ECLI:NL:RVS:2026:5328

ECLI:NL:RVS:2026:5328

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 09-09-2026
Datum publicatie 09-09-2026
Zaaknummer 202400613/1/R1 en 202400686/1/R1
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Bij besluit van 18 juli 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Maastricht de verzoeken van [appellant B] om over te gaan tot invordering van volgens haar verbeurde dwangsommen en om op grond van de Wet bodembescherming (Wbb) handhavend op te treden tegen werkzaamheden op het perceel [locatie 1] in Maastricht afgewezen. [partij] heeft een nieuwe woning gebouwd op het perceel [locatie 1] in Maastricht. In verband hiermee zijn werkzaamheden op en in de bodem uitgevoerd. [partij] moest zijn perceel saneren omdat de bodem ter plaatse verontreinigd is met zink. Hij heeft hiervoor een saneringsplan ingediend. Het saneringsplan gaat ervan uit dat de verontreinigde grond zoveel mogelijk wordt herschikt op het perceel en zo nodig wordt afgevoerd. Bij besluit van 25 maart 2020 heeft het college met dit saneringsplan ingestemd.

Uitspraak

202400613/1/R1 en 202400686/1/R1

Datum uitspraak: 9 september 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A], wonend in Maastricht, mede als erfgenaam van [appellant B],

appellant,

en

het college van burgemeester en wethouders van Maastricht,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 18 juli 2023 heeft het college de verzoeken van [appellant B] om over te gaan tot invordering van volgens haar verbeurde dwangsommen en om op grond van de Wet bodembescherming (Wbb) handhavend op te treden tegen werkzaamheden op het perceel [locatie 1] in Maastricht afgewezen.

Bij besluit van 19 december 2023 heeft het college het door [appellant B] tegen het besluit van 18 juli 2023 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en dat besluit in stand gelaten. In dit besluit heeft het college daarnaast ambtshalve de op 11 oktober 2022 aan [partij] opgelegde last onder dwangsom opgeheven (bestreden besluit 1).

Tegen dit besluit heeft [appellant B] beroep ingesteld (zaak nr. 202400613/1/R1).

Bij besluit van 19 juni 2023 heeft het college het verzoek van [appellant A] om handhavend op te treden tegen het afvoeren van verontreinigde grond van het perceel [locatie 1] en het maken van een gat in een grondkering afgewezen.

Bij besluit van 19 december 2023 heeft het college het door [appellant A] tegen het besluit van 19 juni 2023 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en dat besluit in stand gelaten (bestreden besluit 2).

Tegen dit besluit heeft [appellant A] beroep ingesteld (zaak nr. 202400686/1/R1).

Het college heeft in beide zaken een verweerschrift ingediend.

Het college heeft in de zaken nrs. 202400613/1/R1 en 202400686/1/R1 een nader stuk ingediend. [appellant A] heeft in zaak nr. 202400686/1/R1 een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaken gezamenlijk op een zitting behandeld op 17 juni 2026, waar het college, vertegenwoordigd door mr. M.C.W. Ploum, is verschenen.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Voor de beoordeling van de beroepen tegen de besluiten op bezwaar van 19 december 2023 is het recht zoals dat gold ten tijde van het nemen van die besluiten bepalend.

Inleiding

Rechtsopvolging

2. Het beroep tegen het besluit van 19 december 2023 (zaak nr. 202400613/1/R1) is ingesteld door [appellant B]. Zij is op [datum] 2026 en dus hangende deze procedure overleden. Haar broer, [appellant A], is haar enige erfgenaam. Hij heeft te kennen gegeven dat hij, naast het door hemzelf ingestelde beroep, de beroepsprocedure van zijn zus tegen het besluit van 19 december 2023 onder zijn naam wil voortzetten.

Voorgeschiedenis

3. [partij] heeft een nieuwe woning gebouwd op het perceel [locatie 1] in Maastricht. In verband hiermee zijn werkzaamheden op en in de bodem uitgevoerd. [partij] moest zijn perceel saneren omdat de bodem ter plaatse verontreinigd is met zink. Hij heeft hiervoor een saneringsplan ingediend. Het saneringsplan gaat ervan uit dat de verontreinigde grond zoveel mogelijk wordt herschikt op het perceel en zo nodig wordt afgevoerd. Bij besluit van 25 maart 2020 heeft het college met dit saneringsplan ingestemd.

3.1. Het college heeft naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 29 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2181, bij nieuw besluit op bezwaar van 21 februari 2022 alsnog voorschriften verbonden aan het hiervoor genoemde besluit tot instemming met het saneringsplan. Dit besluit is onherroepelijk geworden met de uitspraken van de Afdeling van 5 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1298 en ECLI:NL:RVS:2023:1366.

De last onder dwangsom van 11 oktober 2022

4. Op 25 maart 2022 heeft een toezichthouder van het college geconstateerd dat een inrit is aangelegd en daarvoor is ontgraven buiten het ontgravingsgebied dat is aangegeven in het saneringsplan.

4.1. Op 11 april 2022 heeft [partij] vanwege deze ontgraving een melding gedaan als bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de Wbb.

4.2. Het college heeft bij besluit van 11 oktober 2022 aan [partij] een last onder dwangsom opgelegd vanwege een overtreding van artikel 39, vierde lid van de Wbb. Het college heeft zich in dat besluit op het standpunt gesteld dat de melding die [partij] op 11 april 2022 deed nog steeds onvolledig is, ondanks herhaalde verzoeken van het college om aanvulling van die melding.

5. Het besluit van 11 oktober 2022 bevat twee lasten.

Last 1 luidt als volgt:

"Wij gelasten u hierbij om binnen een termijn van drie weken na verzenddatum van deze brief de ontbrekende stukken, betreffende een tekening op schaal 1:100 van het ontgravingsgebied van de gerealiseerde inrit, een opgave van de lengte, breedte en diepte van het ontgravingsgebied en verificatie door een erkend bodemintermediair van de niet gemelde graafwerkzaamheden, te overleggen.".

Last 2 luidt als volgt:

"Wij gelasten u eveneens om de aanlegwerkzaamheden van de inrit te staken en gestaakt te houden tot één dag na de beoordeling en akkoordverklaring van het college van gemeente Maastricht op de door u in te dienen volledige melding wijziging saneringsplan".

De verzoeken om invordering en handhavend optreden van [appellant B] (zaak nr. 202400613/1/R1)

6. [appellant B] was mede-eigenaar van de woning [locatie 2] in Maastricht toen zij op 17 april 2023 een verzoek om invordering deed. In dat verzoek heeft zij zich op het standpunt gesteld dat [partij] last 1 en last 2 niet correct heeft uitgevoerd. Diezelfde dag heeft zij het college ook verzocht om handhavend op te treden tegen nieuwe overtredingen van de Wbb die [partij] volgens haar heeft gepleegd.

Totstandkoming bestreden besluit 1

7. Bij besluit van 18 juli 2023 heeft het college de verzoeken om invordering en handhavend optreden van 17 april 2023 afgewezen. Het college heeft invordering geweigerd, omdat last 1 en 2 volgens het college correct zijn uitgevoerd. Volgens het college is met het indienen van het rapport van Geonius van 25 oktober 2022, met kenmerk MB190401.801 (het verificatierapport) voldaan aan last 1. Daarom mocht het werk aan de inrit op 17 april 2023 worden hervat en is last 2 niet overtreden, aldus het college. Het college heeft daarnaast bij besluit van 18 juli 2023 geweigerd om handhavend op te treden, omdat volgens het college niet gebleken is van nieuwe overtredingen van de Wbb.

7.1. Bij bestreden besluit 1 van 19 december 2023 heeft het college het door [appellant B] tegen het besluit van 18 juli 2023 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en dat besluit in stand gelaten. Het college heeft daarbij de motivering van zijn weigering om in te vorderen gewijzigd. Volgens het college zou invordering in verband met last 1 onevenredig zijn.

Daarnaast heeft het college te kennen gegeven dat het met het besluit van 19 december 2023 de last onder dwangsom van 22 oktober 2022 heeft opgeheven, omdat het op 23 maart 2023 alsnog heeft ingestemd met de melding van 11 april 2022.

Het verzoek om handhavend optreden van [appellant A] (zaak nr. 202400686/1/R1)

8. [appellant A] woont in de woning [locatie 2]. Volgens hem is de sanering niet goed uitgevoerd en loopt zijn perceel daardoor het risico om verontreinigd te raken. Daarom heeft hij het college op 24 april 2023 verzocht handhavend op te treden tegen het afvoeren van verontreinigde grond van het perceel [locatie 1] en het maken van een gat in de grondkering.

Totstandkoming bestreden besluit 2

9. Met zijn besluit van 19 juni 2023 heeft het college het verzoek om handhavend optreden van 24 april 2023 afgewezen. Volgens het college leveren de gedragingen die [appellant A] in zijn verzoek noemt geen overtreding van een wettelijk voorschrift op.

9.1. Bij bestreden besluit 2 van 19 december 2023 heeft het college het door [appellant A] tegen het besluit van 19 juni 2023 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek om handhavend optreden van [appellant A] in stand gelaten.

De beroepen

10. [appellant A] is het niet eens met bestreden besluit 1 en bestreden besluit 2.

Volgens hem zijn last 1 en last 2 niet correct uitgevoerd en is de overtreding waarvoor deze lasten zijn opgelegd daarom nog niet beëindigd. Om diezelfde reden had het college volgens hem de last onder dwangsom van 22 oktober 2022 niet mogen opheffen.

Daarnaast heeft het college volgens hem ten onrechte niet handhavend opgetreden tegen de gedragingen die zijn genoemd in de verzoeken om handhavend optreden van 17 april 2023 en 24 april 2023.

[appellant A] is het er niet mee eens dat [partij] volgens hem herhaalde malen is afgeweken van saneringsplan en dat het college daar niet handhavend tegen heeft opgetreden.

Relevante wettelijke bepalingen

11. De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Oordeel van de Afdeling en volgorde van behandeling

12. De Afdeling is van oordeel dat het college met bestreden besluit 1 en bestreden besluit 2 de bezwaren van [appellant B] en [appellant A] terecht ongegrond heeft verklaard. Zij licht dit oordeel in het navolgende toe, waarbij zij de beroepen gezamenlijk bespreekt. Aan de hand van die beroepen beantwoordt zij daarbij achtereenvolgens de volgende rechtsvragen:

- heeft het college terecht afgezien van invordering in verband met last 1 (ontbrekende gegevens)?

- is last 2 correct uitgevoerd?

- mocht het college de last onder dwangsom van 11 oktober 2022 opheffen?

- heeft het college de verzoeken om handhavend optreden van [appellant B] en [appellant A] terecht afgewezen?

De afwijzing van het verzoek om invordering van dwangsommen (bestreden besluit 1, zaak nr. 202400613/1/R1)

- heeft het college terecht afgezien van invordering in verband met last 1 (ontbrekende gegevens)?

13. [appellant A] betoogt dat het college ten onrechte heeft afgezien van invordering van verbeurde dwangsommen in verband met last 1. Volgens hem zijn er geen bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat het college afziet van invordering.

13.1. Het college brengt ten eerste naar voren dat [appellant A] geen belang meer heeft bij een inhoudelijk oordeel over de vraag of het terecht heeft afgezien van invordering. Volgens het college is de overtreding in verband waarmee last 1 is opgelegd namelijk beëindigd. Daarom kan [appellant A] niets bereiken met zijn beroep tegen de weigering om volgens hem verbeurde dwangsommen in te vorderen, aldus het college.

Het college stelt daarnaast dat het terecht heeft afgezien van invordering in verband met last 1.

