202206997/1/R4.
Datum uitspraak: 9 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
Vereniging Milieudefensie, gevestigd in Amsterdam,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 oktober 2022 in zaak nr. 21/6389 in het geding tussen:
Vereniging Milieudefensie
en
het college van burgemeester en wethouders van Schiedam.
Procesverloop
Bij besluit van 2 november 2021 heeft het college aan Eneco Heat Production & Industrials B.V. (Eneco) een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een warmteoverdrachtsstation met een hulpwarmtecentrale op het perceel, kadastraal bekend gemeente Schiedam, sectie Q, nummer 9496 (het perceel).
Bij uitspraak van 27 oktober 2022 heeft de rechtbank het door Vereniging Milieudefensie daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft Vereniging Milieudefensie hoger beroep ingesteld.
Het college en Eneco hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Het college en Eneco hebben voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 29 juni 2026, waar Vereniging Milieudefensie, vertegenwoordigd door mr. M.E. Terhorst, advocaat in Alkmaar en [gemachtigde A], vergezeld door [persoon], het college, vertegenwoordigd door drs. S.J.C. Hovens, en Eneco, vertegenwoordigd door mr. J.G. Woolderink-Tjallingii, advocaat in Arnhem, [gemachtigde B] en [gemachtigde C], zijn verschenen.
Overwegingen
Vooraf
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (de Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 19 februari 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. Eneco heeft op 19 februari 2021 een aanvraag gedaan voor een omgevingsvergunning voor de realisatie van een warmteoverdrachtsstation op het perceel. Op het perceel geldt het bestemmingsplan "Kethel e.o." (het bestemmingsplan). Het perceel heeft de bestemming "Verkeer-verblijfsgebied". Het realiseren van een warmteoverdrachtsstation is in strijd met deze bestemming. Ook voldoet het bouwplan niet aan de bouwregels van het bestemmingsplan.
Het college heeft bij besluit van 2 november 2021, voor zover van belang, een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo verleend voor de activiteiten "bouwen" en "handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening". Voor het afwijken van het bestemmingsplan heeft het college toepassing gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef onder a, onder 3°, van de Wabo.
De rechtbank heeft het door Vereniging Milieudefensie daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Vereniging Milieudefensie kan zich niet vinden in deze uitspraak en heeft daartegen hoger beroep ingesteld.
Het hoger beroep van Vereniging Milieudefensie
Geen nieuwe gronden in hoger beroep
3. Vereniging Milieudefensie voert in het hoger beroepschrift aan dat in strijd met het Verdrag van Aarhus onvoldoende inspraak is geboden. Dit heeft Vereniging Milieudefensie niet eerder aangevoerd. Daarnaast heeft Vereniging Milieudefensie voor het eerst op de zitting in hoger beroep aangevoerd dat het begrip "project" exceptief moet worden getoetst aan de Mer-richtlijn (Richtlijn 2011/92/EU, gewijzigd bij Richtlijn 2014/54/EU), de SMB-richtlijn (Richtlijn 2001/42/EG) en de Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG).
In het omgevingsrecht kunnen beroepsgronden niet voor het eerst in hoger beroep worden aangevoerd. Een uitzondering wordt gemaakt als uitgesloten is dat andere belanghebbenden daardoor worden benadeeld. Die uitzondering doet zich bij deze beroepsgronden niet voor. De Afdeling zal deze beroepsgronden daarom niet inhoudelijk bespreken.
Overige gronden
4. De gronden die Vereniging Milieudefensie in hoger beroep verder heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De beroepsgronden gaan over het streven van Nederland om in 2050 een circulaire economie te zijn, over de hoge energiekosten voor de (toekomstige) inwoners van de wijk Groenoord en energiearmoede, over de ambitie voor de wijk Groenoord om aardgasvrij te zijn, over alternatieven voor het warmteoverdrachtsstation, over de effecten op Natura 2000-gebieden, over het benodigde milieueffectrapport en over de gekozen locatie voor het warmteoverdrachtsstation. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 7 tot en met 11.1 van de aangevallen uitspraak opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.
De voorwaardelijk incidenteel hoger beroepen van het college en Eneco
5. Artikel 8:112, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht luidt: "Een voorwaardelijk incidenteel hoger beroep vervalt als het hoger beroep niet-ontvankelijk of ongegrond is, dan wel wordt ingetrokken."
5.1. Het college en Eneco hebben voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld. Omdat het hoger beroep van Vereniging Milieudefensie ongegrond zal worden verklaard, is de voorwaarde dat het hoger beroep gegrond is niet vervuld en zijn de incidenteel hoger beroepen vervallen. Aan de inhoudelijke bespreking daarvan komt de Afdeling daarom niet toe.
Conclusie
6. Het hoger beroep van Vereniging Milieudefensie is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd.
7. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. G.T.J.M. Jurgens, voorzitter, en mr. J. Gundelach en mr. A.B. Blomberg, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Melenhorst, griffier.
w.g. Jurgens
voorzitter
w.g. Melenhorst
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2026
490-1096