202402859/2/R4.
Datum beslissing: 28 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge beslissing met overeenkomstige toepassing van artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op een verzoek van:
[verzoeker A[, [verzoeker B] en [verzoeker C], allen wonend in Groenekan, gemeente De Bilt,
verzoekers,
om toepassing van artikel 8:15 van de Awb.
Procesverloop
Bij brief, ingekomen op 28 januari 2026, en aangevuld op dezelfde datum hebben [verzoekers] verzocht om wraking van staatsraad mr. B.P.M. van Ravels (de staatsraad) als lid van de Afdeling belast met de behandeling van de zaak nr. 202402859/1/R4.
De staatsraad heeft niet in de wraking berust.
De Afdeling heeft het wrakingsverzoek op een zitting behandeld op 28 januari 2026 waar de staatsraad is verschenen.
Beslissing
Bij mondelinge beslissing van 28 januari 2026 heeft de Afdeling:
I. het verzoek om wraking van de wrakingskamer buiten behandeling gelaten;
II. het verzoek om wraking, voor zover ingediend door [verzoeker A], niet-ontvankelijk verklaard;
III. het verzoek om wraking, voor zover ingediend door [verzoeker B] en [verzoeker C], afgewezen.
Overwegingen
Daartoe heeft de Afdeling het volgende overwogen.
1. [verzoekers] hebben aan hun verzoek ten grondslag gelegd dat de staatsraad de zitting van 28 januari 2026 niet heeft aangehouden en geen nieuwe datum heeft bepaald. Met deze afwijzing is de schijn van partijdigheid dan wel vooringenomenheid van de staatsraad gewekt. De afwijzing, waarbij voorbij wordt gegaan aan het recht om gehoord te worden, en geen rekening wordt gehouden met verhinderingen, is volgens [verzoekers] zo onbegrijpelijk dat daarvoor redelijkerwijze geen andere verklaring kan worden gegeven dan dat deze door vooringenomenheid van de staatsraad is gegeven.
In hun aanvullend stuk hebben [verzoekers] aangegeven dat, indien de zitting waarop het wrakingsverzoek wordt behandeld, doorgang vindt, ook de wrakingskamer wordt gewraakt.
2. De wrakingskamer laat het verzoek tot wraking van de wrakingskamer buiten behandeling.
3. Het verzoek tot wraking van de staatsraad houdt verband met de afwijzing van een eerder mede namens [verzoeker A] gedaan verzoek om uitstel van de behandeling van de zaak op zitting. Dat verzoek om uitstel is op 17 december 2025 afgewezen. Uit de tot het dossier behorende stukken blijkt niet dat daarna nog een verzoek om uitstel is gedaan. Het verzoek om wraking is ingediend op 28 januari 2026 en is, gelet op de datum van afwijzing van het verzoek om uitstel, onredelijk laat ingediend. Het verzoek, voor zover ingediend door [verzoeker A], wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard. Het verzoek om uitstel is niet ingediend door of namens [verzoeker B] en [verzoeker C]. Met de afwijzing van het verzoek om uitstel heeft de staatsraad dus geen beslissing ten aanzien van [verzoeker B] en [verzoeker C] genomen of een andere handeling jegens hen verricht, zodat er alleen al daarom geen sprake is van (de schijn van) vooringenomenheid. Het verzoek tot wraking, voor zover door hen ingediend, moet daarom worden afgewezen.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzitter, en mr. H.J.M. Besselink en mr. J.A.W. Huijben, leden, in tegenwoordigheid mr. N.D.T. Pieters, griffier.
w.g. Daalder
voorzitter
w.g. Pieters
griffier
473