13.2. De Afdeling stelt naar aanleiding van de stelling van het college voorop dat als er nog een overtreding is, invordering van in verband met die overtreding verbeurde dwangsommen kan bijdragen aan beëindiging van de overtreding. [appellant A] stelt dat de overtreding waarvoor last 1 is opgelegd, nog niet is beëindigd. Hij heeft dus nog belang bij een inhoudelijk oordeel over de vraag of het college terecht heeft afgezien van invordering. Daarom zal de Afdeling in het navolgende beoordelen of het college terecht heeft afgezien van invordering.

13.3. De Afdeling overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat last 1 niet volledig is uitgevoerd, omdat de letterlijke tekst van die last vereist dat een tekening met een schaal van 1:100 wordt overgelegd maar in plaats daarvan een tekening met een schaal van 1:500 is overgelegd. Daarom zijn in verband met die last van rechtswege dwangsommen verbeurd. Hoewel het college bevoegd was om die dwangsommen in te vorderen, heeft het daarvan afgezien. De vraag is of dat terecht is.

13.4. Bij een besluit over invordering van een verbeurde dwangsom moet aan het belang van die invordering veel gewicht worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van de oplegging van een last onder dwangsom. Ook de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Awb (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 115) gaat hiervan uit. Hierin is vermeld dat een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dat verbeurde dwangsommen dus worden ingevorderd. Alleen in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien.

13.5. De Afdeling is van oordeel dat het college in dit geval vanwege bijzondere omstandigheden terecht van invordering heeft afgezien. Op de zitting heeft het college bevestigd dat last 1 is gebaseerd op overtreding van artikel 39, vierde lid, van de Wbb. Op grond van dat artikel moest [partij] het aanleggen van de inrit uiterlijk twee weken voorafgaand aan de uitvoering daarvan melden aan het college. Hoewel [partij] op dit punt in eerste instantie in gebreke is gebleven, heeft hij het aanleggen van de inrit op 11 april 2022, dus voordat last 1 werd opgelegd, alsnog gemeld. Daarna heeft [partij] het verificatierapport bij het college ingediend. Volgens het college bood het verificatierapport voldoende duidelijkheid over de gevolgen van de uitgevoerde werkzaamheden voor de bodem. In wat [appellant A] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding om daaraan te twijfelen. Anders dan [appellant A] lijkt te betogen, was het voor het beëindigen van de overtreding niet noodzakelijk om een tekening met een schaal van 1:100 over te leggen. Zoals het college terecht op de zitting naar voren heeft gebracht, vloeit die eis niet voort uit de Wbb. Hoewel de raad van de gemeente Maastricht op grond van artikel 39, vierde lid, van die wet nadere regels kon stellen over de gegevens die bij de melding worden verstrekt, stelt de Afdeling vast dat de raad van die bevoegdheid geen gebruik heeft gemaakt. Er golden in dit geval dan ook geen specifieke eisen aan de inhoud van de melding die [partij] deed.

Het betoog slaagt niet.

- is last 2 (staken aanleg inrit) correct uitgevoerd?

14. [appellant A] betoogt dat last 2 niet correct is uitgevoerd en dat [partij] in verband daarmee wel degelijk een dwangsom heeft verbeurd. Hij stelt zich op het standpunt dat de aanleg van de inrit op 17 april 2023 nog niet hervat mocht worden. Volgens hem maakt het akkoord dat het college op 23 maart 2023 alsnog gaf op de melding van 11 april 2022 dat niet anders. [appellant A] stelt dat dit akkoord geen betrekking kon hebben op de inrit, omdat de melding toen nog steeds niet volledig was. De melding was volgens hem niet volledig, omdat [partij] niet alle in last 1 genoemde informatie aan het college heeft overgelegd.

14.1. Het college stelt zich op het standpunt dat last 2 correct is uitgevoerd. Volgens het college was de melding volledig toen het daarmee op 23 maart 2023 akkoord ging.

14.2. De Afdeling is van oordeel dat geen dwangsommen in verband met last 2 zijn verbeurd. Last 2 houdt in dat [partij] de aanlegwerkzaamheden van de inrit moet staken en gestaakt houden tot één dag na de beoordeling en akkoordverklaring door het college van de door [partij] in te dienen volledige melding wijziging saneringsplan. Nu het college op 23 maart 2023 akkoord is gegaan met de melding, mocht [partij] het werk aan de inrit de dag erna hervatten. Daarom ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat [partij] op 17 april 2023, toen de aanleg van de inrit is hervat, in verband met last 2 een dwangsom heeft verbeurd.

Voor zover [appellant A] betoogt dat dit akkoord geen betekenis had omdat de melding onvolledig was, ziet de Afdeling geen reden om hem daarin te volgen, alleen al omdat in dit geval geen eisen golden aan de inhoud van die melding. Zij verwijst in dit verband naar wat hiervoor onder 13.5 is overwogen.

Het betoog slaagt niet.

De opheffing van de last onder dwangsom (zaak nr. 202400613/1/R1)

15. [appellant A] betoogt dat het college ten onrechte de last onder dwangsom van 11 oktober 2022 heeft opgeheven. Hij voert daartoe aan dat de daarin opgenomen lasten niet correct zijn uitgevoerd. In dat verband verwijst hij naar wat hij heeft aangevoerd tegen de weigering om over te gaan tot invordering van volgens haar verbeurde dwangsommen.

15.1. Zoals hiervoor is overwogen, is de melding als bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de Wbb gedaan. Het college hoefde alleen al daarom de last onder dwangsom niet in stand te laten.

Het betoog slaagt niet.

De afwijzing van de verzoeken om handhavend optreden van [appellant B] en [appellant A]

- afvoeren van verontreinigde grond (zaken nrs. 202400613/1/R1 en 202400686/1/R1)

16. [appellant A] betoogt dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat niet gebleken is dat [partij] in strijd met de Wbb grond heeft afgevoerd. Hij wijst in dat verband op de foto’s die hij bij het college heeft ingediend. Volgens hem is daarop te zien dat [partij] op 28 maart 2023 en op 27 april 2023 verontreinigde grond heeft afgevoerd. Deze foto’s waren volgens [appellant A] bovendien bruikbaar als bewijs. Hij stelt dat alleen een erkend verwerker de verontreinigde grond mocht afvoeren.

16.1. Het college licht toe dat de door [appellant A] gestelde overtreding niet is geconstateerd door een toezichthouder van de gemeente. Uit de foto’s die [appellant A] heeft ingediend kan volgens het college ook niet worden opgemaakt dat [partij] verontreinigde grond heeft afgevoerd.

16.2. De Afdeling is van oordeel dat het college de verzoeken om handhavend optreden op dit punt terecht heeft afgewezen. Daargelaten of [partij] zelf verontreinigde grond mocht afvoeren, is niet aannemelijk gemaakt dat hij dat heeft gedaan.

Het college heeft in verband met de gestelde overtreding op 28 maart 2023 terecht gewezen op een verklaring van de milieukundig begeleider van Geonius. Daarin staat dat tijdens de begeleide werkzaamheden op 28 maart 2023 geen grond is afgevoerd. De Afdeling acht het niet aannemelijk dat die dag na het vertrek van de milieukundig begeleider om 16:30 uur alsnog verontreinigde grond is afgevoerd. De Afdeling deelt de opvatting van het college dat dit niet kan worden opgemaakt uit de door [appellant A] overlegde foto’s van de aanhanger van [partij]. Daargelaten of daarop grond te zien is, heeft het college terecht naar voren gebracht dat puin grondresten kan bevatten zonder dat dit materiaal hierdoor "bodem" als bedoeld in artikel 1 van de Wbb is (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 22 juli 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ3372, onder 2.2.3). Bovendien heeft het college gewezen op een weegbon van 29 maart 2023 en een factuur van 22 april 2023 van afvalverwerker Naus waaruit volgt dat [partij] op 28 maart 2023 puin heeft afgevoerd en geen verontreinigde grond.

Verder heeft het college in verband met de gestelde overtreding op 27 april 2023 terecht gewezen op het rapport van zijn toezichthouder. Daarin staat dat op 10 mei 2023 ter plaatse van de vermeende graafwerkzaamheden geen grond- of graafwerk is waargenomen. De werkzaamheden waarnaar [appellant A] in zijn verzoek om handhavend optreden verwees bleken verband te houden met herstel van een fout in de aanleg van de inrit. Daarbij zijn alleen de straatstenen en de onderliggende stabilisatielaag verwijderd. In wat [partij] daarover aanvoert ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college niet mocht afgaan op het rapport van zijn toezichthouder.

Het betoog slaagt niet.

- het graven ten behoeve van de beukenhaag (zaak nr. 202400613/1/R1)

17. [appellant A] betoogt dat het college ten onrechte niet handhavend heeft opgetreden tegen het verplanten van de beukenhaag op de grens van de percelen [locatie 1] en [locatie 3] naar de grens tussen de percelen [locatie 2] en [locatie 1]. Hij voert daartoe aan dat het graven en weer dichtgooien van grond op de oude en nieuwe locatie van de beukenhaag niet past binnen het saneringsplan. Deze werkzaamheden vallen volgens hem ook niet onder de meldingen van wijziging van het saneringsplan die [partij] op 27 maart 2023 en 6 juni 2023 heeft gedaan.

17.1. De Afdeling is van oordeel dat het college het door [appellant B] ingediende verzoek om handhavend optreden op dit punt terecht heeft afgewezen, omdat geen sprake is van een overtreding. Daargelaten of het verplanten van de beukenhaag een afwijking van het saneringsplan oplevert, heeft [partij] die werkzaamheid wel degelijk op 27 maart 2023 gemeld. In die melding staat namelijk dat de beukenhaag tussen [locatie 1] en [locatie 3] wordt verwijderd en wordt aangebracht tussen [locatie 2] en [locatie 1].

Het betoog slaagt niet.

- ontgraven in afwijking van het saneringsplan (zaken nrs. 202400613/1/R1 en 202400686/1/R1)

18. [appellant A] betoogt dat het college ten onrechte niet handhavend heeft opgetreden tegen het ontgraven van meer grond dan de 146,25 m2 die het saneringsplan toestaat.

Het gaat hem daarbij ten eerste om het uitgraven van een gat van 4.50 m bij 9.20 m aan de achterzijde van het perceel ten behoeve van het aanleggen van een bekisting. Anders dan het college stelt, valt die werkzaamheid niet onder de melding wijziging saneringsplan waarmee het college op 28 november 2023 heeft ingestemd, aldus [appellant A].

Ten tweede gaat het [appellant A] om een ontgraving die heeft plaatsgevonden bij het opnieuw aanleggen van de hiervoor genoemde inrit. Volgens hem is daarbij door de funderingslaag van de inrit en dus in verontreinigde grond gegraven. Dat blijkt volgens hem uit een door hem overgelegde foto van de aanhanger van [partij]. Daarop is volgens hem de ontgraven verontreinigde grond te zien.

18.1. Het college stelt zich op het standpunt dat niet in strijd met het saneringsplan is gehandeld. Volgens het college past de ontgraving ten behoeve van de aanleg van de bekisting in het saneringsplan. Onder verwijzing naar een rapport van de gemeentelijke toezichthouder brengt het daartoe naar voren dat op 24 april 2023 is vastgesteld dat tot 11 cm diepte is gegraven in een 14 cm dikke ophooglaag herschikte grond. Omdat het saneringsplan herschikken van grond toestaat, mocht ook in de ophooglaag worden gegraven, aldus het college.

Verder betwist het college dat bij het opnieuw aanleggen van de inrit dieper dan de stabilisatielaag is gegraven. Het verwijst op dit punt naar een rapport van de toezichthouder. Daarin staat dat het graven nodig was om een fout in de aanleg van de inrit te herstellen en dat daarbij niet in de sterk verontreinigde grond onder de al verdichte laag granulaat is gegraven. Ten slotte volgt uit de door [appellant A] overgelegde foto volgens het college ook niet dat verontreinigde grond is ontgraven.

18.2. De Afdeling is van oordeel dat het college het verzoek om handhavend optreden tegen de door [appellant A] genoemde ontgravingen terecht heeft afgewezen. Gelet op wat onder 18.1 is overwogen heeft het college onderzocht of [partij] een overtreding heeft begaan door meer grond te ontgraven dan in het saneringsplan staat. Dat is niet aannemelijk gemaakt. Naar het oordeel van de Afdeling mocht het college zich in dit verband baseren op de rapporten van de toezichthouder. Zij betrekt daarbij dat [appellant A] de bevindingen van de toezichthouder onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken.

Het betoog slaagt niet.

- gaatje in de grondkering (zaken nrs. 202400613/1/R1 en 202400686/1/R1)

19. [appellant A] betoogt dat het college ten onrechte niet handhavend heeft opgetreden tegen een doorbreking van de grondkering. Hij voert daartoe aan dat in de grondkering een gaatje is gemaakt om daarin een afvoer aan leggen. De grondkering is daardoor volgens hem niet meer in overeenstemming met de tekening die hoort bij de melding die [partij] op 20 maart 2023 heeft gedaan. Ook wordt hierdoor volgens hem gehandeld in strijd met voorschrift 4 van het gewijzigde besluit tot instemming met het saneringsplan.

19.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het gaatje in de grondkering geen overtreding oplevert.

19.2. Voorschrift 4, zoals het college dat met zijn besluit van 21 februari 2022 alsnog aan zijn instemming met het saneringsplan heeft verbonden, luidt als volgt: "Indien grond geheel of deels wordt herschikt, dan dient aan de zijde van [locatie 2] op of tegen de erfgrens een grondkering te worden aangebracht en in stand te worden gehouden. Deze grondkering dient hoger te zijn dan het niveau van het maaiveld na het herschikken van de grond."

19.3. In het rapport van de toezichthouder van het college staat dat bij een inspectie op 21 april 2023 een opening in de grondkering ter grootte van 5 bij 3 cm is aangetroffen. Deze opening lag boven de straatstenen van de inrit. Achter de grondkering is geen grond waargenomen.

19.4. De Afdeling is van oordeel dat het gaatje in de grondkering geen overtreding oplevert. Zij overweegt daartoe als volgt.

Daargelaten of [partij] heeft gehandeld in strijd met het saneringsplan zoals dat is gewijzigd volgens de melding van 20 maart 2023, is deze melding voor dit punt niet relevant. De Afdeling stelt in dat verband vast dat [partij] op 26 oktober 2023 opnieuw een wijziging van het saneringsplan heeft gemeld. Daarin wordt het gaatje in de grondkering vermeld. Op de zitting heeft het college bevestigd dat deze melding gaat over de grondkering als geheel, inclusief het gaatje dat de toezichthouder op 21 april 2023 heeft aangetroffen.

Daarnaast levert het gaatje ook geen strijd met voorschrift 4 van het instemmingsbesluit op. Uit dit voorschrift volgt namelijk niet dat het zonder meer verboden is om doorbrekingen in de grondkering te hebben. Er volgt ook niet uit dat de grondkering over de volledige erfgrens moet lopen. Bij dit oordeel betrekt de Afdeling het doel van voorschrift 4. Dat is er namelijk op gericht om verspreiding van verontreinigde grond naar het naastgelegen perceel [locatie 2] te voorkomen. De Afdeling verwijst in dat verband wat zij heeft overwogen over voorschrift 4 onder 3.1 van de hiervoor genoemde uitspraak van 5 april 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:1298). Gelet op de hiervoor genoemde constatering door de toezichthouder acht de Afdeling aannemelijk dat de grondkering verspreiding naar het perceel [locatie 2] voorkomt, zodat aan voorschrift 4 wordt voldaan.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

20. De beroepen zijn ongegrond.

21. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. N.H. van den Biggelaar, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.L. van Driel Kluit, griffier.

w.g. Van den Biggelaar

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van Driel Kluit

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2026

703-1136

BIJLAGE

Wet bodembescherming

Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

[…]

bodem: het vaste deel van de aarde met de zich daarin bevindende vloeibare en gasvormige bestanddelen en organismen;

Artikel 39

1. Indien een geval van ernstige verontreiniging wordt vermoed gaat de melding, bedoeld in artikel 28, voor zover dit niet reeds ingevolge dat artikel is vereist, tevens vergezeld van de resultaten van het nader onderzoek alsmede, indien het voornemen bestaat de bodem te saneren, van de resultaten van het saneringsonderzoek en van een saneringsplan, dat in ieder geval inhoudt:

a. een nadere beschrijving van de wijze waarop de sanering zal worden uitgevoerd, waarbij is aangegeven hoe aan artikel 38, eerste lid, zal worden voldaan;

b. een beschrijving van de effecten die met de te treffen saneringsmaatregelen worden beoogd, waaronder mede begrepen een nadere beschrijving van de kwaliteit van de bodem die met de sanering zal worden bereikt;

[…]

e. indien de verontreinigde grond zal worden afgegraven of het verontreinigde grondwater zal worden onttrokken, de bestemming van die grond onderscheidenlijk dat grondwater;

[…]

f. indien verontreinigde grond binnen het geval van de verontreiniging wordt verplaatst, een beschrijving van de omstandigheden waaronder dit gebeurt;

[…]

2. Het saneringsplan behoeft de instemming van gedeputeerde staten, die slechts met het plan instemmen indien door de daarin beschreven sanering naar hun oordeel wordt voldaan aan het bij of krachtens artikel 38 bepaalde. Gedeputeerde staten kunnen hun instemming aan het plan onthouden, indien niet is voldaan aan het bepaalde bij of krachtens het eerste lid. Zij beslissen hierover binnen vijftien weken na de indiening van het saneringsplan. Zij kunnen deze termijn binnen zes weken na de datum van ontvangst van de melding verlengen met ten hoogste vijftien weken. Met de uitvoering van het saneringsplan kan worden begonnen nadat gedeputeerde staten met dat plan hebben ingestemd of die instemming van rechtswege is verleend. Aan de instemming kunnen voorschriften worden verbonden. De instemming is van rechtswege verleend, indien gedeputeerde staten niet binnen de instemmingstermijn van vijftien weken of voor de afloop van de termijn waarmee is verlengd een beslissing hebben genomen. Een instemming van rechtswege wordt aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht.

[…]

4. Degene die de bodem saneert, meldt wijzigingen van het saneringsplan, waarmee door gedeputeerde staten is ingestemd, uiterlijk twee weken voorafgaand aan de uitvoering daarvan aan gedeputeerde staten. […]

5. Gedeputeerde staten kunnen naar aanleiding van de melding, bedoeld in het vierde lid, aanwijzingen geven omtrent de verdere uitvoering van de sanering, die een wijziging inhouden van onderdelen van het saneringsplan waarmee reeds is ingestemd.

[…]

Artikel 39a

Degene die de bodem saneert, alsmede degene die de sanering feitelijk uitvoert, voeren de sanering uit overeenkomstig het saneringsplan waarmee door gedeputeerde staten is ingestemd, en overeenkomstig de voorschriften die aan de instemming zijn verbonden. Indien gedeputeerde staten aanwijzingen als bedoeld in artikel 39, vijfde lid, hebben gegeven, wordt bij de uitvoering van de sanering overeenkomstig die aanwijzingen gehandeld.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand