ECLI:NL:RVS:2026:5321

ECLI:NL:RVS:2026:5321

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 09-09-2026
Datum publicatie 09-09-2026
Zaaknummer 202501262/1/A2
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig

Samenvatting

Bij besluit van 18 januari 2024 heeft de staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat vastgesteld dat de woning van [appellant] voldoet aan de veiligheidsnorm en niet versterkt hoeft te worden. [appellant] is eigenaar van de vrijstaande woning uit 1960 aan de [locatie] in Wirdum, een gebied waar aardbevingen voorkomen. De woning is na een brand in 1968 herbouwd op een fundering op staal uit de periode 1910-1930. In 2015 heeft de NAM in samenwerking met Arcadis de veranda van de woning versterkt en zijn de schoorsteen en de fundering onder de overkapping vervangen. Op 12 november 2020 heeft Archipunt in opdracht van de Nationaal Coördinator Groningen (NCG) de woning opgenomen. De bevindingen zijn neergelegd in het opnamerapport van 15 maart 2021. Archipunt komt in het beoordelingsrapport van 31 augustus 2021 tot de conclusie dat de woning van [appellant] niet aan een typologie kan worden toebedeeld en dat nader onderzoek nodig is voor de beoordeling van de vraag of de woning moet worden versterkt.

Uitspraak

202501262/1/A2.

Datum uitspraak: 9 september 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend in [woonplaats],

appellant,

en

de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 18 januari 2024 heeft de staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat vastgesteld dat de woning van [appellant] voldoet aan de veiligheidsnorm en niet versterkt hoeft te worden.

Bij besluit van 21 januari 2025 heeft de staatssecretaris Herstel Groningen het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op de zitting behandeld op 13 augustus 2026, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. A.A. Westers en mr. D.J. Meijer, advocaten in Groningen, en de minister, vertegenwoordigd door mr. G.H. Poort-van Drempt, A Snippe, vergezeld door R. Kamer en ir. J. Voermans, deskundigen, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Onder de minister worden hierna ook zijn rechtsvoorgangers verstaan.

2. [appellant] is eigenaar van de vrijstaande woning uit 1960 aan de [locatie] in Wirdum, een gebied waar aardbevingen voorkomen. De woning is na een brand in 1968 herbouwd op een fundering op staal uit de periode 1910-1930.

3. In 2015 heeft de NAM in samenwerking met Arcadis de veranda van de woning versterkt en zijn de schoorsteen en de fundering onder de overkapping vervangen.

4. Op 12 november 2020 heeft Archipunt in opdracht van de Nationaal Coördinator Groningen (NCG) de woning opgenomen. De bevindingen zijn neergelegd in het opnamerapport van 15 maart 2021. Archipunt komt in het beoordelingsrapport van 31 augustus 2021 tot de conclusie dat de woning van [appellant] niet aan een typologie kan worden toebedeeld en dat nader onderzoek nodig is voor de beoordeling van de vraag of de woning moet worden versterkt.

5. De NCG heeft vervolgens Borg Groningen B.V. (Borg) de opdracht gegeven om te onderzoeken of de woning voldoet aan de veiligheidsnorm voor gebouwen in het aardbevingsgebied als bedoeld in artikel 1 van de Tijdelijke wet Groningen (TwG). Deze zogenoemde Meijdam-norm schrijft de maximaal aanvaardbare kans voor dat iemand bij een aardbeving komt te overlijden door instorting van een woning. De kans dat iemand overlijdt door het bezwijken van (een deel van) een bouwwerk door een aardbeving mag niet groter zijn dan 1 op de 100.000. Dit is gelijk aan de landelijke veiligheidsnorm die voor alle gebouwen in Nederland geldt.

6. Borg heeft de woning aan de hand van de Nederlandse Praktijkrichtlijn (NPR) beoordeeld en is daarbij uitgegaan van de opname van de woning door Archipunt. De NPR beschrijft uitgangspunten en rekenmethodes waarmee kan worden bepaald of nieuwe en bestaande gebouwen bestand zijn tegen aardbevingen in het gebied van het Groningengasveld. Constructeurs kunnen met deze richtlijn berekenen hoe sterk een gebouw moet zijn om te voldoen aan de veiligheidsnorm. De woning van [appellant] is beoordeeld met de NPR 9998:2020 (T5) (verder: NPR).

7. De conclusie van het technisch versterkingsadvies van 24 november 2023 van Borg is dat de woning voldoet aan de veiligheidsnorm. Dit betekent volgens het rapport dat de woning veilig is bij (zware) aardbevingen. De woning hoeft daarom niet seismisch versterkt te worden.

8. De minister heeft het versterkingsadvies ten grondslag gelegd aan het besluit van 18 januari 2024.

9. Naar aanleiding van het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar heeft de NCG op 14 mei 2024 een aantal vragen gesteld aan Borg. B. Jeurissen, bouwkundig adviseur van de NCG, heeft op 29 mei 2024 op aanwijzing van [appellant] scheuren en scheefstanden aan de woning opgenomen. De bevindingen zijn neergelegd in een opnamedocument van 31 mei 2024, dat is voorgelegd en besproken met H.G. Krijgsman van Borg. Borg heeft de vragen van de NCG op 14 november 2024 beantwoord in een nader advies.

10. De minister is in het besluit van 21 januari 2025 bij de conclusie gebleven dat de woning niet hoeft te worden versterkt.

Het beroep van [appellant]

11. [appellant] heeft in beroep een second opinion van Tandem Schade Expertise & Advies B.V. (Tandem) overgelegd van 1 april 2026. Tandem heeft op verzoek van [appellant] het versterkingsadvies van Borg met de bijbehorende berekening in bijlage C, op grond waarvan is geconcludeerd dat de woning voldoet aan de NPR, beoordeeld. Tandem komt tot de conclusie dat het aannemelijk is dat de berekening van Borg is gebaseerd op correcte uitgangspunten. Wel heeft Tandem scheefstanden in de gevels van de woning geconstateerd. De achtergevel toont een scheefstand van 25 mm over een hoogte van 2,3 m. De voorgevel is vanaf de scheur op goothoogte geknikt en de bovenzijde staat ongeveer 40 mm naar binnen in de nok. Volgens Tandem moet de scheefstand van de voor- en achtergevel nog verwerkt worden in de berekening en worden betrokken bij de bepaling van de weerstand van de constructie (zie art. 4.3.4.4 van de NPR).

12. Op de zitting heeft [appellant] desgevraagd laten weten dat het geschil in beroep zich toespitst op de scheefstanden van de voor-en achtergevel. Ook heeft Borg volgens hem ten onrechte nagelaten onderzoek te doen naar de fundering. Volgens [appellant] vormen de geconstateerde scheefstanden en de verzakking indicaties voor een funderingsgebrek. Hij wijst in dit verband op de ligging van de woning in de nabijheid van het Damsterdiep en de verwekingsgevoeligheid van de ondergrond. Tot slot wijst [appellant] ter illustratie van de gestelde onvolkomenheden in de besluitvorming en de daaraan ten grondslag liggende adviezen op het advies van het Adviescollege Veiligheid Groningen ‘Beoordeeld, maar vertrouwen onder druk. Een advies over de kwaliteit van opname en beoordeling in de versterkingsoperatie’ van juni 2026 (verder: het advies van de ACVG).

Beoordeling van het beroep

De scheefstanden van de voor- en achtergevel

13. De Afdeling volgt niet het betoog van [appellant] dat Borg de scheefstanden van de voor- en achtergevel niet kenbaar in de beoordeling heeft betrokken. Daarbij is het volgende van belang.

14. Vanwege de tijd tussen de opname van Archipunt op 15 maart 2021 en de uit te voeren beoordeling of de woning voldoet aan de veiligheidsnorm heeft Borg contact opgenomen met [appellant] om te vragen of er bijzonderheden of veranderingen zijn. Dat is van belang omdat het opnamerapport de basis vormt voor het op te stellen technisch versterkingsadvies en de daarbij behorende seismische analyse. [appellant] heeft vervolgens foto’s overgelegd van de topgevel vanwege scheefstand en de knik op de plaats van de kopgevel en de dakconstructie. Op basis van de foto’s heeft Borg beoordeeld dat de scheefstand zodanig beperkt is dat het de stabiliteit van de topgevel niet beïnvloedt. Naar aanleiding van het door [appellant] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 18 januari 2024 heeft een bouwkundige van de NCG, B. Jeurissen, de woning bezocht en heeft op 29 mei 2024 de scheefstand op aanwijzing van [appellant] opgenomen. De bevindingen zijn neergelegd in een opnamedocument van 31 mei 2024. Hierin is geen scheefstand geconstateerd in de voorgevel vanaf de keldervloer tot de zoldervloer. Vanaf de zoldervloer tot de topgevel is een scheefstand geconstateerd van 2 cm naar achteren. In de achtergevel is een scheefstand geconstateerd tot de zoldervloer van 4 cm naar achteren en vanaf de zoldervloer 1 cm naar achteren. Daarnaast zijn in het opnamedocument beperkte hoogteverschillen in de vloer vermeld. Deze bevindingen zijn meegenomen in het nader advies van 14 november 2024, waarin ir. H.G. Krijgsman RO van Borg antwoord heeft gegeven op de door de NCG gestelde vragen in bezwaar. Borg heeft vervolgens de opname van 31 mei 2024 naast de eerder uitgevoerde 3D-scan gelegd. Daaruit volgt volgens Borg dat sprake is van een lichte toename van de scheefstand, met name aan de achterzijde aan de waterkant, het Damsterdiep. Maar de scheefstanden zijn niet dusdanig verergerd dat dit gevolgen heeft voor de beoordeling volgens het Near Collapse criterium van de NPR. De verplaatsing (heen- en weer beweging) van de kopgevel in geval van een aardbeving is berekend en bedraagt ongeveer 20 mm. Dit valt volgens Borg binnen de toegestane kaders.

15. Anders dan [appellant] onder verwijzing naar Tandem betoogt, zijn de scheefstanden dus meegenomen in de beoordeling. De beschikbare informatie gaf geen aanleiding om aan te nemen dat de scheefstanden van invloed zijn op de beoordeling of de woning voldoet aan de veiligheidsnorm. De Afdeling volgt niet het betoog van [appellant] op de zitting dat hij niet in de gelegenheid is gesteld om op de aanvullende analyse te reageren. In de beantwoording van de door de NCG gestelde vragen in bezwaar is vermeld dat de scheurvorming en scheefstanden na de opname op 31 mei 2024 aanvullend zijn onderzocht. In het advies van Tandem is vermeld dat de antwoorden op de door de NCG gestelde vragen deel uitmaken van de door Tandem ontvangen stukken. Daarbij komt dat zowel het opnamedocument als het nader advies deel uitmaken van het dossier in beroep en [appellant] dus desgewenst daarop een inhoudelijke reactie kon geven.

16. Het betoog slaagt niet.

Onderzoek naar de fundering

17. Volgens [appellant] heeft Borg onvoldoende onderzoek verricht naar de staat en de eigenschappen van de fundering, waardoor er geen conclusies kunnen worden getrokken over de seismische capaciteit van de fundering en eventueel benodigde versterkingsmaatregelen. [appellant] stelt dat op grond van tabel 1 van de Instructieregels Omgang Funderingen van de NCG (de instructieregels) de fundering had moeten worden beoordeeld en berekend volgens de NEN 8707. [appellant] wijst in dit verband op de verweking van de ondergrond, de verzakking van de woning en de ligging van de woning bij het Damsterdiep.

18. De minister heeft hier tegenover gesteld dat Borg in een nader advies van 18 juni 2026 heeft toegelicht dat uit de NPR volgt dat alleen rekening hoeft te worden gehouden met horizontale grondverplaatsing bij een niet-horizontaal maaiveld of talud binnen 10 m van de gevel, indien sprake is van verweking van de ondergrond. In het geval er verweking van grond onder of nabij een fundering optreedt, kan dit een grote invloed hebben op het functioneren van deze fundering. Hoewel er een talud is binnen 10 m van de woning, is er geen kans op verweking van de ondergrond. Volgens de NPR is daarom geen nadere toetsing nodig. Ook uit de door [appellant] genoemde instructieregels volgt dat de NPR leidend is.

19. Meer in het bijzonder heeft deskundige Kamer op de zitting toegelicht dat in de NPR specifieke regels voor funderingen en criteria voor de beoordeling van verwekingsgevoeligheid zijn neergelegd. Onder 10.3.3 van de NPR zijn 5 eisen weergegeven waaraan een bestaande fundering op een cohesieve ondergrond moet voldoen om nader onderzoek naar de fundering achterwege te mogen laten, omdat de zakking naar verwachting kleiner zal zijn dan 40 mm. In het geval niet aan een of meer voorwaarden is voldaan, moet de fundering worden getoetst volgens het gestelde onder 10.3.4 van de NPR of door middel van een geavanceerde rekenmethode. In dit geval heeft deskundige Kamer toegelicht dat aan de voorwaarden is voldaan en dat dit ook volgt uit het opnamerapport. Nader onderzoek naar de fundering is dus niet aan de orde.

20. [appellant] heeft daar op de zitting tegenover gesteld dat het onvoldoende aannemelijk is dat is voldaan aan het vijfde criterium (onder e) inzake de sterkte van de klei (cu > 10kPA). Daartoe stelt hij dat het niet duidelijk is om welke type klei het gaat en dat de gehanteerde sondering onvoldoende representatief is omdat het boormonster op een afstand van 135 m van zijn woning is genomen.

21. Kamer heeft vervolgens toegelicht dat het boormonster afkomstig is uit het DINOloket, een archief met sonderingen waar gegevens van de dichtstbijzijnde omgeving kunnen worden opgevraagd en de aannemelijke draagkracht van de ondergrond kan worden bepaald. In bijlage B par. B1 van het technisch versterkingsadvies is vermeld welke gegevens zijn gehanteerd, waaronder de gegevens van de (cohesieve) ondergrond van een woning op 135 m afstand die op een vergelijkbare afstand van het Damsterdiep ligt als de woning van [appellant]. In bijlage B par. B4 wordt geconcludeerd dat voldaan is aan het criterium onder e. Dat betekent dat op basis van de analyse voor cohesieve grond (klei) de woning de seismische belasting doorstaat. Omdat in de omgeving ook niet-cohesieve grond (zand) voorkomt, is ook daarvoor een analyse uitgevoerd die eveneens tot de conclusie leidt dat de fundering in staat is om de seismische belastingen op te nemen.

22. De Afdeling volgt niet het betoog van [appellant] dat de verwekingsanalyse niet juist is, omdat geen onderzoek is gedaan naar de draagkracht van de ondergrond door middel van sonderingen in de onmiddellijke nabijheid van de woning en gegevens die zijn gebaseerd op boringen die op 135 m afstand zijn verricht niet representatief zijn. De NCG mag zich baseren op uit het DINOloket afkomstige boormonsters. [appellant] heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat deze gegevens een onjuiste indicatie geven van de bodemsamenstelling. De boring is gedaan op een vergelijkbare afstand ten opzichte van het Damsterdiep en bevestigt dat de ondergrond uit klei bestaat. De stelling van [appellant] dat de boringen dichterbij de woning hadden moeten worden verricht, is onvoldoende voor de conclusie dat in dit geval nader onderzoek had moeten worden verricht. Het is voor het de NCG niet mogelijk en niet nodig om in alle gevallen individuele boringen te laten verrichten. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat daarvoor in dit geval wel aanleiding bestond.

23. Daarbij komt dat de second opinion van Tandem op het punt van de verwekingsanalyse geen aanknopingspunten biedt voor twijfel aan de conclusie van Borg. Tandem heeft vastgesteld dat Borg een verwekingsanalyse heeft gemaakt en de fundering heeft beoordeeld. Tandem stelt geen afwijkende aanvullende beoordeling ‘aangaande de fundatie of scheefstand en de onderbouwing/verwerking hiervan door BORG’ te hebben gemaakt. Ook uit bijlage 1 bij de second opinion van Tandem volgt niet dat een beoordeling volgens NEN 8707 nodig was. Tandem beoordeelt daarin het door haar gemeten hoogteverschil in de keukenvloer en concludeert dat deze vloerrotatie voldoet aan de NPR 9998 en NEN 8700/NEN 8707. Voor zover Tandem daarbij tot de conclusie komt dat niet wordt voldaan aan de NEN 9997-1/NEN-EN 1997-1-1, geldt dat dit nieuwbouwnormen zijn die niet van toepassing zijn op bestaande bouw en dus niet op de woning van [appellant].

24. Het op de zitting aangevoerde betoog van [appellant] dat de totale grondspanning wordt bepaald door korreldichtheid en waterspanning en dat in dit geval de waterspanning niet is onderzocht, treft geen doel. Kamer heeft hier onweersproken tegenover gesteld dat de berekening niet uitgaat van waterspanning, maar van de gecorrigeerde conusweerstand.

25. De Afdeling volgt tot slot niet het betoog van [appellant] dat de verzakking en scheefstanden indicaties zijn van een funderingsprobleem. Een gebouw kan door allerlei oorzaken zodanig beschadigd zijn dat het niet meer voldoet aan de minimale kwaliteitseisen. De eigenaar van het gebouw is hiervoor verantwoordelijk. In geval van aardbevingsschade heeft het Instituut een rol. Een gebouw dat niet voldoet aan de NEN 8700/NEN 8707 kan wel voldoen aan de NPR. NEN 8700/NEN 8707 en de NPR zijn verschillende methoden waarmee een gebouw op verschillende manieren wordt beoordeeld. Daarmee is het ook goed mogelijk dat een gebouw niet voldoet aan de NEN 8700/NEN 8707, maar wel voldoet aan de NPR.

26. Het betoog slaagt niet.

Het advies van het Adviescollege Veiligheid Groningen

27. De Afdeling volgt tot slot niet het betoog van [appellant] onder verwijzing naar het advies van de ACVG van juni 2026 dat het veiligheidsoordeel van de minister onvoldoende betrouwbaar is, omdat 4 van de in het advies beschreven situaties (1, 4, 5 en 6) op zijn woning van toepassing zijn.

28. De NCG heeft op de zitting toegelicht dat situatie 1 (beoordelingen volgens de zogenoemde Praktijkaanpak 2.0 en situatie 4 (beoordeling volgens de typologieaanpak) niet van toepassing zijn. De woning is beoordeeld met een niet-lineaire tijdsdomeinberekening (NLTH), de meest uitgebreide en nauwkeurige methode om te beoordelen op een gebouw aan de veiligheidsnorm voldoet. Situatie 5 ziet op het geval waarin bij een NLTH-berekening een specifieke aanname is gedaan die nog gecontroleerd moest worden, maar die controle achterwege is gebleven en wel is geoordeeld dat de woning voldoet aan de veiligheidsnorm. Ook die situatie doet zich in dit geval niet voor. Borg heeft geen aannames gedaan die in de praktijk nog moesten worden gecontroleerd. Situatie 6 ziet op aannames op kritische onderdelen van de berekening waarbij niet inzichtelijk is gemaakt wat het effect van andere aannames op het veiligheidsoordeel zou zijn. In dit geval heeft Borg onderbouwd dat de gehanteerde aannames geen gevolgen hebben voor het veiligheidsoordeel.

29. [appellant] heeft hier te weinig tegenover gesteld. Uit het voorgaande volgt dat de betogen van [appellant] over het ontbreken van onderzoek naar de scheefstanden en de fundering en onjuiste aannames over het grondprofiel geen doel treffen. [appellant] heeft ook verder onvoldoende gesteld om te leiden tot het oordeel dat zijn woning niet voldoet aan de veiligheidsnorm.

30. Het betoog slaagt niet.

Conclusie

31. Het beroep is ongegrond.

32. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W. den Ouden, voorzitter, en mr. G.O. van Veldhuizen en mr. A.B. Blomberg, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, griffier.

w.g. Den Ouden

voorzitter

w.g. Planken

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2026

299-1160

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. W. den Ouden
  • mr. G.O. van Veldhuizen
  • mr. A.B. Blomberg

Griffier

  • mr. M.A.E. Planken

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand