202204669/1/A3.
Datum uitspraak: 9 september 2026
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Tilburg,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 17 juni 2022 in zaak nr. 21/979 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Tilburg.
Procesverloop
Bij besluit van 11 mei 2020 heeft het college een verzoek van [appellant] om wijziging van zijn persoonsgegevens in de basisregistratie personen (brp) afgewezen.
Bij besluit van 20 januari 2021 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 17 juni 2022 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 12 augustus 2026, waar het college, vertegenwoordigd door mr. E.H. van der Kwast, advocaat in Breda, en M.F.M. van Gansen, is verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] staat in de brp ingeschreven als [voornaam] [achternaam appellant], geboren op [geboortedatum] 1986 in [plaats], China. Deze gegevens zijn ontleend aan een door [appellant] afgelegde verklaring onder ede. [appellant] heeft het college op 30 januari 2019 verzocht om op grond van artikel 2.58 van de Wet brp zijn voornaam, geboortedatum en geboorteplaats te wijzigen in:
- voornaam: [voornaam];
- geboortedatum: [geboortedatum] 1978;
- geboorteplaats: [plaats], China.
[appellant] heeft bij zijn verzoek de volgende stukken overgelegd:
- een notariële verklaring op naam van [appellant], [voornaam], afgegeven op 17 september 2013;
- een notariële verklaring op naam van [appellant], [voornaam], afgegeven op 26 april 2019;
- een gelegaliseerde hukou op naam van [appellant], [voornaam], afgegeven op 22 oktober 2013 (hukou van [appellant]);
- een gelegaliseerde hukou op naam van [achternaam gestelde moeder], [voornaam gestelde moeder] (de gestelde moeder van [appellant]), afgegeven op 22 oktober 2013 (hukou van de gestelde moeder van [appellant]);
- een Chinees paspoort op naam van [appellant], [voornaam], afgegeven op 29 december 2011;
- een notariële verklaring betreffende het feit dat [appellant], [voornaam] geen ‘criminal records’ had tot 2 augustus 2013;
- een verklaring van de Chinese autoriteiten dat de registratie van [appellant], [voornaam] is opgeschort wegens vertrek naar het buitenland op 19 oktober 2000, afgegeven op 16 april 2019;
- een Chinees boekje (zonder vertaling);
- een Chinees schooldiploma met vertaling;
- diverse (familie)foto’s.
1.1. Bij het besluit van 11 mei 2020 heeft het college het verzoek van [appellant] afgewezen, omdat volgens het college niet onomstotelijk vaststaat dat de huidige in de brp geregistreerde persoonsgegevens onjuist zijn, dat de nieuwe gegevens juist zijn en dat de nieuwe en de oude gegevens op dezelfde persoon betrekking hebben. Het college heeft het besluit in bezwaar gehandhaafd.
Uitspraak rechtbank
2. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college niet gehouden was om het verzoek om rectificatie toe te wijzen, omdat [appellant] niet alle documenten heeft overgelegd die volgens het college, en zoals was omschreven op de website www.nederlandwereldwijd.nl, nodig zijn om een geboorte van vóór 1 maart 1996 in China aan te tonen.
Nader stuk van 11 augustus 2026
3. Ingevolge artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kunnen partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken indienen. [appellant] heeft één dag voor de zitting, op 11 augustus 2026, een nader stuk ingediend met een aanvullende hogerberoepsgrond. Dit is gelet op artikel 8:58 van de Awb te laat. De Afdeling komt daarom niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van deze grond wegens strijd met de goede procesorde.
Hoger beroep
4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college niet gehouden was om het verzoek om rectificatie toe te wijzen.
Hiertoe voert hij ten eerste aan dat op de website www.nederlandwereldwijd.nl niet wordt vermeld dat de geboorte dient te zijn vermeld in de hukou van beide ouders. Omdat [appellant] in de hukou van zijn vader staat vermeld, is voldaan aan de voorwaarden als vermeld op de website www.nederlandwereldwijd.nl.
Ten tweede voert [appellant] aan dat de rechtbank het overgelegde Chinese schooldiploma ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten. Op het diploma staat een foto waarvan de Koninklijke Marechaussee heeft vastgesteld dat het gaat om dezelfde persoon die staat afgebeeld op het door [appellant] overgelegde Chinese paspoort.
4.1. Uit de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1198, volgt dat beoordeeld moet worden of buiten redelijke twijfel uit de overgelegde brondocumenten, zo nodig bezien in samenhang met de daaraan ten grondslag liggende nadere bewijsmiddelen, volgt dat de daarin vermelde persoonsgegevens juist zijn. In haar uitspraak van 22 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4980, heeft de Afdeling dit beoordelingskader op enkele punten gewijzigd of verduidelijkt. Hoewel de rechtbank dit beoordelingskader niet heeft toegepast, en de rechtbank gelet daarop een onjuiste toetsingsmaatstaf heeft toegepast, leidt dat niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling overweegt daarover het volgende.
Chinees paspoort
5. Uitgangspunt bij echt bevonden paspoorten is dat behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden en de gegevens juist zijn. Als het college zich op het standpunt stelt dat kennelijk geen behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden, moet het dit aannemelijk maken. Het draagt daarvoor dan dus de bewijslast. Zie de uitspraak van de Afdeling van 22 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4980, onder 7.2. Maar de Afdeling heeft in diezelfde uitspraak ook geoordeeld dat voor Chinese paspoorten die zijn afgegeven vóór 2012 niet ook als uitgangspunt geldt dat het aan de afgifte voorafgaande onderzoek behoorlijk is geweest. Zie bijvoorbeeld de hiervoor genoemde uitspraak van 22 oktober 2025, onder 7.5. en de uitspraak van 24 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2462, onder 6.1.
[appellant] heeft alleen een Chinees paspoort overgelegd dat is afgegeven op 29 december 2011 en dus vóór 2012. Het college heeft zich op het standpunt mogen stellen dat aan het paspoort geen gegevens kunnen worden ontleend, alleen al omdat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat het onderzoek voorafgaand aan de afgifte van het paspoort behoorlijk was. In het besluit van 11 mei 2020 staat dat [appellant] heeft toegelicht dat het paspoort uit 2011 is afgegeven ter vervanging van een ouder Chinees paspoort. [appellant] heeft het eerder afgegeven paspoort echter niet meer in bezit en heeft ook geen kopie meer van dit paspoort. Het college mocht zich daarom op het standpunt stellen dat het onduidelijk is hoe de Chinese autoriteiten bij de paspoortaanvraag in 2011 de identiteit van [appellant] hebben vastgesteld en op basis van welk document dit is gebeurd. [appellant] is bovendien niet op de zitting van de Afdeling verschenen om hierover een nadere toelichting te geven.
Hukou’s
6. Het college heeft niet betwist dat de hukou van [appellant] en de hukou van de gestelde moeder van [appellant] brondocumenten zijn in de zin van artikel 2.8, tweede lid, onder d, van de Wet brp. Maar het college heeft betoogd dat geen behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden bij de afgifte ervan, omdat er onduidelijkheid bestaat over de informatie die in de twee hukou’s staat. In de hukou van [appellant] staat zijn moeder niet vermeld en in de hukou van de gestelde moeder van [appellant] staat [appellant] niet vermeld. Verder staat in de hukou van [appellant] een broer vermeld die niet in de hukou van de gestelde moeder van [appellant] staat. En in de hukou van de gestelde moeder van [appellant] staat een andere zoon vermeld die niet in de hukou van [appellant] staat. [appellant] heeft hier geen verklaring voor gegeven. Ook heeft [appellant] niet toegelicht waaruit blijkt dat [voornaam gestelde moeder] [achternaam gestelde moeder], de gestelde moeder van [appellant], daadwerkelijk de moeder van [appellant] is. Het college heeft dan ook terecht aan de hukou’s geen gegevens ontleend.
Chinees diploma
7. Tegen de achtergrond van wat hiervoor is overwogen, komt aan het Chinese diploma niet de betekenis toe die [appellant] daaraan gehecht wil zien. Hoewel de Koninklijke Marechaussee heeft vastgesteld dat op het Chinese diploma en het Chinese paspoort uit 2011 dezelfde persoon staat afgebeeld, moet het Chinese diploma buiten beschouwing worden gelaten, alleen al omdat aan het Chinese paspoort geen gegevens kunnen worden ontleend.
Twee notariële verklaringen
8. [appellant] heeft twee notariële verklaringen overgelegd zonder dat hij heeft toegelicht op welk onderzoek of document de verklaringen zijn gebaseerd. Deze notariële verklaringen zijn door Bureau Documenten weliswaar als ‘echt’ beoordeeld, maar daaruit volgt nog niet dat de notariële verklaringen overeenkomstig plaatselijke voorschriften zijn opgemaakt. Daarom kunnen deze echt bevonden notariële verklaringen niet worden aangemerkt als brondocumenten als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, onder c, van de Wet brp. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 22 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4980, onder 6.1. Er kunnen daarom geen gegevens aan de notariële verklaringen worden ontleend.
Conclusie
9. Gelet op het voorgaande volgt uit de door [appellant] overgelegde stukken niet dat buiten redelijke twijfel is dat de daarin vermelde gegevens juist zijn en op hem betrekking hebben. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat het college niet gehouden was om het verzoek om rectificatie toe te wijzen.
Slotsom
10. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd, met verbetering van gronden.
11. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Aldus vastgesteld door mr. C.C.W. Lange, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.E. de Bakker, griffier.
w.g. Lange
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. De Bakker
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2026
1031