202506028/1/A2.
Datum uitspraak: 2 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht, Awb) in het geding tussen:
[verzoeker], wonend in [woonplaats],
verzoeker,
en
het college van bestuur van Saxion Hogeschool (het college),
verweerder.
Procesverloop
Bij beslissing van 8 december 2025 heeft de directeur van de Academie Bestuur, Recht en Ruimte, namens het college, [verzoeker] de toegang tot het (buitenschoolse) onderwijs ontzegd, hem het netwerkaccount van Saxion ontnomen, hem de toegang tot de Saxion Bibliotheek en ruimten waar zich ICT-voorzieningen bevinden ontzegd en hem de toegang tot gebouwen en terreinen van Saxion ontzegd voor de periode van 8 december 2025 tot en met 19 april 2026.
Tegen deze beslissing heeft [verzoeker] bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om hangende bezwaar een voorlopige voorziening te treffen.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
[verzoeker] en het college hebben nadere stukken ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op een zitting behandeld op 14 januari 2026, waar [verzoeker] is verschenen. Het college, vertegenwoordigd door mr. W.H. Ates, K. Arslan, drs. C.J.M. van de Molen en mr. M. van der Zee, heeft via een videoverbinding aan de zitting deelgenomen.
Overwegingen
1. Het oordeel van de voorzieningenrechter is een voorlopig oordeel en niet bindend in de bodemprocedure.
2. [verzoeker] is student aan de bacheloropleiding Bedrijfskunde aan Saxion Hogeschool. Het college heeft aan de beslissing van 8 december 2025 ten grondslag gelegd dat op 19 november 2025 door meerdere betrokkenen is gemeld dat [verzoeker] ongewenst gedrag heeft vertoond, bestaande uit verbale en fysieke agressie richting een docent van Saxion Hogeschool. [verzoeker] verzoekt de voorzieningenrechter de beslissing van 8 december 2025 te schorsen.
3. Niet in geschil is dat [verzoeker] bij zijn verzoek een spoedeisend belang heeft.
4. De voorzieningenrechter zal hierna een voorlopig rechtmatigheidsoordeel over de beslissing geven. Hij beoordeelt eerst of een grondslag bestaat voor de genomen maatregelen.
4.1. Ingevolge artikel 7.57h, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (Whw) kan het instellingsbestuur maatregelen nemen met betrekking tot de goede gang van zaken in de gebouwen en terreinen van de instelling. Die maatregelen kunnen inhouden dat aan degene die de bedoelde voorschriften heeft overtreden, de toegang tot die gebouwen en terreinen geheel of gedeeltelijk wordt ontzegd.
4.2. Gelet op wat in de stukken en ter zitting naar voren is gebracht, is aannemelijk dat tussen [verzoeker] en een docent twee incidenten hebben plaatsgehad waardoor de docent zich bedreigd heeft gevoeld. Het college heeft [verzoeker] daarom de toegang tot gebouwen en terreinen van Saxion kunnen ontzeggen. De voorzieningenrechter weegt daarbij mee dat, zoals het college ter zitting heeft toegelicht, de docenten een klein team vormen, waarbinnen intensief wordt samengewerkt en dat het onderwijs op één locatie wordt gegeven.
4.3. Artikel 7.57h van de Whw bevat geen grondslag voor de maatregel om [verzoeker] de deelname aan het onderwijs te ontzeggen. Een dergelijke grondslag biedt het Studentenstatuut wel, maar dat is onvoldoende om af te doen aan het door de Whw gewaarborgde recht op onderwijs. Dit kan bij de beslissing op bezwaar worden hersteld. Ter zitting heeft het college namelijk toegelicht dat binnen de opleiding het onderwijs alleen op locatie plaatsvindt en niet ook digitaal. De ontzegging van de toegang tot de gebouwen en terreinen heeft daarmee feitelijk tot gevolg dat [verzoeker] niet kan deelnemen aan het onderwijs.
4.4. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling biedt artikel 7.57h van de Whw wel een grondslag om een student de toegang tot de digitale faciliteiten van de instelling ontzeggen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3775). Het college heeft dit ook gedaan. Voorwaarde daarvoor is wel dat voldoende samenhang bestaat tussen het incident en de maatregel om [verzoeker] het netwerkaccount van Saxion te ontnemen. Dat blijkt onvoldoende uit de beslissing van 8 december 2025. Deze motivering kan in de beslissing op bezwaar worden gegeven. Gelet op de toelichting die het college hierover ter zitting heeft gegeven, namelijk dat het sterke vermoedens heeft dat [verzoeker] zich op onrechtmatige wijze toegang heeft verschaft tot een besloten ICT-omgeving, ziet de voorzieningenrechter nu geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.
4.5. Het resultaat hiervan is dat [verzoeker] geen onderwijs kan volgen. Hij heeft immers geen toegang tot de gebouwen van Saxion en hij kan niet deelnemen aan online onderwijs. Aangezien het college de beslissing in bezwaar moet heroverwegen, kan het de motivering aanpassen en de onder 4.3 en 4.4 geconstateerde gebreken herstellen.
5. [verzoeker] betoogt dat de beslissing in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Hij voert daartoe aan dat hij de minor Creatief Probleem Oplossen & Besluitvorming niet kan afronden. Deze minor wordt in het volgende studiejaar niet aangeboden.
5.1. De beslissing van 8 december 2025 heeft voor [verzoeker] tot gevolg dat hij op dit moment niet kan deelnemen aan het onderwijs. Daardoor is niet uitgesloten dat hij studievertraging oploopt. Deze gevolgen zijn naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter evenwel niet onevenredig in verhouding tot de met de beslissing te dienen doelen. De voorzieningenrechter weegt daarbij mee dat de duur van de maatregelen is afgestemd op het begin van het onderwijs in het derde kwartaal. Zouden de maatregelen eerder aflopen, dan zou dit negatieve gevolgen kunnen hebben voor de rust in het onderwijs, omdat [verzoeker] dan gedurende een lopende onderwijsperiode weer bij het onderwijs aansluit en dus voor die periode een onderwijsachterstand heeft. Verder heeft het college ter zitting aangegeven dat [verzoeker] de minor in het volgende cursusjaar kan afronden. De nadelige gevolgen voor [verzoeker] zijn daarom niet zo groot dat zij maken dat de beslissing niet evenredig is.
6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
7. Het CBE hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.J.W.P. van Gastel, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.
w.g. Van Gastel
voorzieningenrechter
w.g. Van Loon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2026
284-1175