ECLI:NL:RVS:2026:5322

ECLI:NL:RVS:2026:5322

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 09-09-2026
Datum publicatie 09-09-2026
Zaaknummer 202502523/1/A3
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 5 december 2024 heeft de korpschef vijf toestemmingen dat [wederpartij] werkzaamheden mag verrichten voor meerdere beveiligingsorganisaties en/of recherchebureaus in de regio Rotterdam, ingetrokken. De korpschef heeft [wederpartij] op grond van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wpbr) toestemmingen verleend om voor MSV beveiliging, ProWatch Security B.V., Black Total Security B.V., Wulf Security en MCM Security werkzaamheden te verrichten. De korpschef heeft deze toestemmingen bij besluit van 5 december 2024 ingetrokken omdat hem ambtshalve feiten en omstandigheden bekend zijn geworden op grond waarvan hij [wederpartij] onvoldoende betrouwbaar acht. Aan [wederpartij] is namelijk een strafbeschikking opgelegd voor mishandeling. Uit het verslag hoorgesprek bij de strafbeschikking volgt dat [wederpartij] de feiten waarvan hij werd verdacht niet heeft betwist. De korpschef heeft zijn besluit na bezwaar gehandhaafd.

Uitspraak

202502523/1/A3.

Datum uitspraak: 9 september 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de korpschef van politie,

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam (de rechtbank) van 20 maart 2025 in zaken nrs. 25/1400 en 25/1374 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend in [woonplaats]

en

de korpschef.

Procesverloop

Bij besluit van 5 december 2024 heeft de korpschef vijf toestemmingen dat [wederpartij] werkzaamheden mag verrichten voor meerdere beveiligingsorganisaties en/of recherchebureaus in de regio Rotterdam, ingetrokken.

Bij besluit van 30 januari 2025 heeft de korpschef het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 maart 2025 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 30 januari 2025 vernietigd, het besluit van 5 december 2024 herroepen en het door [wederpartij] gedane verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

Tegen deze uitspraak heeft de korpschef hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak op de zitting van 22 juli 2026 behandeld, waar de korpschef, vertegenwoordigd door mr. M.J. Tunnissen, advocaat in Arnhem, en V. Vermeulen, en [wederpartij], bijgestaan door mr. H.J. Veen, advocaat in Utrecht, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. De korpschef heeft [wederpartij] op grond van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wpbr) toestemmingen verleend om voor MSV beveiliging, ProWatch Security B.V., Black Total Security B.V., Wulf Security en MCM Security werkzaamheden te verrichten. De korpschef heeft deze toestemmingen bij besluit van 5 december 2024 ingetrokken omdat hem ambtshalve feiten en omstandigheden bekend zijn geworden op grond waarvan hij [wederpartij] onvoldoende betrouwbaar acht. Aan [wederpartij] is namelijk een strafbeschikking opgelegd voor mishandeling. Uit het verslag hoorgesprek bij de strafbeschikking volgt dat [wederpartij] de feiten waarvan hij werd verdacht niet heeft betwist. De korpschef heeft zijn besluit na bezwaar gehandhaafd.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft eerst geoordeeld dat de korpschef bevoegd is om de toestemmingen in te trekken. Vervolgens heeft de rechtbank geoordeeld dat de intrekking in dit geval noodzakelijk is, maar niet evenwichtig. De rechtbank acht aannemelijk dat de intrekking een grote financiële impact heeft op [wederpartij] en zijn gezin. Het is [wederpartij] niet gelukt om via andere werkzaamheden inkomsten te genereren op het niveau van zijn inkomsten als beveiliger. Ook is van belang dat [wederpartij] op de zitting inzicht heeft getoond in de verwijtbaarheid van zijn handelen. Verder weegt voor de rechtbank mee dat [wederpartij] al twaalf jaar werkzaam is in de beveiliging zonder een eerder geweldsincident. Gelet hierop heeft de korpschef niet kunnen concluderen dat in dit specifieke geval en onder deze specifieke omstandigheden het algemene belang van de veiligheidszorg bij het intrekken van de toestemmingen zwaarder moet wegen dan de belangen van [wederpartij], aldus de rechtbank.

2.1. De rechtbank heeft het beroep gelet op het voorgaande gegrond verklaard, het besluit van 30 januari 2025 vernietigd omdat het in strijd is met artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), en zelf in de zaak voorzien door het besluit van 5 december 2024 te herroepen.

Beoordeling van het hoger beroep

3. De korpschef betoogt dat de rechtbank haar oordeel niet op de juiste feiten heeft gebaseerd. Volgens de korpschef blijkt uit de camerabeelden dat [wederpartij] tweemaal de confrontatie met het slachtoffer heeft opgezocht. Dit heeft de rechtbank miskend. Ook betoogt de korpschef dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de intrekking onevenwichtig is. Hiertoe voert hij aan dat het gedrag van [wederpartij] bij het geweldsincident haaks staat op wat van een beveiliger mag worden verwacht. De korpschef stelt dat hij in het kader van de te maken belangenafweging van zwaarwegend belang mag achten dat medewerkers in de beveiligingsbranche de-escalerend optreden en een hoge mate van zelfbeheersing hebben. Dat maakt de intrekking in dit geval evenwichtig. Ook weegt volgens de korpschef mee dat hij de strafbare gedragingen van [wederpartij] niet altijd aan hem zal blijven tegenwerpen. Hij kan in de toekomst een nieuwe aanvraag indienen op grond van artikel 7 van de Wpbr, waarbij een nieuwe beoordeling zal plaatsvinden. Tot slot verwijst de korpschef naar de uitspraak van de Afdeling van 16 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4143. Hieruit volgt dat de omstandigheid dat [wederpartij] op het incident van 24 maart 2024 na geen strafblad heeft, er niet toe leidt dat de intrekking onevenwichtig is, aldus de korpschef.

4. Artikel 7, vijfde lid, van de Wpbr bepaalt dat een verleende toestemming kan worden ingetrokken als omstandigheden zich voordoen of feiten bekend worden op grond waarvan de toestemming niet zou zijn verleend, als zij zich hadden voorgedaan of bekend waren geweest op het tijdstip waarop de toestemming werd verleend.

5. Het standpunt van de korpschef dat de rechtbank haar oordeel niet op de juiste feiten heeft gebaseerd, berust op een onjuiste lezing van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft namelijk in overweging 9.3. opgenomen dat [wederpartij] "zelf de confrontatie met het slachtoffer zocht en bleef zoeken". In overweging 9.4. heeft de rechtbank opgenomen dat [wederpartij] met zijn collega’s achter het slachtoffer is aangegaan en dat het geweldsincident daarna is gepleegd. De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank met juistheid heeft overwogen dat [wederpartij] de confrontatie-met het slachtoffer (tot tweemaal toe) heeft opgezocht.

5.1. Het betoog slaagt niet.

6. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 23 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:564, is het intrekken van een verleende toestemming een bestuurlijke maatregel, die het maatschappelijk belang dat gediend is bij een betrouwbare veiligheidszorg ondersteunt. Daarvoor is van belang dat degenen die in de beveiliging werkzaam zijn betrouwbaar zijn en blijven. De Afdeling acht intrekking van de verleende toestemming op zichzelf geen onredelijk middel om het bovenstaande doel te bereiken. Daarbij blijft echter wel van belang dat de maatregel is afgestemd op een individueel geval. De korpschef dient daartoe te motiveren waarom de gekozen maatregel in het specifieke geval een passende en noodzakelijke maatregel is.

6.1. De Afdeling is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat de intrekking van de toestemmingen om beveiligingswerkzaamheden te verrichten in dit geval een evenwichtig middel is. Dat dit het eerste geweldsincident is van [wederpartij], hij verder geen strafblad heeft, al 12 jaar werkzaam is in de beveiligingsbranche, inzicht en spijt heeft getoond voor zijn handelen, en financieel is geraakt door de intrekking, laat onverlet dat de korpschef in dit geval een zwaarder gewicht mocht toekennen aan het geweldsincident en de rol van [wederpartij] daarbij. De korpschef heeft de feiten en omstandigheden waaronder het geweldsincident is gepleegd betrokken en zwaar laten wegen dat [wederpartij] de confrontaties met het slachtoffer heeft opgezocht, terwijl van een beveiliger een hoge mate van zelfbeheersing en de-escalerend optreden mag worden verwacht. Gelet hierop heeft de korpschef mogen concluderen dat in dit specifieke geval en onder deze specifieke omstandigheden het algemene belang van de veiligheidszorg bij het intrekken van de toestemmingen zwaarder moet wegen dan de persoonlijke omstandigheden en belangen van [wederpartij].

6.2. Het betoog slaagt.

Slotsom

7. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd, voor zover de rechtbank het beroep van [wederpartij] gegrond heeft verklaard, het besluit van 30 januari 2025 heeft vernietigd en het besluit van 5 december 2024 heeft herroepen. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [wederpartij] tegen het besluit van 30 januari 2025 alsnog ongegrond verklaren. Dit betekent dat de intrekking van de toestemmingen nog altijd geldt en dat [wederpartij] voor MSV beveiliging, ProWatch Security B.V., Black Total Security B.V., Wulf Security en MCM Security geen beveiligingswerkzaamheden mag verrichten.

8. De korpschef hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep van de korpschef van politie gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 maart 2025 in zaak nr. 25/1400 en 25/1374, voor zover de rechtbank het beroep van [wederpartij] tegen het besluit van 30 januari 2025 gegrond heeft verklaard, het besluit van 30 januari 2025 heeft vernietigd en het besluit van 5 december 2024 heeft herroepen;

III. verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W. den Ouden, voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. C.H. Bangma, leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Singh, griffier.

w.g. Den Ouden

voorzitter

w.g. Singh

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2026

990

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. W. den Ouden
  • mr. C.H.M. van Altena
  • mr. C.H. Bangma

Griffier

  • mr. D. Singh

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand