ECLI:NL:RVS:2026:5317

ECLI:NL:RVS:2026:5317

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 09-09-2026
Datum publicatie 09-09-2026
Zaaknummer 202503332/1/A3
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 15 mei 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Groningen aan [appellante] een last onder bestuursdwang opgelegd. [appellante] is eigenaar van het varend woonschip ‘[naam]’ (woonschip) dat ligt aan de Noorderhaven in Groningen. Een omwonende heeft bij de gemeente zorgen geuit over de kwaliteit van de mast van het woonschip. Naar aanleiding daarvan heeft een toezichthouder van het college op 30 juni 2022 vanaf de kade de mast bekeken. De toezichthouder heeft een kromming van de mast en zichtbare scheuren in het hout van de mast waargenomen. Een dag later heeft een deskundige vanaf de kade geoordeeld dat er diepe scheurvorming in de mast aanwezig is, alsmede een kromming en tordering van de mast. Volgens de deskundige is voor een deugdelijke beoordeling van de staat van de mast een complete mastinspectie noodzakelijk.

Uitspraak

202503332/1/A3.

Datum uitspraak: 9 september 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend in Groningen,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-­Nederland van 14 mei 2025 in zaak nr. 24/515 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Groningen.

Procesverloop

Bij besluit van 15 mei 2023 heeft het college aan [appellante] een last onder bestuursdwang opgelegd.

Bij besluit van 11 januari 2024 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 mei 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 12 augustus 2026, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. H. Blokzijl, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. [appellante] is eigenaar van het varend woonschip ‘[naam]’ (woonschip) dat ligt aan de Noorderhaven in Groningen. Een omwonende heeft bij de gemeente zorgen geuit over de kwaliteit van de mast van het woonschip. Naar aanleiding daarvan heeft een toezichthouder van het college op 30 juni 2022 vanaf de kade de mast bekeken. De toezichthouder heeft een kromming van de mast en zichtbare scheuren in het hout van de mast waargenomen. Een dag later heeft een deskundige vanaf de kade geoordeeld dat er diepe scheurvorming in de mast aanwezig is, alsmede een kromming en tordering van de mast. Volgens de deskundige is voor een deugdelijke beoordeling van de staat van de mast een complete mastinspectie noodzakelijk.

1.1. Bij het besluit van 15 mei 2023 heeft het college aan [appellante] een last onder bestuursdwang opgelegd inhoudende om uiterlijk op 27 juni 2023 de mast te strijken en gestreken te houden tot het moment dat is aangetoond dat de mast voldoende kwaliteit heeft. Daarnaast heeft het college [appellante] de gelegenheid geboden om in te gaan op een aanbod van het college om de mastinspectie voor haar te regelen waarbij de mast gestreken en gekeurd wordt. Als [appellante] niet aan de last voldoet, dan gaat het college over tot het uitvoeren van de last door het schip uit de Noorderhaven te verslepen naar een andere locatie, waarvoor de eventuele kosten op [appellante] worden verhaald.

Het college heeft het bezwaar van [appellante] met een gewijzigde motivering ongegrond verklaard. Uit het besluit volgt dat [appellante] aan de last kan voldoen door medewerking aan de toezichthouder te verlenen door de mast buiten de Noorderhaven door een deskundige te laten inspecteren. Het college heeft de proceskosten in bezwaar van [appellante] vergoed, omdat het college dit gelet op de gewijzigde motivering redelijk acht.

1.2. Op 31 januari 2025 heeft het college [appellante] aangeboden om een bedrijf in te huren dat de mastinspectie met een staande mast doet onder de voorwaarde dat het woonschip naar een plek buiten de haven wordt gesleept vanwege de verkeersafwikkeling aan de Noorderhaven Z.Z. Hierbij blijven de kosten van de mastinspectie en de sleepkosten voor rekening van de gemeente Groningen. [appellante] is daarmee niet akkoord gegaan, omdat het volgens haar mogelijk is om met een kleine hoogwerker vanaf de Noorderhaven Z.Z. de mastinspectie uit te voeren. Het verkeer wordt daarmee volgens haar niet gehinderd.

1.3. Het college heeft tot op heden de last nog niet uitgevoerd.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft allereerst geoordeeld dat het laten keuren van de mast binnen de bevoegdheid van het college valt.

De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat, gelet op de bevindingen van de toezichthouder en de deskundige, voldoende aanleiding is om te twijfelen aan de kwaliteit van de mast en het redelijk is dat voor de gezondheid en veiligheid van [appellante], omwonenden en de openbare vaarroute een mastinspectie wordt uitgevoerd.

Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat het betoog van [appellante] dat op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Binnenvaartwet en overige regelgeving een mast van een woonschip niet gekeurd hoeft te worden en dus dat geen sprake is van een overtreding niet slaagt. De rechtbank heeft geen rechtsregel of ander voorschrift kunnen vinden waaruit blijkt dat woonschepen met een mast niet gehouden zijn een mastkeur uit te voeren.

De rechtbank heeft ten slotte geoordeeld dat het besluit proportioneel is. Volgens de rechtbank wegen de gevolgen voor de veiligheid van [appellante] en omwonenden, en voor de veilige doorvaart in de Noorderhaven, zwaarder dan de gevolgen van de tijdelijke versleping van het woonschip voor [appellante].

Hoger beroep

3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college de last onder bestuursdwang aan haar mocht opleggen. Hiertoe voert ze ten eerste aan dat uit verschillende wet- en regelgeving, waaronder de Binnenvaartwet, volgt dat het college niet bevoegd is om de last onder bestuursdwang op te leggen.

[appellante] voert ten tweede aan dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat moet worden getwijfeld aan de kwaliteit van de mast. Anders dan het college stelt, heeft de mast geen diepe scheuren en is de mast slechts licht gebogen. Bovendien mocht het college niet uitgaan van het advies van de deskundige die de mast op 1 juli 2022 vanaf de kade heeft beoordeeld.

Ten derde voert [appellante] aan dat niet kan worden gesteld dat zij geen medewerking heeft verleend aan de toezichthouder als bedoeld in artikel 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ze gaat namelijk akkoord met een mastinspectie, maar dan wel onder de voorwaarde dat de mast ter plekke wordt geïnspecteerd met een staande mast.

Ten vierde voert [appellante] aan dat het besluit niet evenredig is. Het is namelijk volgens haar niet noodzakelijk dat de mastinspectie buiten de Noorderhaven plaatsvindt, omdat de mastinspectie ook ter plekke met een hoogwerker kan worden uitgevoerd.

[appellante] voert ten vijfde aan dat de persoon die het college heeft ingeschakeld om de inspectie uit te voeren, [persoon], niet deskundig genoeg is om een deskundig advies over de kwaliteit van de mast te geven waarop het college zich kan beroepen.

3.1. In artikel 2 van de Verordening Openbaar Vaarwater 2020 (VOV 2020) staat dat de verordening van toepassing is op al het openbaar vaarwater binnen de grenzen van de gemeente Groningen, in ieder geval voor zover het gaat om de specifieke belangen die deze verordening beoogt te beschermen (openbare orde, ordelijk gebruik, gezondheid, veiligheid, milieuaspecten en aanzien van de gemeente). Uit artikel 37 van de VOV 2020 volgt dat het college zorgdraagt voor de bestuurlijke handhaving van het bij of krachtens deze verordening bepaalde. In artikel 38 van de VOV 2020 staat dat met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze verordening bepaalde de door het college aangewezen ambtenaren zijn belast. Het college heeft gelet op het Aanwijsbesluit toezichthouders Stadstoezicht van 16 april 2019 de havenmeester als toezichthouder aangewezen. De havenmeester is daarom bevoegd om de in de Awb genoemde bevoegdheden uit te voeren. Op grond van artikel 5:20, eerste lid, van de Awb is een ieder verplicht aan een toezichthouder binnen de door hem gestelde redelijke termijn alle medewerking te verlenen die deze redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden. En op grond van het derde lid van artikel 5:20 van de Awb is het bestuursorgaan onder verantwoordelijkheid waarvan de toezichthouder werkzaam is, bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van het eerste lid. Gelet op het voorgaande is het college bevoegd om de last onder bestuursdwang op te leggen. Dat op grond van andere wet- en regelgeving waar [appellante] een beroep op doet geen sprake zou zijn van een overtreding dan wel van een bevoegdheid om handhavend op te treden, maakt dit niet anders.

3.2. De Afdeling is verder van oordeel dat er voldoende aanleiding is om te twijfelen aan de kwaliteit van de mast. Zowel een toezichthouder van het college als een deskundige hebben een kromming, tordering en scheuren in de mast waargenomen. Om te kunnen bepalen of de mast een gevaar vormt voor de veiligheid van [appellante], omwonenden en de veilige doorvaart in de Noorderhaven, mocht de toezichthouder van het college bepalen dat de mast van [appellante] moet worden gecontroleerd. [appellante] heeft met de enkele stelling dat de deskundige die op 1 juli 2022 de mast vanaf de kade heeft gecontroleerd geen juridische kennis zou hebben, onvoldoende onderbouwd dat de toezichthouder niet van het advies van de deskundige uit mocht gaan. [appellante] had zelf een deskundige kunnen inschakelen om een tegenadvies te laten opstellen, maar heeft dit niet gedaan.

Ook mocht van [appellante] worden verwacht dat ze medewerking aan de toezichthouder verleent. Anders dan [appellante] betoogt, heeft zij geen medewerking verleend door te eisen dat de mastinspectie ter plekke met een staande mast plaatsvindt. Het college mocht zich op het standpunt stellen dat het noodzakelijk is dat de mastinspectie buiten de Noorderhaven plaatsvindt, omdat in het geval de deskundige bij de inspectie twijfel heeft over de conditie van de mast of als blijkt dat de deskundige met een hoogwerker de staande mast (vanwege de overbrugging van de afstand tot de kade) niet volledig rondom kan beoordelen, de mast alsnog gestreken moet worden. Als de mast een slechte conditie heeft, zou de mast bij het strijken ervan kunnen afbreken wat gevaarlijk is voor de omgeving. Een deskundige moet in een veilige omgeving een goede beoordeling van de mast kunnen maken. Ook acht de Afdeling de last onder bestuursdwang evenwichtig. Het belang van het college, namelijk een veilige omgeving, weegt zwaarder dan het belang van [appellante] dat de mastinspectie ter plekke kan worden uitgevoerd. Hierbij weegt de Afdeling mee dat [appellante] tijdens de inspectie in het woonschip kan blijven en dat het college de kosten van de mastinspectie en de sleepkosten voor zijn rekening zal nemen. Het besluit is daarom niet onevenredig.

De Afdeling overweegt ten slotte dat in de last onder bestuursdwang niet staat wie de mastinspectie zal uitvoeren. Dit was op de zitting ook nog onduidelijk. Het betoog van [appellante] dat [persoon] niet deskundig genoeg is om de mastinspectie uit te voeren slaagt alleen al niet, omdat de wijze waarop het college de last onder bestuursdwang uitvoert, betrekking heeft op feitelijk handelen en daarom niet ter beoordeling van de bestuursrechter voorligt. De burgerlijke rechter is bevoegd om daarover te oordelen.

3.3. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college de last onder bestuursdwang aan [appellante] mocht opleggen.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

4. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.

5. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.C.W. Lange, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.E. de Bakker, griffier.

w.g. Lange

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. De Bakker

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2026

1031

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. R.E. de Bakker

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand