202505081/1/A2.
Datum uitspraak: 9 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant A] en [appellant B], beiden wonend in Wageningen,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 22 juli 2025 in zaak nr. 24/8949 in het geding tussen:
[appellant A] en [appellant B]
en
het college van burgemeester en wethouders van Wageningen.
Procesverloop
Bij besluit van 1 juli 2024 heeft het college de schuldhulpverlening aan [appellant A] en [appellant B] beëindigd.
Bij besluit van 4 november 2024 heeft het college het door [appellant A] en [appellant B] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 22 juli 2025 heeft de rechtbank het door [appellant A] en [appellant B] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard en een verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant A] en [appellant B] hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 25 augustus 2026, waar [appellant A] en het college, vertegenwoordigd door mr. M. Hubbers, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Aan het besluit van 4 november 2024 heeft het college ten grondslag dat [appellant A] en [appellant B] niet hebben meegewerkt aan het zogenoemde plan van aanpak. In dat plan van aanpak, dat aan hen bij besluit van 17 april 2024 is toegezonden, staan verplichtingen die bedoeld zijn om de inkomsten en uitgaven te stabiliseren. Het gaat onder meer om de verplichtingen om te solliciteren naar betaalde arbeid voor de duur van 36 uur per week en, als dat in verband met medische redenen niet haalbaar zou zijn, om een aanvullende bijstandsuitkering aan te vragen. [appellant A] en [appellant B] zijn meerdere malen in de gelegenheid gesteld om akkoord te gaan met het plan van aanpak. Zij hebben van deze mogelijkheid geen gebruikt gemaakt.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft overwogen dat het college op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening in het kader van een schuldhulpverleningstraject verplichtingen kan opleggen. [appellant A] en [appellant B] zijn verplicht om aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet. Het college heeft de verplichtingen om te solliciteren naar betaalde arbeid voor de duur van 36 uur per week en om anders (aanvullende) bijstand aan te vragen in redelijkheid aan [appellant A] en [appellant B] kunnen opleggen. Van [appellant A] en [appellant B] wordt verwacht dat zij een maximale inspanning leveren om het inkomen te vergroten. Zij hebben niet onderbouwd, bijvoorbeeld met een medische verklaring, dat zij om medische redenen niet in staat zijn om aan de sollicitatieverplichting te voldoen. Uit de medische stukken, waarnaar zij tijdens de zitting hebben verwezen, blijkt bijvoorbeeld niet dat [appellant B] als gevolg van de nierziekte niet in staat is om te werken. Het college heeft het schuldhulpverleningstraject mogen beëindigen, omdat [appellant A] en [appellant B] niet aan hun medewerkingsplicht hebben voldaan, aldus de rechtbank.
Hoger beroep
3. De gronden die [appellant A] en [appellant B] in hoger beroep aanvoeren zijn zo goed als een herhaling van wat zij in beroep hebben aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant A] en [appellant B] voeren geen redenen aan waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de uitspraak van de rechtbank onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 4.1 en 4.2 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. Zij voegt daaraan nog toe dat zij [appellant A] en [appellant B] niet volgt in hun betoog dat het college onvoldoende onderzoek naar hun omstandigheden heeft gedaan en geen hoor en wederhoor heeft toegepast en daardoor in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft gehandeld. Het college heeft juist veelvuldig contact opgenomen met [appellant A] en [appellant B] en uitleg gegeven over de schuldhulpverlening. Dit volgt bijvoorbeeld uit de vele contactpogingen van de consulent schulddienstverlening via e-mail, de fysieke afspraak op het gemeentehuis en de uitnodigingen om daar nogmaals langs te komen om het plan van aanpak te bespreken.
4. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Schadevergoeding
5. [appellant A] en [appellant B] hebben een verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 8:88, eerste lid, van de Awb gedaan. Aan dat verzoek is ten grondslag gelegd dat de beëindiging van de schuldhulpverlening onrechtmatig is en tot aanzienlijke stress en gezondheidsproblemen heeft geleid.
5.1. Gelet op wat onder 3 is overwogen, is de beëindiging van de schuldhulpverlening niet onrechtmatig geweest, zodat alleen al daarom geen aanleiding bestaat om het college te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding.
5.2. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
Proceskosten
6. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak.
II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, griffier.
w.g. De Poorter
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Hazen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2026
452-1197