202404419/1/A3.
Datum uitspraak: 9 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 14 juni 2024 in zaak nr. 23/11645 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Noord-Beveland.
Procesverloop
Bij besluit van 24 mei 2023 heeft het college een verzoek van [appellant] om openbaarmaking van informatie afgewezen.
Bij besluit van 22 november 2023 heeft het college door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 14 juni 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] heeft nadere stukken ingediend.
Het college heeft ook een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 juni 2026, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. N.C.H. Vrijsen, advocaat in Breda, zijn verschenen.
Overwegingen
Waar gaat deze zaak over?
1. [appellant] heeft op 14 april 2023 een verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo) bij het college ingediend naar aanleiding van een eerdere procedure op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) van het bestuur van Follow the Money (FTM). FTM had in die procedure verzocht om openbaarmaking van documenten over vakantieaanbieder Roompot. [appellant] heeft verzocht om openbaarmaking van document ‘2012-05-15 Reactie op brief Justion MAILbericht_Geredigeerd.pdf’. Ook heeft hij verzocht om alle andere niet of gedeeltelijk openbaar gemaakte documenten naar aanleiding van het Wob-verzoek van FTM nogmaals kritisch te beoordelen en te bepalen of het onleesbaar maken van namen en delen tekst in deze documenten voldoet aan de jurisprudentie en geldende regelgeving.
2. Het college heeft het verzoek afgewezen en het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
3. [appellant] heeft in de beroepsprocedure bij de rechtbank de omvang van zijn verzoek beperkt. Hij heeft toegelicht dat in een brief van 23 april 2012 van Justion Advocaten aan de gemeente Noord-Beveland een advies wordt gegeven over het Roompotstrand. Op deze brief wordt in een mail van 15 mei 2012 door een ambtenaar gereageerd. De ambtenaar deelt in deze mail mede dat hij of zij de brief niet aan een dossier zal toevoegen. [appellant] stelt zich op het standpunt dat het college de naam van deze ambtenaar ten onrechte niet openbaar heeft gemaakt.
Wat heeft de rechtbank overwogen?
4. Het college heeft de naam van de ambtenaar geweigerd op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e, van de Woo. De rechtbank heeft overwogen dat het college het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de ambtenaar, ondanks het verstrijken van de tijd, zwaarder heeft mogen laten wegen dan het belang dat is gediend met het openbaar maken van de persoonsgegevens van de ambtenaar.
5. [appellant] is het niet eens met de uitspraak van de rechtbank en heeft hoger beroep ingesteld.
Wat heeft [appellant] in hoger beroep aangevoerd?
6. [appellant] bestrijdt de overweging van de rechtbank dat het college het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zwaarder heeft mogen laten wegen dan het belang van openbaarmaking van de persoonsgegevens van de ambtenaar. [appellant] stelt dat uit het deels openbaar gemaakte mailbericht van 15 mei 2012 blijkt dat de ambtenaar bewust de brief van 23 april 2012 niet heeft toegevoegd aan een dossier. De ambtenaar heeft volgens [appellant] daardoor de besluitvorming over de toekenning van de rechten om strandslaaphuisjes te mogen plaatsen bewust beïnvloed ten gunste van Roompot. Wanneer de brief wel aan het dossier zou zijn toegevoegd, dan had het college volgens [appellant] geweten dat er een openbare aanbesteding had moeten plaatsvinden. Omdat deze ambtenaar volgens hem de integriteitsregels heeft geschonden, weegt het algemeen belang bij openbaarmaking zwaarder dan het persoonlijk belang van de ambtenaar.
Verder bestrijdt [appellant] de overweging van de rechtbank dat de betrokken ambtenaar geen beslissingsbevoegdheid heeft en niet met zijn of haar functie in de openbaarheid treedt. [appellant] wijst erop dat uit het mailbericht van 15 mei 2012 blijkt dat de ambtenaar kon beslissen om de brief van 23 april 2012 niet in het dossier op te nemen. Verder betoogt [appellant] dat de rechtbank heeft nagelaten om te beoordelen of de ambtenaar in het mandaatregister stond vermeld.
Oordeel van de Afdeling
6.1. Zoals de Afdeling ter zitting heeft uitgelegd, staat in deze procedure niet ter beoordeling of al dan niet sprake is een van integriteitsschending door een ambtenaar. Deze procedure gaat alleen over het Woo-verzoek van [appellant]. Dit verzoek heeft [appellant] in zijn beroepsprocedure bij de rechtbank beperkt tot de openbaarmaking van de naam van een ambtenaar. Dat wat [appellant] in zijn pleitnota heeft aangevoerd over de namen van de geadresseerden in de brief van 23 april 2012 en over de namen van ‘ambtsdragers in alle vrijgegeven stukken’, valt daarom buiten de grenzen van het geschil. Daarover zal de Afdeling dus geen oordeel geven.
6.2. Artikel 5.1, tweede lid, onder e, van de Woo bepaalt dat het openbaar maken van informatie achterwege blijft voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang bij de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, verzet het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zich tegen openbaarmaking van namen van medewerkers die niet wegens hun functie in de openbaarheid treden, tenzij de indiener van het desbetreffende Wob-verzoek aannemelijk heeft gemaakt dat het belang van de openbaarheid in een concreet geval zwaarder weegt. De Afdeling verwijst hiervoor naar r.o. 3.2 van haar uitspraak van 31 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:321. Hetzelfde geldt voor de indiener van een Woo-verzoek.
6.3. Na kennis te hebben genomen van de niet openbaar gemaakte gegevens, stelt de Afdeling vast dat onder het mailbericht van 15 mei 2012 de naam van een ambtenaar staat vermeld die niet wegens zijn functie in de openbaarheid treedt. Anders dan [appellant] heeft aangevoerd, betekent de enkele omstandigheid dat uit het mailbericht blijkt dat de ambtenaar kon besluiten om een document niet aan het dossier toe te voegen, nog niet dat de ambtenaar daarom in deze situatie als vertegenwoordiger van de gemeente in de openbaarheid treedt.
De door [appellant] opgeworpen vraag of deze ambtenaar in het mandaatregister staat vermeld, behoeft geen beantwoording. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, moeten namen van ambtenaren die krachtens mandaat een besluit ondertekenen, in beginsel aanvaarden dat hun namen met de ondertekening van de besluiten naar buiten komen. Hierbij is van belang dat de burger moet kunnen controleren of de ambtenaren tot ondertekeningen van die besluiten bevoegd waren. De Afdeling verwijst hiervoor naar haar uitspraak van 12 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA2883. Maar in dit geval gaat het niet over de ondertekening van een besluit, maar over de vermelding van de naam van een ambtenaar onder een mailbericht.
[appellant] heeft niet aannemelijk heeft gemaakt dat het belang van de openbaarheid zwaarder weegt dan het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de ambtenaar. [appellant] wil een door hem gestelde integriteitsschending van een ambtenaar, die nog steeds in dienst is van de gemeente, aan de orde stellen. Maar daarvoor is het niet nodig dat de naam van de ambtenaar voor een ieder openbaar wordt gemaakt. Zoals het college ter zitting heeft uitgelegd, kan [appellant] daarover een klacht indienen via de website van de gemeente of bij de Nationale Ombudsman. Daartoe kan [appellant] het mailbericht van 15 mei 2012 en de brief van 23 april 2012 gebruiken die, afgezien van de daarin vermelde persoonsgegevens, openbaar zijn. Overigens heeft het college ter zitting verklaard dat de brief van 23 april 2012 altijd in het dossier heeft gezeten en dus niet uit het dossier is gelaten. Het college heeft zich daarom op het standpunt mogen stellen dat het belang bij eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de ambtenaar, waaronder het belang om beschermd te worden tegen speculaties over zijn of haar integriteit, zich tegen openbaarmaking van zijn of haar naam verzet.
6.4. Het betoog slaagt niet.
7. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
8. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. M. den Heyer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.E. Larsson-van Reijsen, griffier.
w.g. Den Heyer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Larsson-van Reijsen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2026
978