202504685/1/A2.
Datum uitspraak: 9 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 11 juli 2025 in zaak nr. 24/6922 in het geding tussen:
[appellante]
en
de Dienst Toeslagen.
Procesverloop
Bij besluiten van 6 oktober 2022 heeft de Dienst Toeslagen geen compensatie toegekend aan [appellante] voor de toeslagjaren 2009 tot en met 2011.
Bij besluit van 17 september 2024 heeft de Dienst Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 11 juli 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De Dienst Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellante] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 25 augustus 2026, waar [appellante], bijgestaan door mr. H. Beekelaar, advocaat in Kwadijk, en de Dienst Toeslagen, vertegenwoordigd door [gemachtigden], zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellante] heeft voor de jaren 2009 tot en met 2011 (voorschotten) kinderopvangtoeslag ontvangen. Omdat [appellante] hier geen recht op had, heeft de Dienst Toeslagen de kinderopvangtoeslag voor die jaren definitief vastgesteld op nihil, waardoor [appellante] te maken kreeg met terugvorderingen van in totaal € 26.000,00. Op 22 december 2020 heeft zij een verzoek gedaan voor een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag.
2. Bij besluiten van 6 oktober 2022, met de kenmerken UHT-DC-1 A en UHT-DH5 A, gehandhaafd bij besluit van 17 september 2024, met kenmerk UHT-BOB M, heeft de Dienst Toeslagen in overeenstemming met het advies van de bezwaarschriftencommissie, geen compensatie aan [appellante] toegekend voor de toeslagjaren 2009 tot en met 2011, omdat zij in die jaren volgens de Dienst Toeslagen evident geen recht had op kinderopvangtoeslag. Uit de stukken blijkt dat [appellante] de opvang van haar kinderen liet verzorgen door haar zus, zonder tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau. Voor die situatie bestaat geen recht op kinderopvangtoeslag. Volgens de Dienst Toeslagen had [appellante] zich op de hoogte kunnen stellen van de geldende regels van de kinderopvangtoeslag. Zij heeft bovendien op 4 oktober 2009 via een antwoordformulier verklaard dat de gastouderopvang tijdig aan de nieuwe regels zal voldoen.
3. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) kent de Dienst Toeslagen op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag, die schade heeft geleden doordat ten aanzien van hem sprake was van hardheid of institutionele vooringenomenheid als bedoeld in dat artikel. Op grond van artikel 2.1, tweede lid, van de Wht wordt de compensatie niet toegekend als de door de aanvrager van een kinderopvangtoeslag geleden schade is te wijten aan ernstige onregelmatigheden die aan hem toerekenbaar zijn.
Uitspraak van de rechtbank
4. Niet in geschil is dat de zus van [appellante] in de toeslagjaren 2009 tot en met 2011 de opvang van de twee oudste kinderen van [appellante] heeft verzorgd en dat de opvang heeft plaatsgevonden zonder tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau. Omdat niet is voldaan aan de eis van het gebruik van geregistreerde gastouderopvang, had [appellante] naar het oordeel van de rechtbank voor de jaren 2009 tot en met 2011 evident geen recht op kinderopvangtoeslag. Dit is een ernstige onregelmatigheid die aan haar kan worden toegerekend.
5. Anders dan [appellante] heeft aangevoerd, rust er geen onderzoeksplicht op de Dienst Toeslagen om haar aanvraag vooraf te controleren op de juiste gegevens. Het systeem van bevoorschotting is zo ingericht, dat de Dienst Toeslagen in staat is in korte tijd een groot aantal besluiten op aanvragen om een toeslag te nemen. Daarbij wordt in beginsel uitgegaan van de door [appellante] overgelegde gegevens. De controle op het recht op een toeslag vindt vervolgens pas na afloop van het berekeningsjaar plaats. Eerst dan wordt de toeslag berekend en definitief vastgesteld. In dit systeem is het uitgangspunt dus dat de aanvrager in het kader van de bevoorschotting zelf de juiste, voor het recht op toeslag relevante, gegevens doorgeeft. Daar komt bij dat [appellante] in 2010, na aanpassing van de voorwaarden om in aanmerking te komen voor kinderopvangtoeslag, zelf te kennen heeft gegeven dat zij verwacht dat de gastouder in 2010 aan de nieuwe regels zal voldoen. Hieruit heeft de rechtbank afgeleid dat [appellante] ervan op de hoogte was dat de gastouderopvang niet aan de voorwaarden van kinderopvangtoeslag voldeed. De Dienst Toeslagen heeft [appellante] ruim de gelegenheid geboden om te bewijzen dat de gastouder wel aan de voorwaarden voldeed en heeft daarom niet onzorgvuldig gehandeld.
Hoger beroep
6. [appellante] betwist dat zij evident geen recht had op kinderopvangtoeslag voor het hele toeslagjaar 2009. Tot 22 januari 2009 maakte zij namelijk gebruik van het geregistreerde [gastouderbureau].
6.1. Dit betoog slaagt. Tijdens de zitting bij de Afdeling heeft de Dienst Toeslagen bevestigd dat [appellante] van 1 januari 2009 tot 22 januari 2009 wel recht had op kinderopvangtoeslag en dat het besluit van 17 september 2024, voor zover het ziet op het toeslagjaar 2009, dus onzorgvuldig tot stand is gekomen.
7. [appellante] betoogt verder dat de Dienst Toeslagen in het kader van artikel 21 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) in de voorschotfase had moeten onderzoeken of de kinderopvangtoeslag stopgezet of herzien kon worden. Dit is zo goed als een herhaling van de grond die zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die grond ingegaan. [appellante] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die grond in de uitspraak van de rechtbank onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 23 tot en met 26 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd (vergelijk onder meer de uitspraak van de Afdeling van 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1628, onder 7.3). De Afdeling merkt daarbij op dat de verwijzing naar artikel 21 van de Awir hier niet op gaat, omdat die ziet op de herziening van een definitief toegekende toeslag, terwijl het in dit geval gaat om een herziening van de voorschotten.
De Afdeling voegt hier nog aan toe dat de opvang vanaf 22 januari 2009 zonder tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau heeft plaatsgevonden, zodat niet voldaan is aan één van de wettelijke basisvoorwaarden voor het recht op kinderopvangtoeslag. Daarmee is sprake van een ernstige onregelmatigheid in de zin van artikel 2.1, tweede lid, van de Wht. De Afdeling is, met de rechtbank, van oordeel dat die is toe te rekenen aan [appellante], omdat zij had moeten beseffen dat zij geen recht had op kinderopvangtoeslag vanaf 22 januari 2009 (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 26 augustus 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4998, onder 8, 9 en 13). De Afdeling acht daarvoor van belang dat [appellante] zelf te kennen heeft gegeven dat zij verwachtte dat de gastouder in 2010 aan de nieuwe regels zou voldoen.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
8. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling zal de uitspraak van de rechtbank vernietigen, voor zover aangevallen. Doende wat de rechtbank had moeten doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 17 september 2024 gegrond verklaren en dat besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigen, voor zover dat ziet op toeslagjaar 2009. De Dienst Toeslagen moet een nieuw besluit op bezwaar nemen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen. De Afdeling zal daarvoor een termijn stellen.
9. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit alleen bij haar beroep kan worden ingesteld.
10. Het college moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank NoordHolland van 11 juli 2025 in zaak nr. 24/6922, voor zover aangevallen;
III. verklaart het beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van 17 september 2024, voor zover dat ziet op toeslagjaar 2009;
V. draagt de Dienst Toeslagen op om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van wat daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen;
VI. bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit alleen bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;
VII. veroordeelt de Dienst Toeslagen tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VIII. gelast dat de Dienst Toeslagen aan [appellante] het door haar voor de behandeling van hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. J.F. de Groot, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, griffier.
w.g. De Groot
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. De Vink
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2026
154-1112