202600884/1/A2.
Datum uitspraak: 9 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
en
het college van beroep voor de examens van de Radboud Universiteit (het CBE),
verweerder.
Procesverloop
Bij beslissing van 28 augustus 2025 heeft de examinator de Klinische stage (SOW-MPSGP80) van [appellante] beoordeeld met het cijfer 4,5.
Bij beslissing van 13 februari 2026 heeft het CBE het door [appellante] daartegen ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze beslissing heeft [appellante] beroep ingesteld.
Het CBE heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 23 juni 2026, waar [appellante], bijgestaan door mr. A.O.M. van Waesberghe, advocaat in Almere, en het CBE, vertegenwoordigd door mr. M.W.P. de Boer, zijn verschenen. Ook is de examencommissie, vertegenwoordigd door M.L.A. Jongsma en dr. L.E. Kersten-Alvarez, op de zitting gehoord.
Overwegingen
1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.
Inleiding
2. [appellante] volgt de masteropleiding Gezondheidszorgpsychologie aan de Radboud Universiteit. Zij heeft deelgenomen aan de Klinische stage in de periode van 3 februari 2025 tot 1 juli 2025. Tijdens deze stage vonden twee evaluatiemomenten plaats waarop zij positieve feedback heeft ontvangen. In de laatste fase van de stage is spanning ontstaan tussen de begeleiders en [appellante]. De feedback van de laatste fase van de stage is daardoor minder positief. Aan het eind van de stageperiode heeft de examinator het stageverslag beoordeeld met het cijfer 4,5.
De bestreden beslissing
3. Het CBE heeft aan de beslissing van 13 februari 2026 ten grondslag gelegd dat de beoordeling niet in strijd is met het recht. Het CBE heeft gekeken of de beoordeling genoegzaam is onderbouwd en zorgvuldig tot stand is gekomen. Allereerst merkt het CBE op dat de beoordeling door de stageverlenende instelling los moet worden gezien van die door de examinator. Een onvoldoende in de eindevaluatie van de stageverlenende instelling maakt niet dat de beoordeling van haar stageverslag door de examinator nooit meer voldoende had kunnen zijn. Het CBE volgt [appellante] niet in haar stelling dat de beoordeling in strijd is met het vertrouwensbeginsel. Aan het feit dat de eerste en tweede evaluatie door haar begeleiders positief waren, kon zij geen gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat zij de stage met een voldoende zou afronden. Dat kon alleen al niet, omdat de examinator de eindbeoordeling niet alleen doet op basis van de evaluaties van de begeleiders, maar ook op basis van het stageverslag. Volgens het CBE is de beoordeling ook voldoende gemotiveerd. Naast het beoordelingsformulier met de cijfers heeft een inzagegesprek plaatsgevonden. In het verweerschrift en de toelichting op zitting bij het CBE heeft de examinator die motivering verder aangevuld. Het is niet in geschil dat de onvoldoende nadelige gevolgen heeft voor [appellante], doordat zij studievertraging zal oplopen. Deze gevolgen zijn volgens het CBE niet onevenredig.
Het geschil in beroep
4. [appellante] betoogt dat de beoordeling niet zorgvuldig tot stand is gekomen. Ook is gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel. Bij de tussentijdse beoordelingsmomenten kreeg zij allemaal voldoendes. Hierdoor mocht zij erop vertrouwen dat dit tot een voldoende beoordeling van de stage zou leiden. Ook is aan haar geen mogelijkheid tot verlenging van de stage aangeboden, terwijl het Addendum stagereglement die mogelijkheid wel biedt. [appellante] betoogt dat door het niet aanbieden van deze verlenging in strijd met deze bepaling is gehandeld. De gevolgen van deze beoordeling zijn verder onevenredig. [appellante] zal namelijk de volledige stage opnieuw moeten doen en daardoor studievertraging oplopen.
4.1. Uit de overgelegde beoordelingsformulieren en correspondentie tussen [appellante] en de stagebegeleiders blijkt dat het begin van de stage voorspoedig verliep. Er zijn weliswaar aandachtspunten genoemd op de formulieren, maar de beoordeling van de voortgang was grotendeels positief. Toen [appellante] verder in haar stage gevorderd was, ontstond er frictie tussen haar en de stagebegeleiders. Dat daardoor pas de twijfels over haar functioneren zijn uitgesproken en aandacht kregen, maakt het beoordelingsproces op zichzelf naar het oordeel van de Afdeling niet onzorgvuldig. Dit soort ontwikkelingen kunnen ertoe leiden dat door de stagebegeleiders eerder nog positief gewaardeerde competenties anders worden beoordeeld. Ook kunnen de eerdere positieve uitlatingen door de stagebegeleiders niet worden gezien als toezeggingen op basis waarvan [appellante] een beroep kan doen op een gerechtvaardigd vertrouwen dat ook de eindbeoordeling van de stage door de examinator positief zal zijn.
4.2. De examinator heeft op de zitting van de Afdeling verder toegelicht dat een beoordeling met een onvoldoende van een stage door de stagebegeleiders niet meteen tot een onvoldoende bij de eindbeoordeling voor de stage leidt. De student levert namelijk ook een stageverslag in en daarop baseert de examinator de eindbeoordeling. Met een goede reflectie op wat tijdens de stage is gebeurd had [appellante] nog tot een voldoende kunnen komen. In haar stageverslag heeft zij echter niets opgenomen over de manier waarop de stage is geëindigd en heeft zij niet gereflecteerd op de twijfels van haar stagebegeleiders die in de laatste fase van haar stage zijn gerezen. Daardoor was er voor de examinator geen reden om toch een voldoende toe te kennen. Het CBE heeft dan ook terecht het oordeel van de examinator in stand gelaten.
4.3. Uit de stukken blijkt dat de stagebegeleiders aan het eind van de stage een gesprek met [appellante] wilden over de aanstaande beoordeling. Dat gesprek verliep niet goed en de stageverlenende instelling heeft daarom besloten verder geen medewerking aan de stage te willen verlenen. Op de zitting van de Afdeling heeft de examinator toegelicht dat zij met de stageverlenende instelling contact heeft gehad over een eventuele verlenging van de stage. Omdat de stageverlenende instelling daaraan niet wilde meewerken, was dat geen optie. Onder deze omstandigheden is dan ook naar het oordeel van de Afdeling niet in strijd met het Addendum stagereglement gehandeld door niet met [appellante] over verlenging van de stage te spreken.
4.4. De betogen slagen niet.
5. Niet in geschil is dat [appellante] bij een ongegrond beroep opnieuw een stagetraject zal moeten doorlopen en dat daardoor studievertraging ontstaat. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, is het opnieuw moeten doen van een stagetraject bij een onvoldoende niet onevenredig, maar inherent aan het niet halen van de stage (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 2 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1449, onder 5.1). Het opstarten van een nieuwe stage is tot nu problematisch verlopen. De examencommissie heeft daarom op de zitting van de Afdeling toegezegd dat zij [appellante] zal ondersteunen bij het vinden van die nieuwe stageplaats, zodat zij spoedig haar opleiding kan vervolgen.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond.
7. Het CBE hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Rijsdijk, griffier.
w.g. Daalder
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Rijsdijk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2026
705-1043
BIJLAGE
Wettelijk kader
Addendum Stagereglement bij het MGZP: Stagereglement Masterspecialisatie Gezondheidszorgpsychologie
2. Stageverlenging
Een verlenging van de stageperiode kan worden vastgelegd indien de student zich op het initiële inlevermoment nog onvoldoende heeft kunnen ontwikkelen op de omschreven competentiegebieden. Er bestaan twee situaties waarin verlenging van de stage kan worden toegekend;
[…]
2.2 Onvoldoende ontwikkeling op (één van de) competentiegebieden bij afronding van de vastgelegde stageperiode. Dit is het geval als de stagebegeleider van de student inschat dat de student op het vooraf afgesproken inlevermoment onvoldoende functioneert/ niet functioneert op het gewenste eindniveau, dat wil zeggen, het niveau van een beginnend masterpsycholoog, oftewel het instapniveau voor de GZ-opleiding. Een verlenging wordt alleen afgesproken wanneer er een dusdanige ontwikkeling wordt verwacht tijdens de afgesproken verlengingstijd, dat de stage na afronding van deze verlenging alsnog met een voldoende kan worden afgerond.
Een aanvraag voor verlenging wordt beoordeeld en toegekend door de betrokken stagecoördinator en kan alleen worden toegezegd na een driegesprek tussen de student, de stagebegeleider en de stagecoördinator. De duur van de verlenging wordt bepaald op basis van de nog te behalen doelen. Deze doelen worden nauwgezet besproken met de student, stagebegeleider en stagecoördinator en worden vastgelegd in de stageverlengingsovereenkomst, welke ondertekend wordt door alle drie de partijen.
In het geval verlenging wordt gegeven op basis van onvoldoende ontwikkeling, voldoet de student op het initiële inlevermoment niet aan de voorwaarden om tot een eindbeoordeling van de stage te komen, dat wil zeggen, één of meerdere competentiegebieden worden door de externe stagebegeleider beoordeeld als onvoldoende. De student wordt de mogelijkheid geboden om zich gedurende de verlengingsperiode verder te ontwikkelen op de in de stageverlengingsovereenkomst omschreven doelen, om zo de stage met een voldoende (met een maximale toekenning van het cijfer 6) af te ronden.