202404034/1/R3.
Datum uitspraak: 9 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Den Haag,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 mei 2024 in zaak nr. 21/8186 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.
Procesverloop
Bij besluit van 21 juni 2021 heeft het college aan [bedrijf] een omgevingsvergunning verleend voor het veranderen van een voormalig schoolgebouw aan de Zeezwaluwstraat 4 in Den Haag (het perceel) in 16 appartementen, en voor het realiseren van een in- of uitrit.
Bij besluit van 6 december 2021 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 21 juni 2021 gehandhaafd, onder aanpassing van de motivering.
Bij uitspraak van 28 mei 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard en geoordeeld dat [appellant] recht heeft op een schadevergoeding van € 1.000,- wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Het college heeft nadere stukken ingediend.
Bij besluit van 26 juni 2026 heeft het college het besluit van 21 juni 2021, voor zover nu nog van belang, aangevuld.
[appellant] en het college hebben allebei, in reactie op elkaar, nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 16 juli 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. B. Benard, rechtsbijstandverlener in Wassenaar, en het college, vertegenwoordigd door mr. dr. A. Herczog, vergezeld door ing. A.M. Hofstee en ing. P. Zonneveld, zijn verschenen. Verder is op de zitting de Koninklijke Haagse Woningvereniging van 1854 (KHW), vertegenwoordigd door mr. R.J. Donkersloot, advocaat in Den Haag, gehoord. Tijdens de zitting is [appellant] in de gelegenheid gesteld om uiterlijk op 24 juli 2026 nog te reageren op het laatste door het college ingediende nadere stuk. Om die reden heeft de Afdeling het onderzoek op de zitting niet gesloten.
[appellant] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft het onderzoek vervolgens gesloten.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (de Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 7 december 2020. Dat betekent dat in dit geval het recht, zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. Op het perceel rust op grond van het bestemmingsplan "Duindorp - Bosjes van Poot" de bestemming "Maatschappelijk - 1". Het perceel mag op grond van die bestemming worden gebruikt voor onderwijs, jeugd-/kinder- en buitenschoolse opvang, peuterspeelzalen en welzijnsvoorzieningen. Op het perceel staat een voormalig schoolgebouw.
3. De aanvraag van 7 december 2020 is gedaan voor het veranderen van het voormalige schoolgebouw in 16 appartementen en het realiseren van een in- of uitrit. Daarnaast blijkt uit de aanvraag dat op het perceel parkeerplaatsen zijn voorzien ten behoeve van de appartementen.
Het college heeft bij besluit van 21 juni 2021 een omgevingsvergunning verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, en artikel 2.2, eerste lid, onder e, van de Wabo voor de activiteiten "bouwen", "handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening" en "het maken van een uitweg". Volgens het college past het realiseren van woningen niet binnen de bestemming "Maatschappelijk - 1". Voor het op dit punt afwijken van het bestemmingsplan heeft het college toepassing gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2˚, van de Wabo, in samenhang met artikel 4, aanhef en onderdeel 9, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor).
4. [appellant] woont direct naast het perceel, aan de [locatie]. Hij vreest dat het gebruik van het perceel voor het parkeren ten behoeve van wonen geluidsoverlast zal veroorzaken in de avond en de nacht.
KHW is eigenaar van het perceel en de initiatiefnemer van het bouwplan.
Uitspraak van de rechtbank
5. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat verlening van de omgevingsvergunning niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat het college zich op het standpunt mocht stellen dat de ontwikkeling niet zal leiden tot een groot aantal verkeersbewegingen en dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat het gezamenlijk gebruik van de uitweg tot grote problemen zal leiden in de verkeersafwikkeling.
6. [appellant] is het niet eens met de uitspraak van de rechtbank. Hij heeft daartegen hoger beroep ingesteld en de voorzieningenrechter van de Afdeling (de voorzieningenrechter) gevraagd de voorlopige voorziening te treffen dat de omgevingsvergunning wordt geschorst totdat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.
Uitspraak voorzieningenrechter Afdeling
7. De voorzieningenrechter heeft in een uitspraak van 22 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2359, geoordeeld dat uit het besluit op bezwaar niet blijkt hoe het college rekening heeft gehouden met het feit dat er in de nieuwe situatie 12 parkeerplaatsen ten behoeve van de woonfunctie zullen worden gebruikt. Anders dan bij maatschappelijke functies zal het gebruik voor wonen verspreid over de dag gaan plaatsvinden en gepaard gaan met geluidbelasting die zich ook op latere tijdstippen voordoet, zoals in de avond en nacht. De spreiding van de geluidbelasting verschilt dus wezenlijk, terwijl een groot deel van de 12 vergunde parkeerplaatsen direct grenst aan de gevel van de woning van [appellant]. Daar komt bij dat [appellant] het rapport van M+P van 1 april 2025 heeft overgelegd, waarin hoge piekgeluiden zijn berekend op zijn gevel en in zijn woning en wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling zich in zoverre niet verdraagt met een goede ruimtelijke ordening. Het college heeft verschillende uitgangspunten uit dit onderzoek bestreden, maar volgens de voorzieningenrechter niet gemotiveerd wat dit concreet betekent voor de conclusie van M+P. Gelet hierop was de voorzieningenrechter er niet van overtuigd dat de uitspraak van de rechtbank en de omgevingsvergunning op dit punt in stand kunnen blijven en heeft hij bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van 21 juni 2021 geschorst voor zover daarbij een omgevingsvergunning is verleend voor 12 parkeerplaatsen. Verder heeft de voorzieningenrechter het college in overweging gegeven om in afwachting van de bodemprocedure te beoordelen of het realiseren van in totaal 12 parkeerplekken op het perceel eigenlijk wel noodzakelijk is. Als verwezenlijking van één of meer parkeerplaatsen op het binnenterrein toch vereist is, zal het college vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aan de hand van geluidonderzoek moeten bezien of het treffen van maatregelen noodzakelijk is, aldus de voorzieningenrechter.
Nader standpunt college
8. Het college heeft zich in reactie op de uitspraak van de voorzieningenrechter op het standpunt gesteld dat het bouwplan een parkeerbehoefte van - afgerond - 12 parkeerplaatsen kent, en dat er niet gesaldeerd kan worden, omdat het maatgevende moment voor woningen de werkdag avond is en de parkeerbehoefte van een kinderdagverblijf dan 0 is. Omdat er dus parkeerplaatsen moeten worden gerealiseerd, is een akoestisch onderzoek uitgevoerd door LBP Sight.
In haar rapport van 21 april 2026 heeft LBP Sight uiteengezet dat er geen geluideisen gelden voor parkeeractiviteiten behorende bij woningen en dat daarom aansluiting is gezocht bij de regels voor geluidgevoelige gebouwen (woningen) in de nabijheid van activiteiten uit het Omgevingsplan van de gemeente Den Haag, te weten een langtijdgemiddeld beoordelingsniveau van 50 dB(A) overdag, van 45 dB(A) ’s avonds en van 40 dB(A) ’s nachts en een maximaal geluidniveau van 70 dB(A) overdag, 65 dB(A) ’s avonds en 60 dB(A) ’s nachts. Verder heeft LBP Sight in haar rapport uiteengezet dat een volledige bezetting van de 12 parkeerplaatsen op basis van de CROW-publicatie 317 "Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie" (CROW-publicatie) leidt tot 2,8 parkeerbewegingen per plaats per dag. Dit resulteert in afgerond 34 bewegingen van en naar het parkeerterrein, bestaande uit - uitgaande van een evenredige verdeling - circa 17 bewegingen in de dagperiode, 6 bewegingen in de avondperiode en 11 bewegingen in de nachtperiode. Vervolgens heeft LBP Sight berekeningen uitgevoerd voor twee scenario’s, te weten de maximale theoretische bezetting, waarbij alle 12 parkeerplaatsen bezet zullen worden, en de maximale praktische