardheid van het stelsel. Daarbij heeft zij erop gewezen dat [appellante] in een op 21 augustus 2017 ondertekend antwoordformulier heeft ingevuld dat zij voor het toeslagjaar 2016 geen gebruik heeft gemaakt van kinderopvang.
9. Volgens de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen verder gemotiveerd toegelicht dat de rente op juiste wijze is berekend. De rechtbank vindt de motivering van de Dienst Toeslagen op dit punt navolgbaar en voldoende gemotiveerd. [appellante] heeft de motivering van de Dienst Toeslagen vervolgens niet betwist of aangegeven waarom deze niet juist zou zijn.
10. Wat betreft de vergoeding voor immateriële schade heeft de rechtbank tot slot geoordeeld dat zij geen ruimte heeft om de bepaling met betrekking tot de hoogte van het forfaitaire compensatiebedrag vanwege eventuele strijd met het evenredigheidsbeginsel buiten toepassing te laten en een hoger bedrag toe te kennen. Daartoe heeft ze overwogen dat de Wht een wet in formele zin is en dat artikel 2.3, vierde lid, van de Wht, waarin is bepaald hoe de hoogte van de immateriële schadevergoeding wordt berekend, dwingend is geformuleerd. Ook wijst ze erop dat de wetgever heeft voorzien in de mogelijkheid voor ouders om, als zij vinden dat hun schade met de uitkomst van de integrale beoordeling niet volledig is vergoed, een verzoek om aanvullende compensatie te doen bij de Commissie Werkelijke Schade. Dit is een bewuste keuze van de wetgever geweest.
Oordeel van de Afdeling
11. Op de zitting heeft [appellante] de beroepsgrond over de toepassing van de vangnetbepaling, neergelegd in artikel 2.9 van de Wht, en de beroepsgrond over artikel 8 van het EVRM ingetrokken.
12. De Afdeling beoordeelt hieronder de overige hogerberoepsgronden van [appellante].
Compensatie voor 2008, januari 2012 tot en met mei 2012 en 2016
13. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij voor 2008, januari 2012 tot en met mei 2012 en 2016 geen recht heeft op compensatie. Zij wijst erop dat in het jaar 2008 de kinderopvangtoeslag rechtstreeks werd betaald aan kinderopvanginstelling Combiwel. De verwijzing naar het antwoordformulier doet niet af aan deze betalingsstroom. Daaruit volgt dat zij voor 2008 wel opvang heeft afgenomen. [appellante] stelt ook dat bij haar systematisch willekeurig uren zonder deugdelijke grondslag zijn aangepast. Voor de periode januari 2012 tot en met mei 2012 voert [appellante] aan dat zij fulltime mantelzorg verleende aan haar ernstig zieke grootmoeder. Het was feitelijk onmogelijk om intensieve dagelijkse mantelzorg te combineren met de zorg voor een jong kind. Daarbij wijst ze er ook op dat de Dienst Toeslagen op 15 maart 2012 en 15 mei 2012 substantiële betalingen heeft gedaan, wat onverenigbaar is met de stelling dat zij geen opvang zou hebben afgenomen. Ook wijst ze erop dat de voorschotbeschikkingen worden gebaseerd op concrete gegevens. Voor 2016 betwist [appellante] dat zij de kinderopvangtoeslag zelf heeft gestopt. Het antwoordformulier weerspiegelde niet haar werkelijke wil. Een medewerker van de Dienst Toeslagen heeft haar medegedeeld dat de kinderopvangtoeslag ondanks overlegging van bewijsstukken niet kon worden toegekend. Zij heeft op 28 juni 2017 medegedeeld dat zij geen uitkering meer ontving, maar actief naar werk zocht en een sollicitatiegesprek had, wat juist aantoont dat zij behoefte had aan kinderopvang. Zij had dus geen enkele reden om de kinderopvang voor 2016 zelf te stoppen.
13.1. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht kent de Dienst Toeslagen een compensatie toe aan een aanvrager van kinderopvangtoeslag die schade heeft geleden doordat bij de uitvoering sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen of doordat de uitvoering heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit de hardheid van het stelsel. Volgens het tweede lid wordt geen compensatie toegekend indien de door de aanvrager van een kinderopvangtoeslag geleden schade is te wijten aan ernstige onregelmatigheden die aan hem toerekenbaar zijn. In de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 2.1 van de Wht is een niet-limitatieve opsomming van kenmerken genoemd die tot het oordeel kunnen leiden dat sprake is van institutionele vooringenomenheid of hardheid van het stelsel. Ook zijn in de totstandkomingsgeschiedenis voorbeelden opgenomen van ernstige onregelmatigheden die toerekenbaar zijn aan de aanvrager, waaronder de situatie dat in het geheel geen opvang is genoten. De Afdeling verwijst hiervoor naar Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3 (herdruk), blz. 70-72.
13.2. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat de neerwaartse bijstelling van de kinderopvangtoeslag voor het jaar 2008 niet het gevolg was van institutionele vooringenomenheid of hardheid van het stelsel. Uit de overgelegde stukken blijkt dat [appellante] voor het toeslagjaar 2008 tussentijds wijzigingen heeft doorgegeven. Daardoor is de voorschotberekening van oorspronkelijk € 6.354 verhoogd naar € 7.646 en vervolgens naar € 20.135. Daarna heeft [appellante] op het op 22 juni 2009 door haar ondertekende antwoordformulier (met overlegging van de jaaropgave) ingevuld dat zij in totaal 2.711 uren kinderopvangtoeslag heeft genoten tegen een totaal bedrag van € 17.543. Zij heeft dus ook volgens haar eigen opgave minder opvang genoten dan dat zij vooraf heeft doorgegeven, wat ertoe heeft geleid dat de vergoeding met € 4.095 naar beneden is bijgesteld. Hiermee blijkt dus niet van een willekeurige wijziging van de opvanguren. Uit het antwoordformulier blijkt verder dat [appellante] in de eerste helft van het jaar kinderopvang afnam bij een gastouder en niet bij kinderopvang Combiwel. Die uitbetaling heeft wel rechtsreeks plaatsgevonden aan [appellante]. Dat er rechtstreeks aan Combiwel is betaald, betekent dus niet dat [appellante] niet teveel kinderopvangtoeslag heeft ontvangen.
13.3. De Afdeling is verder met de rechtbank van oordeel dat [appellante], ondanks dat de Dienst Toeslagen met institutionele vooringenomenheid heeft gehandeld, geen aanspraak maakt op compensatie voor de periode januari 2012 tot en met mei 2012. Uit de beschikbare gegevens uit KOI-viewer, het systeem waarin kinderopvanginstellingen doorgeven of er kinderopvang genoten is, volgt dat [appellante] alleen over de periode juni 2012 tot en met december 2012 kinderopvang heeft afgenomen. Zij heeft niet aannemelijk gemaakt dat er getwijfeld moet worden aan de gegevens uit KOI-viewer. De stelling dat intensieve mantelzorg niet te combineren was met de zorg voor een jong kind is onvoldoende om te twijfelen aan de gegevens uit KOI-viewer. Dat aanvankelijk voorschotbeschikkingen zijn genomen en betalingen zijn verricht, betekent evenmin dat getwijfeld moet worden aan de gegevens uit KOI-viewer. De voorschotbeschikkingen en daarop gebaseerde betalingen hebben immers een voorlopig karakter en worden gebaseerd op door de ontvanger van de kinderopvangtoeslag verstrekte gegevens of op de bekende gegevens over het voorafgaande toeslagjaar. [appellante] had dus over deze periode evident geen recht op kinderopvangtoeslag. Dat dit een ernstige onregelmatigheid oplevert die aan compensatie in de weg staat is niet in geschil.
13.4. De Afdeling is ook met de rechtbank van oordeel dat bijstelling van de kinderopvangtoeslag naar nihil voor het jaar 2016 niet het gevolg was van institutionele vooringenomenheid of hardheid van het stelsel. In het door [appellante] op 31 augustus 2017 ondertekende antwoordformulier heeft zij aangekruist in 2016 geen gebruik te hebben gemaakt van kinderopvang. [appellante] heeft verder geen stukken overgelegd, waaruit blijkt dat het aannemelijk is dat zij wel kinderopvang heeft afgenomen in 2016. Dat zij op 28 juni 2017 heeft vermeld geen uitkering meer te hebben en actief op zoek te zijn naar werk, betekent nog niet dat zij kinderopvang in 2016 heeft afgenomen. Uit de stukken blijkt dat dit een reactie van [appellante] was op een informatieverzoek van de Dienst Toeslagen voor de in 2017 te verstrekken kinderopvangtoeslag. Ook volgt hieruit dat zij eerder een uitkering had, waardoor het zonder verdere onderbouwing ook niet in de rede ligt aan te nemen dat [appellante] daarvoor kinderopvang heeft afgenomen.
13.5. De betogen slagen niet.
De evenredigheid van het forfaitaire compensatiebedrag
14. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er geen ruimte is om de hoogte van het forfaitaire compensatiebedrag te toetsen aan het evenredigheidsbeginsel. Volgens haar spelen fundamentele rechtsbeginselen altijd een rol, ook waar sprake is van een formele wet. Een symbolische compensatie van € 1.836 staat niet in verhouding tot de zeventien jaren waarin zij geconfronteerd is met de gevolgen van de toeslagenproblematiek. Door haar te verplichten een verzoek in te dienen bij de Commissie Werkelijke Schade wordt zij gedwongen tot een eindeloze opeenstapeling van procedures.
14.1. De Afdeling stelt vast dat de Wht een wet in formele zin is. Artikel 2.6, tweede lid, waarin is opgenomen dat de tegemoetkoming 30 procent van het bedrag van de terugvordering bedraagt, valt dus onder het toetsingsverbod van artikel 120 van de Grondwet. Dat betekent dat de Afdeling artikel 2.6, tweede lid, van de Wht in beginsel niet mag toetsen aan het evenredigheidsbeginsel.
14.2. Zoals de Afdeling in de uitspraak van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772, onder 9.11-9.13 uiteengezet heeft, is er ondanks dit toetsingsverbod soms toch ruimte om tot een andere uitkomst te komen dan waar toepassing van een wettelijke bepaling toe leidt. Dit is het geval als zich bijzondere omstandigheden voordoen die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever en deze omstandigheden de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven. Daarbij kan het ook gaan om gevolgen van de toepassing van de wettelijke bepaling die niet stroken met wat de wetgever kan hebben bedoeld of voorzien.
14.3. De Afdeling gaat hieronder dus eerst in op de vraag of de wetgever de in deze zaak aan de orde zijnde gevolgen van (toepassing van) artikel 2.6, tweede lid, van de Wht heeft bedoeld en voorzien. Als de wetgever de gevolgen van de toepassing van dit artikel inderdaad heeft bedoeld en voorzien, kan de Afdeling vanwege het toetsingsverbod niet toekomen aan beantwoording van de vraag of artikel 2.6, tweede lid, van de Wht buiten toepassing moet worden gelaten omdat sprake zou zijn van strijd met het evenredigheidsbeginsel.
14.4. In de memorie van toelichting bij de Wht heeft de wetgever de door hem gemaakte keuzes toegelicht (Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3). Daarin is over het hier aan de orde zijnde punt opgenomen dat gedupeerden door een onterechte O/GS-kwalificatie niet worden gecompenseerd, omdat deze terugvorderingen op zichzelf niet onterecht waren. Wel krijgen de ouders een financiële tegemoetkoming voor het ondervonden nadeel van 30% van de betreffende terugvorderingen. De O/GS-tegemoetkomingsregeling geldt alleen indien de ouder geen recht heeft op (ruimere) compensatie op grond van de compensatieregeling over hetzelfde berekeningsjaar. Als de werkelijke schade hoger is dan 30% van de terugvordering, kunnen deze gedupeerden een O/GS-tegemoetkomingsregeling voor de hogere werkelijke schade aanvragen. Het proces hiervoor is hetzelfde als bij de compensatieregeling. Ook is daarin opgenomen dat de O/GS-tegemoetkoming van 30% van de terugvordering een forfaitaire tegemoetkoming is voor materiële en immateriële schade als gevolg van een onterechte O/GS-kwalificatie.
14.5. De Afdeling is van oordeel dat de wetgever voor ogen heeft gehad dat een O/GS-tegemoetkoming van 30% niet in alle gevallen de werkelijke schade dekt. In dat geval kan een gedupeerde bij de Commissie Werkelijke Schade een aanvraag indienen voor de hogere werkelijke schade. Daarbij merkt de Afdeling op dat de O/GS-tegemoetkoming van 30% niet ziet op de totale periode waarin iemand erkend is als gedupeerde. De tegemoetkoming heeft alleen betrekking op het toeslagjaar waarin de terugvordering op zichzelf niet onterecht was, maar waarbij vanwege de onterechte kwalificatie van opzet of grove schuld van hemzelf of zijn partner ten aanzien van het ontstaan van de terugvordering van de kinderopvangtoeslag geen persoonlijke betalingsregeling is toegekend of een buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd. In dit geval gaat het dus om de periode van januari 2012 tot en met mei 2012.
14.6. Het betoog slaagt niet.
Renteberekeningen
15. [appellante] betoogt verder dat de rechtbank wat betreft de renteberekeningen ten onrechte haar oordeel heeft beperkt tot de constatering dat die berekening navolgbaar is. Daarmee gaat de rechtbank voorbij aan het feit dat voor meerdere jaren systematisch onjuiste startdata zijn gehanteerd, wat duidt op een structureel gebrek in de uitvoering van de compensatieregeling.
15.1. De Afdeling is van oordeel dat de door de Dienst Toeslagen overgelegde renteberekeningen navolgbaar zijn. Uit de overgelegde renteberekeningen blijkt consistent op welk toeslagjaar de berekening betrekking heeft, wanneer de wettelijke rente is aangevangen, welk rentepercentage van toepassing is en voor welke periode dat rentepercentage gold. [appellante] heeft daar niets concreets tegenover gezet. Zo heeft zij niet geconcretiseerd welke renteberekening onjuist aanvangt en wanneer die had moeten aanvangen. Zij heeft volstaan met het plaatsen van niet gemotiveerde vraagtekens bij de berekeningen.
15.2. Het betoog slaagt niet.
Conclusie
16. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
17. De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Kouidar, griffier.
w.g. Willems
lid van de enkelvoudige kamer
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2026
1120