ECLI:NL:RVS:2026:5315

ECLI:NL:RVS:2026:5315

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 09-09-2026
Datum publicatie 09-09-2026
Zaaknummer 202305021/1/R1
Rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 19 november 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Roermond aan [partij] een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een aanbouw aan de woning op het perceel [locatie 1] in Roermand. Bij besluit van 30 december 2020 heeft het college het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen aanwezige bebouwing en in uitvoering zijnde bouwactiviteiten op het perceel afgewezen. [appellant] woont aan de [locatie 2] in Roermond. Zij heeft het college op 7 juli 2020 verzocht om handhavend op te treden tegen aanwezige bebouwing en de in uitvoering zijnde bouwactiviteiten op het naastgelegen perceel. Het handhavingsverzoek gaat over de volgende bouwwerken: A. Bestaande aanbouw tegen achterzijde woning; B. Constructie houten palen en liggers waartussen een vast doek; C. Tuinhuis; D. Betonnen vloerplaat ten behoeve van te bouwen aanbouw (hobbyruimte); E. Bestaande overkapping; F. Houten constructie ter ondersteuning van leilinden; G. Houten kast voor de opslag van tuingereedschap; H. Houtopslag. Het college heeft voor de bestaande aanbouw aan de achterzijde van de woning (bouwwerk A) en een nieuw te bouwen aanbouw aan de achterzijde van de woning (bouwwerk D) een omgevingsvergunning verleend voor de activiteit "planologisch strijdig gebruik" als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo.

Uitspraak

202305021/1/R1.

Datum uitspraak: 9 september 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in Roermond,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 29 juni 2023 in zaken nrs. 22/4 en 22/5 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Roermond.

Procesverloop

Bij besluit van 19 november 2020 heeft het college aan [partij] een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een aanbouw aan de woning op het perceel [locatie 1] in Roermand (het perceel).

Bij besluit van 30 december 2020 heeft het college het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen aanwezige bebouwing en in uitvoering zijnde bouwactiviteiten op het perceel afgewezen.

Bij besluit van 25 november 2021 heeft het college het door [appellant] tegen het besluit van 19 november 2020 gemaakte bezwaar deels gegrond en deels ongegrond verklaard en dat besluit in stand gelaten onder toevoeging van een vervangend deelbesluit "handeling in strijd met het bestemmingsplan".

Bij besluit van 21 december 2021 heeft het college de in bezwaar in stand gelaten omgevingsvergunning gewijzigd voor wat betreft de afmetingen van de in het bouwplan opgenomen hobbyruimte.

Bij besluit van 18 januari 2022 heeft het college het door [appellant] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 30 december 2020 ongegrond verklaard en het besluit van 30 december 2020 in stand gelaten onder wijziging van de motivering.

Bij uitspraak van 29 juni 2023 heeft de rechtbank de door [appellant] ingestelde beroepen gegrond verklaard, het besluit van 25 november 2021, zoals dat is gewijzigd bij besluit van 21 december 2021, en het besluit van 18 januari 2022 vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit moet nemen op de bezwaren van [appellant] binnen acht weken na bekendmaking van de uitspraak.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Bij afzonderlijke besluiten van 5 september 2023 heeft het college opnieuw op de bezwaarschiften van [appellant] beslist en de besluiten van 19 november 2020 en van 30 december 2020 met een gewijzigde motivering in stand gelaten.

[appellant] heeft te kennen gegeven zich niet met deze besluiten te kunnen verenigen en heeft hiertegen gronden aangevoerd.

Het college en [partij] hebben hierover een schriftelijk uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 13 juli 2026, waar het college, vertegenwoordigd door mr. N.M.N.L. Janssen en G.D. Di Francesco, zijn verschenen. Voorts is op de zitting [partij] als partij gehoord.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden.

Als een verzoek om handhaving van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt. Het verzoek om handhaving van de Wabo is gedaan op 7 juli 2020.

Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wabo. De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 8 oktober 2020.

Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Inleiding

2. [appellant] woont aan de [locatie 2] in Roermond. Zij heeft het college op 7 juli 2020 verzocht om handhavend op te treden tegen aanwezige bebouwing en de in uitvoering zijnde bouwactiviteiten op het naastgelegen perceel. Het handhavingsverzoek gaat over de volgende bouwwerken:

A. Bestaande aanbouw tegen achterzijde woning;

B. Constructie houten palen en liggers waartussen een vast doek;

C. Tuinhuis;

D. Betonnen vloerplaat ten behoeve van te bouwen aanbouw (hobbyruimte);

E. Bestaande overkapping;

F. Houten constructie ter ondersteuning van leilinden;

G. Houten kast voor de opslag van tuingereedschap;

H. Houtopslag.

3. Het college heeft voor de bestaande aanbouw aan de achterzijde van de woning (bouwwerk A) en een nieuw te bouwen aanbouw aan de achterzijde van de woning (bouwwerk D) een omgevingsvergunning verleend voor de activiteit "planologisch strijdig gebruik" als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo.

Wat betreft de overschrijding van de op grond van het bestemmingsplan "Maasniel" maximum toegestane goothoogte en bebouwingsoppervlakte voor bijgebouwen heeft het college met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1°, van de Wabo afgeweken van het bestemmingplan. Het college heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat het gebruik kan maken van de in artikel 27.1, aanhef en onder a, van het bestemmingsplan opgenomen binnenplanse afwijkingsbevoegdheid, omdat deze overschrijdingen binnen de daarin opgenomen 15%-afwijkingsnorm blijven. Daarbij heeft het college in aanmerking genomen dat het grondoppervlak van de bijgebouwen op het perceel in totaal 78,36 m² zal worden, terwijl op grond van het bestemmingsplan maximaal 70 m² is toegestaan. De goothoogte van bouwwerk A is 3,03 m en dat van bouwwerk D 3 m. Het bestemmingsplan staat volgens het college in dit geval een goothoogte van maximaal 2,80 m toe, zijnde de hoogte van de eerste bouwlaag van de woning.

Voor zover de bouwhoogte van bouwwerk A de op grond van het bestemmingsplan maximum toegestane bouwhoogte overschrijdt en bouwwerk D in strijd met het bestemmingsplan op minder dan 3 m van de voorgevel van de woning ligt, heeft het college met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 4, aanhef en onderdeel 1, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) afgeweken van het bestemmingsplan.

4. Het college heeft aan het in bezwaar in stand gebleven weigeringsbesluit om handhavend op te treden ten grondslag gelegd dat er geen sprake meer is van een overtreding en het college daarom niet bevoegd is om tegen de bouwwerken op te treden. Er is namelijk een omgevingsvergunning verleend voor de bouwwerken A en D. Verder zijn de bouwwerken E, F en H inmiddels verwijderd en zijn de bouwwerken B, C en G vergunningvrij, aldus het college in het besluit op bezwaar van 18 januari 2022.

Niet in geschil is dat er ten aanzien van de bouwwerken E, F, H, C en G ten tijde van het besluit op bezwaar geen sprake is van een overtreding. Het geschil spitst zich toe op de vergunde aanbouwen A en D en de als bouwwerk B aangeduide pergola.

5. De rechtbank heeft geoordeeld dat de verleende omgevingsvergunning voor de bouwwerken A en D berust op het onjuiste uitgangspunt dat de overschrijding van de maximale totale oppervlakte aan bijgebouwen binnen de grenzen van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid blijft. De rechtbank heeft daarover overwogen dat bouwwerk B een bijgebouw is als bedoeld in het bestemmingsplan en dat daarvoor in de huidige verschijningsvorm een omgevingsvergunning is vereist voor de c-activiteit vanwege de overschrijding van het maximaal te bebouwen grondoppervlak.

Dat betekent naar het oordeel van de rechtbank dat de oppervlakte van bouwwerk B moet worden meegenomen bij de vergunningverlening voor bouwwerken A en D en dat het college op onjuiste gronden heeft afgezien van handhavend optreden tegen bouwwerk B.

6. Het hoger beroep van [appellant] richt zich niet tegen de beslissing van de rechtbank tot vernietiging van de besluiten, maar tegen de overwegingen die daaraan ten grondslag liggen.

De omgevingsvergunning

Omvang van de aanvraag

7. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat bouwwerk B onderdeel van de aanvraag om omgevingsvergunning is. Zij heeft hierover aangevoerd dat een omgevingsvergunning is aangevraagd voor de bouwwerken A, B en D. [appellant] heeft er op gewezen dat het college, door alleen een omgevingsvergunning voor A en D te verlenen, niet heeft beslist op de aanvraag zoals die is ingediend.

7.1. In wat [appellant] heeft aangevoerd heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat bouwwerk B onderdeel is van het bouwplan waarvoor de omgevingsvergunning is gevraagd. Op het aanvraagformulier staat weliswaar niet nadrukkelijk vermeld op welke bouwwerken op het perceel de aanvraag betrekking heeft. Maar wel is hierop vermeld dat de omgevingsvergunning wordt gevraagd voor de bijgebouwen die in strijd zijn met het bestemmingsplan vanwege de daarin opgenomen regels over de maximale oppervlakte en goothoogte. Niet in geschil is dat het voor zowel [partij] als het college duidelijk was dat bouwwerk B daarmee geen onderdeel van het bouwplan is. De pergola was volgens het college namelijk geen bijgebouw, maar een (vergunningvrij) bouwwerk, geen gebouw zijnde. Het betoog slaagt niet.

Wijziging bouwplan van 21 december 2021

8. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de wijzigingen die met het besluit van 21 december 2021 in het bouwplan zijn aangebracht niet van ondergeschikte aard zijn. [appellant] heeft hierover aangevoerd dat met de gewijzigde maatvoering van de bouwwerken A en D, de gewijzigde hoogte van bouwwerk B en wijzigingen in de gevels van bouwwerk D niet meer gesproken kan worden van hetzelfde bouwplan.

8.1. Dit betoog slaagt niet. Het besluit van 21 december 2021 gaat alleen over de gewijzigde afmetingen van bouwwerk D. Bouwwerk D zal 9 cm breder en 14 cm langer worden gemaakt dan aanvankelijk was vergund. Volgens de tekeningen van het gewijzigde bouwplan die bij het besluit van 21 december 2021 horen, bevinden zich geen ramen in de rechterzijgevel van bouwwerk D. Ook zijn de afmetingen van bouwwerk A niet veranderd.

Zijn de bouwwerk A en D bijgebouwen?

9. [appellant] betoogt dat de rechtbank bouwwerken A en D ten onrechte heeft aangemerkt als een bijgebouw als bedoeld in het bestemmingsplan. Volgens [appellant] gaat het om uitbreiding van het hoofgebouw en is het bouwplan daarom in strijd met de bouwregels voor een gebouw in artikel 4.2, eerste lid, van de planvoorschriften. Daarover heeft [appellant] aangevoerd dat bouwwerk D niet voldoet aan de voor een hoofdgebouw geldende afstandseis tot de perceelsgrens. Verder wordt door de bouw van bouwwerken A en D de maximaal toegestane uitbreiding van het hoofdgebouw overschreden.

9.1. In wat [appellant] heeft aangevoerd heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college bouwwerken A en D ten onrechte als bijgebouw heeft aangemerkt. Beide bouwwerken zijn aanbouwen als bedoeld in artikel 1.2 van de planvoorschriften. De aan het hoofdgebouw vast gebouwde bouwwerken zijn architectonisch ondergeschikt aan het hoofdgebouw en maken in functioneel opzicht deel uit van het hoofdgebouw. In artikel 1.2 van de planvoorschriften worden aanbouwen voor de toepassing van de voorschriften in het bestemmingsplan gelijkgesteld met aan het hoofdgebouw aangebouwde bijgebouwen.

Dat de voordeur van de woning in bouwwerk D zal komen, betekent niet dat het niet meer gaat om een aanbouw als bedoeld in het bestemmingsplan.

Het betoog slaagt niet.

Goothoogte

10. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank had moeten oordelen dat het college wat betreft de goothoogte van de bouwwerken A en D niet bevoegd was om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1°, van de Wabo, in samenhang met artikel 27.1 van het bestemmingsplan af te wijken van het bestemmingsplan. Hierbij heeft zij met verwijzing naar een tekening en foto’s aangevoerd dat de hoogte van de eerste bouwlaag van de in 1964 vergunde woning 2,60 m is in plaats van 2,80 m, waarvan het college en rechtbank uitgaan. Dat betekent dat de goothoogte met gebruikmaking van de 15% afwijkingsnorm in artikel 27.1 van het bestemmingsplan maximaal 2,99 m mag zijn. De goothoogtes van bouwwerken A en D zijn hoger, aldus [appellant].

10.1. Ook dit betoog slaagt niet. Op grond van artikel 4.2, tweede lid, aanhef en onder c, van de planvoorschriften mag de goothoogte van de bouwwerken A en D niet meer bedragen dan de hoogte van de eerste bouwlaag. In wat [appellant] heeft aangevoerd bestaat geen grond voor het oordeel dat het college er ten onrechte van uit is gegaan dat de maximaal toegestane goothoogte in dit geval 2,80 m is. Zoals de rechtbank terecht in aanmerking heeft genomen, is in de tekening van de "doorsnede westgevel" bij de aanvraag en omgevingsvergunning voor de eerste bouwlaag een hoogte van 2,80 m vermeld. Het college heeft toegelicht dat de verdiepingsvloer van ongeveer 20 cm dik wordt meegenomen bij de bepaling van de hoogte van de eerste bouwlaag. Dat verklaart volgens het college ook het verschil met de hoogte van 2,60 m die op de bouwtekening bij de in 1964 verleende omgevingsvergunning is vermeld en waar [appellant] naar verwijst. De Afdeling ziet geen aanleiding om te twijfelen aan deze toelichting. Verder heeft [appellant] haar stelling dat de doorlopende witte band op de buitenmuur de hoogte van de eerste bouwlaag weergeeft, mede in het licht van de gemotiveerde betwisting daarvan door [partij], niet aannemelijk gemaakt.

Grondoppervlak van de bijgebouwen op het bouwperceel

11. [appellant] betoogt ook dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de in artikel 4.2, tweede lid, aanhef en onder b, van het bestemmingsplan voorgeschreven maximale grondoppervlakte van 70 m² alleen geldt voor vergunningplichtige bijgebouwen en dat daarom in dit geval alleen de oppervlakte van bouwwerk A, B en D moet worden meegenomen bij de beoordeling van de aanvraag. Volgens [appellant] volgt uit artikel 2.9 van het Bor dat alle al aanwezige bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied moeten worden meegeteld. In dit geval is dat de oppervlakte van de bouwwerken A, B, C, D en G, in totaal 106,86 m² of 107,77 m². De bouw van de bouwwerken A en D zal dus leiden tot een ruime overschrijding van de oppervlakte aan bijgebouwen die in het bestemmingsplan is toegestaan en waarvoor binnenplans ook geen afwijkingsmogelijkheid bestaat, aldus [appellant].

11.1. In artikel 2.9 van het Bor is bepaald dat al aanwezige bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied, dus ook als ze vergunningvrij zijn, moeten worden meegeteld bij de beoordeling of een bouwplan binnen de bouwregels van een bestemmingsplan blijft. Het in artikel 4.2, tweede lid, aanhef en onder b, van het bestemmingsplan voorgeschreven maximum grondoppervlak geldt alleen voor bijgebouwen. De begrippen bijbehorend bouwwerk en bijgebouw komen niet altijd overeen. Artikel 2.9 van het Bor heeft daarom voor de toepassing van artikel 4.2, tweede lid, aanhef en onder b, betekenis voor zover deze begrippen overlappen. Dat betekent dat op grond van artikel 2.9 van het Bor de oppervlakte van alle in het bebouwingsgebied aanwezige bijgebouwen die óók een bijbehorend bouwwerk zijn, in mindering moet worden gebracht op het door het bestemmingsplan toegestane maximum van de toegestane bijgebouwen. Voor het oordeel dat ook de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken die geen bijgebouw zijn moet meetellen, zoals [appellant] stelt, bestaat geen grond. Maar de rechtbank heeft dus wel ten onrechte overwogen dat alleen vergunningplichtige bijgebouwen moeten worden meegeteld.