bezetting, waarbij overeenkomstig de verwachting van de woningcorporatie 5 parkeerplaatsen bezet zullen worden. In beide scenario’s is ervan uitgegaan dat de parkeerplaatsen met zogenoemde grasdallen, te weten holle tegels waarin groen/gras kan groeien, zullen worden gerealiseerd. LBP Sight komt tot de conclusie dat, uitgaande van de maximale theoretische bezetting, het langtijdgemiddelde geluidniveau op de gevel van [appellant] alleen ’s nachts wordt overschreden, met 1 dB(A). Bij een maximale praktische bezetting is er geen overschrijding. Het maximale geluidniveau wordt veroorzaakt door dichtslaande portieren en is zowel overdag, ’s avonds als ’s nachts 76 dB(A). Het maximale geluidniveau leidt daarmee tot een overschrijding van maximaal 16 dB(A) op de gevel van [appellant]. Daarbij heeft LBP Sight uiteengezet dat dit maximale geluidniveau hetzelfde is bij de maximale theoretische bezetting als bij de maximale praktische bezetting, met dien verstande dat dit geluidniveau vaker zal worden bereikt bij de maximale theoretische bezetting. Ten slotte heeft LBP Sight ook de geluidniveaus van parkeren in de huidige situatie (te weten: parkeren in de straat) berekend. Voor wat betreft het maximale geluidniveau op de straat in de huidige situatie, afkomstig van het dichtslaan van portieren, heeft LBP Sight uiteengezet dat dit ten hoogste 87 dB(A) is, en dat het parkeren in de huidige situatie daarmee voor hogere piekgeluiden zorgt dan de nieuwe parkeerplaatsen.
De Omgevingsdienst Haaglanden (de Omgevingsdienst) heeft het onderzoek van LBP Sight getoetst en akkoord bevonden. Volgens de Omgevingsdienst behelst het geluid van het parkeren in de nieuwe situatie geen inbreuk op het woon- en leegklimaat van [appellant]. Daarbij heeft de Omgevingsdienst nog opgemerkt dat bredere toepassing van de grasdallen, ook bij de in-/uitrit, 1 dB(A) lagere toetswaarde geeft.
9. Het college heeft bij besluit van 26 juni 2026, voor zover hier van belang, het besluit van 21 juni 2021 aangevuld. Het heeft in dit kader uiteengezet dat in de omgevingsvergunning van 21 juni 2021 ten onrechte een parkeerplaats te weinig op de situatietekening was opgenomen en dat een motivering om voor parkeren op het binnenterrein af te wijken van het ter plaatse geldende bestemmingsplan ontbrak. Op 8 mei 2026 heeft het college een aangepaste situatietekening ontvangen, waaruit onder meer blijkt dat het aantal parkeerplaatsen is verhoogd van 11 naar 12 en dat alle verhardingen worden uitgevoerd als halfverharding (grasdallen). Met deze aanvulling wordt het gebrek in de omgevingsvergunning volgens het college hersteld. Verder heeft het college in dit besluit onder verwijzing naar het akoestisch onderzoek van LBP Sight van 21 april 2026 uiteengezet dat het geluid van parkeren in de nieuwe situatie volgens hem geen inbreuk op het woon- en leefklimaat oplevert. Zowel de maximale praktische bezetting als de maximaal mogelijke planologische situatie is gelet op het omgevingseigen karakter en de frequentie van voorkomen aanvaardbaar voor wat betreft het geluid, aldus het college.
Hoger beroep
Toetsingskader
10. Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
Gronden en beoordeling daarvan
11. Volgens [appellant] blijkt uit het besluit op bezwaar dat het college de vergunning heeft verleend omdat het bouwplan bijdraagt aan het aanpakken van het woningtekort en om specifieke doelgroepen (zorgpersoneel, leraren, politie) te faciliteren. De rechtbank heeft miskend dat de omgevingsvergunning hiermee onvoldoende is gemotiveerd. De rechtbank heeft niet onderkend dat bij het verlenen van de omgevingsvergunning geen motivering is gegeven over de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het bouwplan, maar alleen over de maatschappelijke behoefte aan woonruimte.
11.1. Het college heeft in de bezwaarfase toegelicht dat het, naast de behoefte aan woonruimte, de aspecten archeologie, verkeer, parkeren, bodemkwaliteit, de depositie van stikstof en flora en fauna heeft betrokken bij de beoordeling of de ontwikkeling in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Dat het college alleen de behoefte aan woonruimte bij die beoordeling zou hebben betrokken, is dus niet juist. Met de rechtbank is de Afdeling verder van oordeel dat het college de behoefte aan woonruimte bij de beoordeling of sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening heeft mogen betrekken. Dat de omgevingsvergunning er niet in voorziet dat de voorziene woonruimten, in de vorm van sociale huurwoningen voor eenpersoonshuishoudens, daadwerkelijk door de beoogde specifieke doelgroep van leraren, agenten en zorgpersoneel zullen worden bewoond, maakt dat niet anders, nu dat niet afdoet aan de (algemene) behoefte aan dit type woningen.
Het betoog slaagt niet.
12. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat de bestemming "Maatschappelijk - 1" parkeren op het perceel niet mogelijk maakt. De categorie "Parkeervoorzieningen" wordt in het bestemmingsplan apart benoemd en die categorie ontbreekt bij de bestemming "Maatschappelijk - 1". Voor de stelling van het college dat parkeren onder "overige voorzieningen" valt, is geen steun in het bestemmingsplan te vinden, aldus [appellant].
12.1. Het college heeft in het besluit van 26 juni 2026 erkend dat de aanvraag niet voldoet aan artikel 8, lid 8.1, van de planregels voor wat betreft het realiseren van woningen met bijbehorende parkeerplaatsen op voor "Maatschappelijk - 1" bestemde gronden. Dit betekent dat dit betoog slaagt.
13. [appellant] betoogt ook dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij aannemelijk moet maken dat de mogelijk gemaakte ontwikkeling zal leiden tot onevenredige geluidsoverlast. Het is aan het college om aan te tonen dat het bouwplan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het dient daarbij alle relevante belangen, en dus ook die van [appellant], in kaart te brengen en te onderzoeken. [appellant] wijst er daarbij op dat het gebruik van het perceel door de beoogde ontwikkeling zal wijzigen, met meer geluidbelasting in vooral de avond en de nacht. Dit had moeten worden onderzocht, aldus [appellant].
13.1. De rechtbank heeft overwogen dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat sprake is van een beperkte toename van de benodigde parkeerplaatsen (te weten: 1 parkeerplaats) ten opzichte van wat planologisch al mogelijk was en dat niet aannemelijk is dat met parkeren samenhangend geluid noemenswaardig zal toenemen ten opzichte van de mogelijkheden van het bestemmingsplan. Volgens de rechtbank kan niet worden uitgesloten dat het gebruik van de woningen zal leiden tot meer verkeers- en parkeerbewegingen in de avond en de nacht, maar heeft [appellant], gelet op de gebruiksmogelijkheden van het bestemmingsplan en de ligging in stedelijk gebied, niet aannemelijk gemaakt dat dit zal leiden tot onevenredige geluidsoverlast. De rechtbank heeft het onder deze omstandigheden niet onzorgvuldig geacht dat het college geen onderzoek heeft verricht naar geluid als gevolg van parkeren door toekomstige bewoners.
13.2. Het maatgevende moment voor de parkeerbehoefte in de nieuwe situatie is de avond-nacht, terwijl dat in de oude situatie overdag was. De Afdeling stelt vast dat de voorzieningenrechter in zijn uitspraak van 22 mei 2025 heeft geoordeeld dat de geluidbelasting zich door de verlening van de omgevingsvergunning dus ook op latere tijdstippen zal voordoen en dat het bouwplan daarnaast erin voorziet dat het merendeel van de 12 te realiseren parkeerplaatsen direct naast de gevel van [appellant] is voorzien. De Afdeling ziet geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Gelet hierop, heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat het niet onzorgvuldig is dat het college geen onderzoek heeft gedaan naar geluid als gevolg van parkeren door toekomstige bewoners.
Het betoog slaagt.
14. [appellant] betoogt ten slotte dat de rechtbank heeft miskend dat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de gevolgen die de verlening van de uitritvergunning heeft voor zijn eigen uitritvergunning op exact dezelfde locatie.
14.1. Dit betoog slaagt niet. Het college heeft uiteengezet dat de afdeling mobiliteit een positief advies over de vergunning heeft afgegeven en dat de ontwikkeling niet zal leiden tot een groot aantal verkeersbewegingen. Gelet op de beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen heeft het college geen aanleiding hoeven zien dat het gebruik van de uitweg desalniettemin tot grote problemen zal leiden.
Conclusie hoger beroep
15. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd, voor zover aangevallen, dat wil zeggen voor zover het beroep van [appellant] ongegrond is verklaard. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellant] tegen het besluit van 6 december 2021 gegrond verklaren en dit besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigen.
16. Het college moet de proceskosten die [appellant] in verband met dit hoger beroep en het beroep bij de rechtbank tegen het besluit van 6 december 2021 heeft gemaakt, vergoeden.
Beroep van rechtswege tegen besluit van 26 juni 2026
17. Zoals hiervoor onder 9 is weergegeven, heeft het college het besluit van 21 juni 2021 bij besluit van 26 juni 2026 aangevuld. Dit besluit is, gelet op artikel 6:19 van de Awb, gelezen in verbinding met artikel 6:24 van die wet, eveneens onderwerp van dit geding.
18. [appellant] betoogt onder verwijzing naar een memo van M+P van 30 juni 2026 dat het akoestisch onderzoek van LBP Sight fouten bevat. Zo zijn de achtergevel en een deel van de zijgevel van zijn woning ten onrechte niet meegenomen in het onderzoek. Verder stelt [appellant] onder verwijzing naar de artikelen 6.5 en 8.21 van de Omgevingsregeling dat ten onrechte niet is getoetst aan de binnenwaarde in de woning. Ook is LBP Sight ten onrechte uitgegaan van een aantal parkeerbewegingen per parkeerplaats. De CROW-publicatie gaat namelijk uit van een aantal parkeerbewegingen per woning. Daarvan uitgaande gaat het niet om 34, maar om 45 parkeerbewegingen. Bovendien is niet onderbouwd waarom een evenredige verdeling van de bewegingen over de etmaalperiodes als uitgangspunt is genomen. Met het oog op de doelgroep van mensen met een sleutelberoep lijkt dat onlogisch. Uitgaande van 45 parkeerbewegingen en een realistischer verdeling per etmaalperiode zal de geluidbelasting hoger zijn, aldus [appellant]. [appellant] wijst er verder op dat niet is onderbouwd dat er maar 5 parkeerplekken gebruikt zullen worden. Nu er bovendien niet voor niets 12 parkeerplekken aangelegd moeten worden, had van dit aantal uitgegaan moeten worden. Ook wijst [appellant] erop dat de omstandigheid dat er ook geluid op de straat is, er niet aan af doet dat er nu geluid vanaf het binnenterrein bij komt. Het geluid van de straat is juist een reden om extra voorzichtig te handelen als er een vergelijkbare geluidbron uit een andere richting bij komt. [appellant] stelt verder dat als parkeren op straat een piekniveau van ongeveer 87 dB(A) oplevert, het parkeren op het binnenterrein, gelet op de afstanden, piekniveaus van ongeveer 85 dB(A) zal opleveren. Daar komt nog bij dat geen rekening is gehouden met mogelijke reflecties op het binnenterrein, die op de straat niet optreden, en met de omstandigheid dat er op straat parallel aan de woning wordt geparkeerd, waardoor er maar één portier dicht bij de gevel is, terwijl op het binnenterrein dwars ten opzichte van de gevel wordt geparkeerd en dus beide voorportieren, voor zover in gebruik, bij de berekening van de piekgeluiden meegenomen hadden moeten worden. Verder kan ook de klep van de kofferruimte bij achteruit inparkeren voor hoge piekgeluiden zorgen. Ook wijst [appellant] erop dat grasdallen vermoedelijk meer geluid zullen produceren. Bovendien kunnen die los komen te liggen, en daarmee ook extra geluid produceren. Ten slotte wijst [appellant] ook nog op fouten in de berekening van de geluidniveaus bij een alternatieve parkeerindeling. Gelet op de fouten in het akoestisch onderzoek van LBP Sight, heeft het college dit onderzoek niet aan zijn motivering dat de realisatie van de 12 parkeerplaatsen niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening ten grondslag mogen leggen, aldus [appellant].
18.1. LBP Sight heeft in figuur 4.2 van haar rapport van 21 april 2026 weergegeven van welke toetspunten zij bij de berekening van de geluidimmissie is uitgegaan. Hieruit blijkt dat zij gerekend heeft met een toetspunt op zowel de zij- als de achtergevel van de woning van [appellant].
Gelet hierop mist de stelling van [appellant] dat de achtergevel van zijn woning niet zou zijn meegenomen in de berekeningen feitelijke grondslag. Verder volgt de Afdeling [appellant] niet in zijn stelling dat er op de zijgevel met meerdere toetspunten gerekend had moeten worden. Het college heeft toegelicht dat voor de locatie van het toetsingspunt op de zijgevel is gekeken naar een punt op die gevel nabij een raam dat geopend kan worden. Volgens het college is dit een maatgevend punt, omdat de geluidisolatie van dubbelglas lager is dan de geluidisolatie van een stenen gevel. [appellant] heeft dit niet gemotiveerd betwist. Voor zover [appellant] ten slotte onder verwijzing naar de artikelen 6.5, eerste lid, aanhef en onder a, en 8.21, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingsregeling heeft gesteld dat ten onrechte niet is getoetst aan de binnenwaarde van zijn woning, volgt de Afdeling dit evenmin, alleen al omdat in deze bepalingen niet staat dat daaraan moet worden getoetst.
Het betoog slaagt in zoverre niet.
18.2. Voor zover [appellant] heeft betoogd dat LBP Sight uit had moeten gaan van 45 in plaats van 34 parkeerbewegingen per etmaal, volgt de Afdeling dit niet. Niet in geschil is dat voor de 16 appartementen een parkeerbehoefte van 12 parkeerplaatsen bestaat. Het doel van het akoestisch onderzoek was niet om inzichtelijk te maken wat de geluidbelasting van de 16 appartementen is, maar om inzichtelijk te maken wat de geluidbelasting van de 12 parkeerplaatsen is. Aangezien de 12 parkeerplaatsen alle op het binnenterrein zijn voorzien, dat binnenterrein voor derden is afgesloten en de 12 parkeerplaatsen alleen verhuurd worden aan de bewoners van de appartementen (en dus niet voor anderen toegankelijk zijn), heeft LBP Sight terecht alleen het aantal parkeerbewegingen berekend dat deze parkeerplaatsen genereren. Daarbij heeft zij uit mogen gaan van een evenredige verdeling van de bewegingen over de etmaalperiodes, alleen al omdat in de omgevingsvergunning niet is voorgeschreven dat de appartementen alleen door de beoogde specifieke doelgroep van leraren, agenten en zorgpersoneel mogen worden bewoond.
Het betoog slaagt ook in zoverre niet.
18.3. Voor zover [appellant] heeft betoogd dat er niet van vijf gebruikte parkeerplaatsen uit had moeten worden gegaan, maar van het maximale aantal van 12 parkeerplaatsen, mist dit betoog feitelijke grondslag. Uit het onderzoek van LBP Sight blijkt immers dat zij de berekeningen heeft uitgevoerd voor twee scenario’s, waaronder de maximale theoretische bezetting, waarbij alle 12 parkeerplaatsen bezet zullen worden. Het college heeft de berekeningen van beide scenario’s, en dus ook het scenario waarbij alle 12 parkeerplaatsen bezet zullen worden, betrokken bij zijn besluit van 26 juni 2026.
Het betoog slaagt in zoverre niet.
18.4. De Omgevingsdienst Haaglanden heeft in reactie op de stelling van [appellant] dat twee tegelijk dichtslaande portieren tot een hogere piekbelasting leiden gesteld dat het tegelijk dichtslaan van beide portieren juist tot een lagere geluidsbelasting leidt omdat dan een hogere tegendruk van de lucht in de auto ontstaat. [appellant] heeft dit niet gemotiveerd bestreden. Verder heeft de Omgevingsdienst Haaglanden in reactie op het betoog van [appellant] dat de piekgeluiden op het binnenterrein, ook in vergelijking met de piekgeluiden op straat, te laag zijn vastgesteld, gesteld dat reflecties niet zozeer op het binnenterrein, maar juist op de straat zullen optreden, aangezien de straat smal en aan beide kanten bebouwd is. Daarnaast kan er, zo heeft de Omgevingsdienst Haaglanden uiteengezet, op 1 meter van de voorgevel van [appellant] geparkeerd worden. Ook dit heeft [appellant] niet gemotiveerd bestreden. Ten slotte heeft [appellant] ook zijn stelling dat grasdallen vermoedelijk meer geluid opleveren niet onderbouwd. Naar het oordeel van de Afdeling heeft [appellant] dan ook niet aannemelijk gemaakt dat de piekgeluiden als gevolg van dichtslaande portieren verkeerd zijn berekend of anderszins zijn onderschat.
Het betoog slaagt ook in zoverre niet.
18.5. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de omstandigheid dat de piekgeluiden tot een hoger geluidniveau leiden dan het geluidniveau waar aansluiting bij is gezocht, niet betekent dat deze geluidbelasting leidt tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat geen sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening. In dit kader heeft het college erop gewezen dat er geen geluidnormen waren of zijn voor geluid dat samenhangt met wonen in een woonwijk en dat daarom aansluiting is gezocht bij de geluidnormen die in het Omgevingsplan voor milieubelastende activiteiten zijn neergelegd. De aard van dergelijke activiteiten, met bijbehorende geluidbelasting, is echter wezenlijk anders dan wonen in een dichtgebouwde woonwijk van een grote stad als Den Haag, met de bijbehorende geluidbelasting van parkeren. Volgens het college gaat het hier niet om geluid dat wordt veroorzaakt door milieubelastende (bedrijfsmatige) activiteiten, maar om omgevingseigen geluid dat behoort bij de activiteit wonen.
Gelet op het voorgaande heeft het college zich naar het oordeel van de Afdeling op het standpunt mogen stellen dat de geluidbelasting als gevolg van het gebruik van de 12 parkeerplaatsen in dit geval niet leidt tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat van [appellant]. Daarbij betrekt de Afdeling dat de piekgeluiden uitsluitend worden veroorzaakt door dichtslaande portieren en dergelijk geluid, met de bijbehorende geluidbelasting, inherent is aan wonen in een stedelijke omgeving.
Het betoog slaagt ook in zoverre niet.
18.6. Voor zover, ten slotte, [appellant] heeft gesteld dat er fouten zitten in de berekening van de geluidniveaus bij een alternatieve parkeerindeling, geldt dat dit, wat daar verder ook van zij, niet van belang is, nu de alternatieve parkeerindeling niet is vergund.
Conclusie beroep van rechtswege
19. Het beroep van [appellant] tegen het besluit van 26 juni 2026 is ongegrond.
20. Het college hoeft de proceskosten die [appellant] in het kader van dit beroep heeft gemaakt, niet te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 mei 2024 in zaak nr. 21/8186, voor zover aangevallen;
III. verklaart het beroep tegen het besluit van 6 december 2021, met kenmerk B.2.21.3004.001, gegrond;
IV. vernietigt dit besluit;
V. verklaart het beroep tegen het besluit van 26 juni 2026, met kenmerk VTH2020-202021043, ongegrond;
VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Den Haag tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.736,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand;
VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Den Haag aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 460,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.S. Ouwehand, griffier.
w.g. Daalder
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Ouwehand
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2026
752