Het betoog slaagt.

Goede ruimtelijke ordening bouwhoogte bouwwerk A

12. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het besluit op bezwaar wat betreft de bouwhoogte van bouwwerk A niet is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en dat daardoor niet voldoende is gemotiveerd dat het bouwplan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

12.1. Dit betoog slaagt niet. Het college heeft in het besluit op bezwaar voldoende gemotiveerd waarom het de bouwhoogte van 3,18 m van bouwwerk A in dit geval ruimtelijk aanvaardbaar vindt. Het college heeft daarbij in aanmerking genomen dat de aanbouw bouwkundig gezien duidelijk ondergeschikt is aan de woning. Het college heeft daarbij van belang geacht dat de bouwhoogte van de aanbouw in proportie is. Verder heeft het college in aanmerking genomen dat de aanbouw aan de achterzijde van de woning ligt en daardoor niet goed zichtbaar is vanaf de straat. Verder ligt de aanbouw op een afstand van 1 m ten opzichte van de linker zijdelingse perceelgrens. Omdat de afwijkende bouwhoogte geen grote gevolgen zal hebben voor de bezonning van het naburige perceel en er evenmin sprake is van een inbreuk op de privacy, zal bouwwerk A volgens het college niet leiden tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van (direct) omwonenden. [appellant] heeft niet aangevoerd wat er niet deugt aan deze onderbouwing.

Handhaving

13. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college terecht heeft afgezien van handhavend optreden wat betreft de op het perceel aanwezige bouwwerken, behalve wat betreft bouwwerk B.

14. Voor zover [appellant] beoogt te betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat bouwwerk D als laatste op het perceel is toegevoegd en het college hiertegen handhaven had moeten optreden, slaagt dat niet. Omdat het college ten tijde van de besluitvorming over de handhaving een omgevingsvergunning voor de bouwwerk D had verleend, was er geen overtreding waartegen het college handhavend kon optreden.

Conclusie over het hoger beroep

15. Het hoger beroep is gegrond. Omdat niet de beslissing van de rechtbank is aangevochten, maar uitsluitend een overweging waarop de uitspraak rust, leidt dit niet tot vernietiging van de rechtbankuitspraak.

Het beroep tegen de besluiten op bezwaar van 5 september 2023

16. Met de besluiten van 5 september 2023 heeft het college ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank opnieuw beslist op de door [appellant] gemaakte bezwaren.

In het besluit op het bezwaar over de omgevingsvergunning heeft het college de omgevingsvergunning van 19 november 2020 met een gewijzigde motivering in stand gelaten. Het college heeft hierbij in aanmerking genomen dat de rechtbank weliswaar terecht heeft geoordeeld dat bouwwerk B een gebouw was, maar dat tijdens een controle op 2 augustus 2023 is gebleken dat bouwwerk B inmiddels is gewijzigd en het niet langer een gebouw is. Daarom telt de oppervlakte van bouwwerk B niet mee bij de toetsing aan artikel 4.2, tweede lid, aanhef en onder b, van het bestemmingsplan. Omdat de oppervlakte van de bouwwerken A en D volgens het college samen 78,8 m2 is, stelt het college zich opnieuw op het standpunt dat voor deze overschrijding gebruik kan worden gemaakt van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid. Over de goothoogte van bouwwerk D heeft het college nog toegelicht dat deze 2,87 m is en niet 3 m, zoals in de eerdere besluitvorming abusievelijk was vermeld.

In het besluit op bezwaar over de weigering om handhavend op te treden heeft het college de weigering om handhavend op te treden onder een gewijzigde motivering ook in stand gelaten. Het college heeft hierbij in aanmerking genomen dat de bouwwerken C en G vergunningvrij zijn en dat E, F, en H zijn verwijderd, zodat er in zoverre geen overtreding is. Wat betreft bouwwerk B heeft het college zich op het standpunt gesteld dat dit door de inmiddels aangebrachte wijziging niet langer een gebouw is. Omdat voor dit bijbehorend bouwwerk geen vergunning is vereist, is ook in zoverre geen sprake van een overtreding. Aangezien de omgevingsvergunning voor de bouwwerken A en D in het nieuwe besluit op bezwaar van 5 september 2023 in stand is gelaten, is ook wat betreft de bouwwerk A en D geen sprake van een overtreding, aldus het college.

17. Deze besluiten worden op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in samenhang met artikel 6:24, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. Dat wil zeggen dat van de zijde van [appellant] van rechtswege een beroep tegen deze besluiten is ontstaan.

18. [appellant] kan zich niet met de nieuwe besluiten verenigen. Zij heeft aangevoerd dat de in hoger beroep aangevoerde gronden onverkort gelden tegen de nieuwe besluiten. Zij verzoekt de Afdeling de hoger beroepsgronden als herhaald en ingelast te beschouwen. Daarnaast heeft [appellant] aangevoerd dat de bouwinspecteur bij controle op 2 augustus 2023 zich ten onrechte heeft beperkt tot de controle van bouwwerk B.

18.1. Voor zover het betoog ziet op de overschrijding van de oppervlakte aan bijgebouwen die in het bestemmingsplan maximaal is toegestaan, overweegt de Afdeling als volgt. Niet in geschil is dat bouwwerk B, de pergola, door de daaraan aangebrachte wijzigingen, ten tijde van het nemen van het nieuwe besluit op bezwaar een bouwwerk, geen gebouw zijnde is. Met verwijzing naar wat de Afdeling onder 11.1 over de toetsing aan artikel 4.2, tweede lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften heeft overwogen, heeft het college de oppervlakte van de pergola dan ook terecht niet meegeteld bij de bepaling van het bebouwd oppervlak als bedoeld in dit artikel. Bouwwerk B is namelijk geen bijgebouw.

Het college had echter de oppervlakte van de bouwwerken C en G wel moeten meetellen bij de berekening van de maximaal toegestane oppervlakte aan bijgebouwen, aangezien alle in het bebouwingsgebied aanwezige bijgebouwen, die ook een bijbehorende bouwwerk zijn, daarbij moeten worden meegenomen. Dat heeft het college ten onrechte niet gedaan. Dit betekent dat het besluit op bezwaar over de omgevingsvergunning op dit punt niet deugdelijk is gemotiveerd en moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Het betoog slaagt in zoverre.

18.2. De Afdeling ziet evenwel aanleiding om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten. Het college heeft namelijk in hoger beroep gemotiveerd toegelicht dat de gezamenlijke oppervlakte van de bouwwerken A, C, D en G in totaal 77,32 m² is. Dat betekent dat het college alsnog voldoende heeft gemotiveerd dat het bevoegd is om artikel 27.1, aanhef en onder a, van de planvoorschriften toe te passen. Op grond van dat artikel kan namelijk tot maximaal 80,5 m² worden afgeweken.

18.3. De overige aangevoerde beroepsgronden van [appellant] geven ook geen aanleiding voor vernietiging van de besluiten op bezwaar.

Voor het oordeel dat het college bij de voorbereiding van de nieuwe besluiten op bezwaar onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de feitelijke situatie op het perceel ziet de Afdeling geen grond. Gelet op de uitspraak van de rechtbank heeft het college kunnen volstaan met een onderzoek naar de aangebrachte wijzigingen in bouwwerk B. Er zijn geen aanwijzingen en [appellant] heeft dat ook niet aangevoerd dat er ten aanzien van de overige bouwwerken op het perceel iets is gewijzigd.

Voor zover [appellant] verder voor de gronden van haar beroep tegen de nieuwe besluiten de door haar in hoger beroep aangevoerde beroepsgronden herhaalt, verwijst de Afdeling naar wat daarover bij de beoordeling van het hoger beroep is overwogen.

Deze betogen slagen in zoverre niet.

Conclusie over het beroep

19. Het beroep van [appellant] tegen het besluit op bezwaar van 5 september 2023 van het college over de omgevingsvergunning is gegrond. Dit besluit zal worden vernietigd. De Afdeling zal bepalen dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven. Dat betekent dat de bouwwerken A en D mogen blijven staan.

Het beroep van [appellant] tegen het besluit op bezwaar van 5 september 2023 van het college over het verzoek om handhaving is ongegrond.

Verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn

20. [appellant] heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De Afdeling komt tot de conclusie dat dit verzoek moet worden toegewezen. De Afdeling overweegt hierover het volgende.

20.1. De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. De redelijke termijn die uitgangspunt is voor de afdoening van bestuursrechtelijke geschillen die bestaan uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties, is in dit geval vier jaar.

Hierbij wordt een half jaar gerekend voor de behandeling van het bezwaar, anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep en twee jaar voor de behandeling van het hoger beroep. De redelijke termijn begint op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift heeft ontvangen. Zie de uitspraak van de Afdeling van 18 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:155, onder 6.2.

Hier is sprake van meer zaken van één belanghebbende die betrekking hebben op hetzelfde onderwerp, namelijk de verlening van een omgevingsvergunning en de weigering om handhavend op te treden, waarbij feitelijk dezelfde bebouwing onderwerp van geschil is. Beide zaken zijn zowel bij de rechtbank als in hoger beroep gezamenlijk behandeld. In gevallen als deze wordt per fase van de procedure waarin sprake is geweest van gezamenlijk behandeling, voor die zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500,00 per half jaar gehanteerd. Zie de uitspraak van de Afdeling van 11 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1412). Aangezien de redelijke termijn in beide zaken niet tegelijkertijd is aangevangen, zal de Afdeling voor de bepaling van de mate van overschrijding van de redelijke termijn de datum van ontvangst van het eerste bezwaarschrift nemen als datum van aanvang van de redelijke termijn in beide zaken.

Het college heeft het eerste bezwaarschrift van [appellant] tegen het besluit van 19 november 2020 ontvangen op 18 december 2020. De redelijke termijn is daarom op 18 december 2020 aangevangen. Deze uitspraak is van 9 september 2026. De redelijke termijn is daarom met 1 jaar en ruim 8 maanden overschreden. De overschrijding van de redelijke termijn moet voor 1/3 deel worden toegerekend aan het college en voor 2/3 deel aan de Afdeling.

De Afdeling hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. Daarmee wordt de schadevergoeding vastgesteld op € 2.000,00.

Omdat de overschrijding van de redelijke termijn aan het college en de Afdeling is toe te rekenen, wordt de vergoeding van schade naar evenredigheid uitgesproken ten laste van het college en de Staat (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties). Dat betekent dat de Afdeling het college zal veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding aan [appellant] van € 666,67 en de Staat tot een schadevergoeding van in totaal € 1.333,33.

21. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. verklaart het beroep van [appellant] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Roermond van 5 september 2023 over de omgevingsvergunning gegrond;

III. vernietigt dit besluit van het college van burgemeester en wethouders van Roermond van 5 september 2023, kenmerk 115527-2020, 145162-2020, 8204-2022 en 86288-2023;

IV. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dit vernietigde besluit in stand blijven;

V. verklaart het beroep van [appellant] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Roermond van 5 september 2023 over het verzoek om handhaving ongegrond;

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Roermond aan [appellant] het door haar voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 274,00 vergoedt;

VII. wijst het verzoek om schadevergoeding toe;

VIII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Roermond tot betaling aan [appellant] van een schadevergoeding van € 666,67;

IX. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot betaling aan [appellant] van een schadevergoeding van € 1.333,33.

Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Deen, griffier.

w.g. Meijer

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Deen

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2026

604

BIJLAGE

Besluit omgevingsrecht

Artikel 2.9

Bij de vaststelling of het bouwen van een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van bijlage II in achtererfgebied als bedoeld in dat artikellid al dan niet in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening, worden reeds aanwezige bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied, bedoeld in dat artikellid, in mindering gebracht op het door het bestemmingsplan of de beheersverordening toegestane maximum van die bouwwerken.

Bestemmingsplan Maasniel

Artikel 1 Begripsbepalingen

[…]

2. aan- en/of bijbouw:

een aan een hoofdgebouw vast gebouwd bouwwerk, dat architectonisch ondergeschikt is aan het hoofdgebouw, maar dat in functioneel opzicht deel uitmaakt van het hoofdgebouw; voor de toepassing van deze voorschriften wordt een aan- of uitbouw gelijkgesteld met een aan het hoofdgebouw aangebouwd bijgebouw;

[…]

15. bijgebouw:

een gebouw dat in bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw en dat ten dienste staat van dat hoofdgebouw;

[…]

Artikel 4.2 Bouwvoorschriften

Op de als "Woondoeleinden W" bestemde gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de in lid 4.1 genoemde bestemmingen worden gebouwd. Hierbij gelden de volgende voorwaarden.

[…]

1. Gebouwen

[…]

c. ten behoeve van de uitbreiding van hoofdgebouwen mag worden gebouwd, mits door de uitbreiding het bestaande bebouwd oppervlak van het hoofdgebouw ten tijde van de ter inzagelegging van het ontwerpplan met niet méér dan 20% van dezelfde functie wordt vergroot;

[…]

g. de afstand van de hoofdgebouwen tot de zijdelingse perceelgrenzen dient voor vrijstaande woningen tenminste 3.00 m en voor geschakelde woningen aan de niet aaneengebouwde zijde van het hoofdgebouw tenminste 3.00 m te bedragen;

h. 1. per bouwperceel voor woondoeleinden tot 200 m2 moet tenminste 30% onbebouwd en onoverdekt blijven;

2. per bouwperceel voor woondoeleinden tussen 200 m2 en 400 m2 moet tenminste 40% onbebouwd en onoverdekt blijven;

3. per bouwperceel voor woondoeleinden tussen 400 m2 en 600 m2 moet tenminste 50% onbebouwd en onoverdekt blijven;

4. per bouwperceel voor woondoeleinden groter dan 600 m2 moet tenminste 60% onbebouwd en onoverdekt blijven;

2. Bijgebouwen

Bij iedere woning mogen op het bijbehorende erf, zijnde de gronden gelegen achter de voorgevelrooilijn, bijgebouwen worden gebouwd met dien verstande dat:

a. de bijgebouwen ten minste 3.00 m achter het verlengde van de voorgevels van het hoofdgebouw worden geplaatst, tenzij het een aan de wegzijde gelegen open stallingsruimte voor personenauto’s betreft;

b. het totale grondoppervlak van de bijgebouwen mag per bouwperceel voor de in lid 4.1 aangegeven doeleinden niet meer dan 70 m2 bedragen. Het bepaalde in lid 4.2.1.h is hier van overeenkomstige toepassing.

c. bijgebouwen mogen met een kap worden gerealiseerd met een goothoogte van maximaal 2.70 m en een bouwhoogte van maximaal 5.00 m of met een plat dak waarbij de bouwhoogte maximaal 3.00 m mag bedragen. Indien de bijgebouwen aansluitend aan de woning worden gerealiseerd, mag de goothoogte niet meer bedragen dan de hoogte van de eerste bouwlaag.

Artikel 27 Algemene vrijstellingsbevoegdheid

27.1 Indien niet op grond van een andere bepaling van deze voorschriften vrijstelling kan worden verleend , zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van de desbetreffende bepalingen van het plan voor:

a. het met 15% afwijken van de toegelaten maximum maten ten aanzien van:

1. totale grondoppervlakken en bebouwingspercentages;

2. goothoogten van hoofdgebouwen en bijgebouwen;

3. hoogten van bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand