202402005/1/R2.
Datum uitspraak: 9 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
1. Stichting Schoorswinkel en Omgeving (SSO), gevestigd in Gemert, gemeente Gemert-Bakel,
2. [appellant sub 2], wonend in Gemert, gemeente Gemert-Bakel, handelend onder de naam [hotel],
3. [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] ([appellanten sub 3]), beiden wonend in Gemert, gemeente Gemert-Bakel,
4. [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B] ([appellanten sub 4]), beiden wonend in Gemert, gemeente Gemert-Bakel,
5. [appellant sub 5] en anderen, allen wonend in Gemert, gemeente Gemert-Bakel,
6. [appellant sub 6], wonend in Gemert, gemeente Gemert-Bakel,
appellanten,
en
1. de raad van de gemeente Gemert-Bakel,
2. het college van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel,
verweerders.
Procesverloop
Bij besluit van 5 februari 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "Ommuurde tuin, kasteel Gemert" vastgesteld.
Bij besluit van 19 december 2023 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor de restauratie van de tuinmuur en opstallen, de reconstructie van de kas en de realisatie van 13 patiowoningen in de ommuurde tuin van kasteel Gemert.
De besluiten zijn met toepassing van de gemeentelijke coördinatieregeling van artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) gecoördineerd voorbereid en bekendgemaakt.
Tegen deze besluiten hebben SSO, [hotel], [appellanten sub 3], [appellanten sub 4], [appellant sub 5] en anderen en [appellant sub 6] beroep ingesteld.
Bij besluit van 21 oktober 2025 (het herstelbesluit) heeft het college de omgevingsvergunning gewijzigd.
SSO, [hotel], [appellanten sub 3], [appellant sub 5] en anderen en BL Huisvesting hebben hun zienswijzen over het herstelbesluit naar voren gebracht.
De raad en het college hebben een verweerschrift ingediend.
BL Huisvesting heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (STAB) heeft op verzoek van de Afdeling een deskundigenbericht uitgebracht.
SSO, [appellanten sub 4], [appellant sub 5] en anderen, de raad en het college en BL Huisvesting hebben hun zienswijzen op het deskundigenbericht naar voren gebracht.
SSO, [hotel], [appellanten sub 3], [appellant sub 5] en anderen, de raad en het college en BL Huisvesting hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op zitting behandeld op 10 november 2025, waar SSO, vertegenwoordigd door [gemachtigde A], [appellant sub 2] en [appellanten sub 3], allen bijgestaan door [gemachtigde B], [appellanten sub 4], bijgestaan door mr. G.R.R. Knarren, rechtsbijstandverlener in Leusden, [appellant sub 5] en anderen, in de persoon van [appellant sub 5], bijgestaan door mr. W. Koster, rechtsbijstandverlener in Tilburg, [appellant sub 6], en de raad en het college, vertegenwoordigd door mr. F.T.H. Branten, M. van den Akker en C. Smulders, zijn verschenen. Verder is op zitting BL Huisvesting, vertegenwoordigd door [gemachtigde C] en bijgestaan door mr. L.A. Pronk, advocaat in Helmond, als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden.
1.1. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 1 augustus 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wro en de Crisis- en herstelwet (Chw), zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
1.2. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 26 juni 2023. Dat betekent dat in dit geval het recht, waaronder de Wabo en de Chw, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Wettelijk kader
2. De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Inleiding
3. In de dorpskern van Gemert ligt het kasteel van Gemert. Het kasteelcomplex is aangewezen als rijksmonument en bestaat uit het kasteel, het omliggende tuinpark, de ommuurde tuin en een deel van de omliggende landerijen. Initiatiefnemer BL Huisvesting wil kasteel Gemert in stappen herontwikkelen aan de hand van het Masterplan, dat Hylkema Erfgoed in november 2019 heeft opgesteld. Het bestemmingsplan maakt deel uit van die herontwikkeling en voorziet in de realisatie van 13 patiowoningen in de ommuurde tuin. Het plangebied ligt tussen de Heilige Geestlaan, het Hopveld en het Binderseind. Aan de noordzijde van het plangebied bevindt zich het poortgebouw met daarachter de rest van het kasteelcomplex.
4. Het college heeft op grond van het bestemmingsplan aan BL Huisvesting een omgevingsvergunning verleend voor de restauratie van de monumentale muur, de reconstructie van de kas en de bouw van 13 patiowoningen in de ommuurde tuin. Het besluit is verleend voor de volgende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, b en f, van de Wabo:
- het (ver)bouwen van een bouwwerk;
- het uitvoeren van een werk, geen gebouw zijnde, of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan is bepaald;
- het slopen, verstoren, verplaatsen of in enig opzicht wijzigen van een rijksmonument of het herstellen, gebruiken of laten gebruiken van een rijksmonument op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.
5. Uit de statuten van SSO volgt dat zij streeft naar behoud en herstel van het (culturele) erfgoed in Gemert-Bakel en dat binnen dit doel specifieke aandacht is voor de cultuurhistorische waarden van Gemert-kern, waartoe behoort het kasteelcomplex Gemert en gebouwen, de onbebouwde omgeving en het groene erfgoed aan de westzijde van Gemert. SSO is het niet eens met het bestemmingsplan. Zij vreest onder meer voor aantasting van de cultuurhistorische en landschappelijke waarden van het plangebied en de omgeving en verkeers- en parkeeroverlast.
[hotel] is gevestigd ten oosten van het plangebied aan de [locatie 1]. Zij vreest onder meer voor aantasting van de cultuurhistorische en landschappelijke waarden van het plangebied en de omgeving en verkeers- en parkeeroverlast.
[appellanten sub 3] wonen ten oosten van het plangebied aan het [locatie 2]. Hun woning staat op ongeveer 55 m van het plangebied. [appellanten sub 3] vrezen onder meer voor aantasting van de cultuurhistorische en landschappelijke waarden van het plangebied en verkeers- en parkeeroverlast.
[appellanten sub 4] wonen ten zuiden van het plangebied aan het [locatie 3]. Hun woning staat op ongeveer 60 m van het plangebied. [appellanten sub 4] vrezen onder meer voor aantasting van de cultuurhistorische en landschappelijke waarden van het plangebied en de omgeving, verkeers- en parkeeroverlast en hun woon- en leefklimaat.
[appellant sub 5] en anderen wonen ten zuiden van het plangebied aan het [locatie 4], [locatie 5] en [locatie 6]. De woningen aan het [locatie 4] en [locatie 5] grenzen direct aan het plangebied. De woning aan het [locatie 6] staat op ongeveer 50 m van het plangebied. [appellant sub 5] en anderen vrezen onder meer voor aantasting van de cultuurhistorische en landschappelijke waarden van het plangebied en de omgeving, verkeers- en parkeeroverlast en hun woon- en leefklimaat.
[appellant sub 6] woont ten noordoosten van het plangebied aan het [locatie 7]. Zijn woning staat op ongeveer 190 m van het plangebied. [appellant sub 6] vreest onder meer voor aantasting van de cultuurhistorische en landschappelijke waarden van het plangebied en de omgeving, parkeeroverlast en geur- en geluidoverlast.
Herstelbesluit
6. Het college heeft bij besluit van 21 oktober 2025 de omgevingsvergunning gewijzigd. In het herstelbesluit zijn drie voorschriften toegevoegd aan de omgevingsvergunning. Die voorschriften houden het volgende in: primair wordt gebruik gemaakt van bestaande baksteen uit de muur zelf, secundair van gebruikte baksteen elders en tertiair van nieuwe baksteen met gelijksoortig uiterlijk van de bestaande baksteen uit de muur, het voegwerk wordt uitgevoerd in EN 459-1 hydrolyse (lees: hydraulische) kalk en de woningen mogen niet in gebruik worden genomen voordat het verkeersplateau is gerealiseerd, zoals opgenomen in bijlage 1 bij de omgevingsvergunning.
6.1. Het herstelbesluit wordt, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. De beroepen van appellanten worden daarom geacht ook te zijn gericht tegen dit besluit.
Ingetrokken beroepsgronden
7. Op de zitting hebben [appellanten sub 4] de volgende beroepsgronden die zij tegen het bestemmingsplan hebben aangevoerd, ingetrokken: de grond over de toepasselijke toetsingskaders en de grond over de maatvoering van de parkeerplaats en de garagedeur.
Op de zitting hebben [appellant sub 5] en anderen de volgende beroepsgronden die zij tegen het bestemmingsplan hebben aangevoerd, ingetrokken: de grond over de toepasselijke toetsingskaders en de grond over de maatvoering van de parkeerplaats en de garagedeur.
Op de zitting heeft [appellant sub 6] de volgende beroepsgrond die hij tegen het bestemmingsplan heeft aangevoerd, ingetrokken: de beroepsgrond over het openbreken van de muur.
Nieuwe beroepsgronden
8. SSO betoogt in haar nadere stukken van 22 april 2025 en 4 november 2025 dat het bestemmingsplan het gemeentelijke monument aan het [locatie 4] en [locatie 5] onaanvaardbaar aantast en dat niet wordt voldaan aan de groennorm van de gemeente omdat de kasteeltuin slechts beperkt toegankelijk is.
8.1. De Afdeling stelt vast dat SSO deze beroepsgronden niet in haar beroepschrift naar voren heeft gebracht. Op deze procedure is de Chw van toepassing. Op grond van artikel 1.6a van de Chw kunnen na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen nieuwe beroepsgronden meer worden aangevoerd. Dit staat ook in de brief van de Afdeling aan SSO van 29 maart 2024. Daarom laat de Afdeling deze beroepsgronden, voor zover deze door SSO naar voren zijn gebracht, buiten beschouwing.
Opzet van de uitspraak
9. Hieronder zal de Afdeling eerst het beroep van [appellant sub 6] bespreken (overwegingen 10 tot en met 10.7). Daarna zal de Afdeling de beroepsgronden bespreken die gaan over het bestemmingsplan (overwegingen 11 tot en met 41). Tot slot komen de beroepsgronden aan de orde die gaan over de verleende omgevingsvergunning (overwegingen 42 tot en met 47). De Afdeling beoordeelt de beroepen tegen de omgevingsvergunning zoals deze luidt na de wijziging van 21 oktober 2025.
Beroep [appellant sub 6]
10. [appellant sub 6] heeft beroepsgronden naar voren gebracht over aantasting van de cultuurhistorische en landschappelijke waarden van het plangebied en de omgeving, parkeeroverlast en geur- en geluidoverlast.
10.1. In de uitspraak van 4 mei 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:953) heeft de Afdeling overwogen dat aan degene die bij een besluit als hier aan de orde geen belanghebbende is in de zin van artikel 1:2, eerste lid van de Awb, maar die tegen het ontwerpbesluit wel een zienswijze heeft ingediend, in beroep niet zal worden tegengeworpen dat hij geen belanghebbende is.
In deze uitspraak van 4 mei 2021 heeft de Afdeling er verder op gewezen dat te voorzien is dat de beroepsgronden van degene die als niet-belanghebbende toegang tot de bestuursrechter verkrijgt, op grond van het in artikel 8:69a van de Awb neergelegde relativiteitsvereiste in voorkomende gevallen niet tot vernietiging van het bestreden besluit kunnen leiden.
10.2. [appellant sub 6] woont op ongeveer 190 m van de ommuurde tuin en heeft geen zicht op het plangebied. Naar het oordeel van de Afdeling raken deze besluiten [appellant sub 6] dan ook niet rechtstreeks in zijn belang, zodat hij daarbij geen belanghebbende is. Omdat [appellant sub 6] een zienswijze heeft ingediend, zal hem echter niet worden tegengeworpen dat hij geen belanghebbende is. De Afdeling zal in het licht van de uitspraak van 4 mei 2021 evenwel bezien of zijn beroepsgronden op grond van het relativiteitsvereiste niet tot vernietiging van het bestreden besluit kunnen leiden.
10.3. Artikel 8:69a van de Awb bepaalt dat de bestuursrechter een besluit niet vernietigt op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. Dit is het hiervoor bedoelde, zogeheten relativiteitsvereiste.
10.4. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis heeft willen stellen dat er een verband is tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die in (hoger) beroep komt.
10.5. Bij de beantwoording van de vraag of voor beroepsgronden geldt dat deze niet kunnen leiden tot vernietiging van het bestreden besluit omdat artikel 8:69a van de Awb hieraan in de weg staat, is dus van belang vast te stellen of de rechtsregel strekt tot de bescherming van de belangen van de appellant. Daarbij wordt vooropgesteld dat bij de toepassing van het relativiteitsvereiste aan de procedurele normen over het recht op inspraak een zelfstandige betekenis toekomt. Zie daarvoor ook de uitspraak van de Afdeling van 15 februari 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:606) onder 7.8. Dit betekent dat als een niet-belanghebbende, zoals [appellant sub 6], een zienswijze heeft ingediend het relativiteitsvereiste niet aan vernietiging in de weg staat bij een door hem ingeroepen procedurele norm over het recht op inspraak.
10.6. Voor zover [appellant sub 6] een beroep heeft gedaan op een procedurele norm of een formeel beginsel van behoorlijk bestuur die niet gaan over inspraak, of wanneer hij heeft aangevoerd dat in strijd met een materiële norm is gehandeld, staat de relativiteit wél in de weg aan vernietiging als die rechtsregel niet strekt tot bescherming van zijn belang.
10.7. Het voorgaande leidt ertoe dat de Afdeling de beroepsgronden die [appellant sub 6] naar voren heeft gebracht, niet zal bespreken. Deze gronden gaan niet over inspraak. Deze gronden kunnen op grond van het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a van de Awb dan ook niet leiden tot vernietiging van het bestemmingsplan of de omgevingsvergunning.
Beroep tegen het bestemmingsplan
- Toetsingskader
11. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
- Procedurele gronden
12. SSO, [appellanten sub 4] en [appellant sub 5] en anderen betogen dat de omgevingsdialoog niet zorgvuldig heeft plaatsgevonden. Volgens hen zijn de spelregels voor het voeren van een zorgvuldige dialoog die de gemeente heeft opgesteld niet (correct) toegepast.
12.1. Het bieden van inspraak voorafgaande aan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan maakt geen onderdeel uit van de in de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening geregelde bestemmingsplanprocedure. In de gemeente Gemert-Bakel zijn er wel "Spelregels voor het voeren van een zorgvuldige dialoog". Als de initiatiefnemer op grond van de Verordening Ruimte Noord-Brabant verplicht is een zorgvuldige dialoog te voeren, is de toepassing van deze spelregels door de initiatiefnemer nodig om aan de eisen van de Verordening te voldoen. Dat is het geval bij plannen waarbij sprake is van een toename van de oppervlakte van de bestaande gebouwen voor de uitoefening van een veehouderij. Voor de overige ontwikkelingen, zoals in dit geval aan de orde, is de werkwijze van de spelregels geen juridische verplichting maar een wens van het gemeentebestuur. Uit paragraaf 7.2 van de plantoelichting volgt dat op 2 juli 2020, 15 september 2021 en 9 februari 2023 bijeenkomsten voor omwonenden hebben plaatsgevonden. Aangezien daartoe geen juridische verplichting bestond, kunnen de argumenten van SSO, [appellanten sub 4] en [appellant sub 5] en anderen waarom de omgevingsdialoog niet goed zou zijn doorlopen, wat daar ook van zij, geen gevolgen hebben voor de rechtmatigheid van het bestemmingsplan.
De betogen slagen niet.
13. SSO betoogt dat bij de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan de op dat bestemmingsplan betrekking hebbende stukken onoverzichtelijk en chaotisch ter inzage zijn gelegd en dat diverse stukken pas ten tijde van het definitieve besluit zijn overgelegd. Zij wijst op het "Ruimtelijk Kader W422 Kasteel Gemert" (Ruimtelijk Kader) van Wessel de Jonge van 17 mei 2017, het "Ontwikkelperspectief kasteel Gemert" (Ontwikkelperspectief) van de Congregatie van de Heilige Geest van 12 oktober 2017, het Masterplan, het "Erfgoedkader Kasteel Gemert" (Erfgoedkader) en het "Programma van Eisen Ruimte kasteel Gemert" (Programma van Eisen), die de raad beide op 8 juli 2021 heeft vastgesteld, het "Eindontwerp Kasteel Gemert", van 9 februari 2023 (Eindontwerp), en de Actualisatie Structurenkaart 2023. Hierdoor zijn volgens haar zijzelf, omwonenden en andere belanghebbenden niet in de gelegenheid gesteld om in de ontwerpfase adequaat op deze stukken te reageren.
13.1. Uit artikel 3:11 van de Awb volgt dat alle op het bestemmingsplan betrekking hebbende stukken met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage moeten worden gelegd.
13.2. De Afdeling stelt vast dat het Masterplan, de Actualisatie Structurenkaart 2023 en het Ontwikkelperspectief samen met het ontwerpbestemmingsplan op 1 augustus 2023 ter inzage hebben gelegen. In zoverre is er dus geen gebrek. Verder stelt de Afdeling vast dat het Ruimtelijk Kader, het Erfgoedkader, het Programma van Eisen en het Eindontwerp ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpplan ontbraken. Naar het oordeel van de Afdeling is daarom sprake van strijd met artikel 3:11, eerste lid, van de Awb.
13.3. De Afdeling ziet echter aanleiding om het bovenstaande gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren. In dit artikel is bepaald dat een besluit waartegen beroep is ingesteld, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het beroep beslist in stand kan worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld. De Afdeling overweegt dat het niet aannemelijk is dat SSO of andere belanghebbenden door het niet ter inzage leggen van de stukken zijn benadeeld. In de toelichting bij het ontwerpbestemmingsplan wordt namelijk verwezen naar het Ruimtelijk Kader, het Erfgoedkader en het Programma van Eisen, zodat SSO en andere belanghebbenden van het bestaan daarvan op de hoogte konden zijn en de stukken konden opvragen. SSO was overigens ook op de hoogte van deze stukken, zo blijkt uit haar zienswijze. Voor wat betreft het Eindontwerp oordeelt de Afdeling dat dit een presentatie is die is getoond tijdens de omgevingsdialoog van 9 februari 2023. Ook van dat bestaan konden SSO en andere belanghebbenden dus op de hoogte zijn. Bovendien zijn bij de vaststelling van het definitieve bestemmingsplan de stukken gevoegd, waardoor SSO en andere belanghebbenden alsnog in de gelegenheid zijn gesteld om op die stukken te reageren. Dit betekent dat het betoog geen aanleiding geeft tot vernietiging van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan.
14. Hotel de Hoefpoort betoogt dat de wijze waarop de raad de door haar naar voren gebrachte zienswijze heeft behandeld in strijd is met artikel 3:46 van de Awb.
14.1. Artikel 3:46 van de Awb verzet zich er niet tegen dat de raad de zienswijzen samengevat weergeeft. Voor een voldoende motivering is het niet nodig dat op elk argument afzonderlijk wordt ingegaan. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken.
Het betoog slaagt niet.
15. SSO betoogt dat het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan en de bekendmaking daarvan niet voldoen aan artikel 11, tweede lid, van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet. Volgens haar moet het besluit daarom worden vernietigd.
15.1. Deze beroepsgrond gaat over een mogelijke onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit en kan alleen al daarom de rechtmatigheid van het besluit niet aantasten. Deze mogelijke onregelmatigheid kan dus geen reden zijn voor de vernietiging van het bestreden besluit.
Het betoog slaagt niet.
- Opknippen besluitvorming en ontbreken gebiedsgerichte benadering
16. SSO, [hotel], [appellanten sub 3], [appellanten sub 4] en [appellant sub 5] en anderen betogen dat de besluitvorming omtrent de herontwikkeling van het kasteelcomplex ten onrechte is opgeknipt. Volgens hen ontbreekt ten onrechte een gebiedsgerichte benadering. Zij wijzen erop dat de ontwikkeling van het kasteelcomplex uit allerlei deelprojecten bestaat waarvoor steeds een nieuw bestemmingsplan wordt vastgesteld en een aparte vergunning wordt afgegeven. Hierdoor raakt volgens hen het overzicht zoek en worden zij aangetast in hun rechtszekerheid.
16.1. Voor zover appellanten betogen dat de raad één bestemmingsplan voor de herontwikkeling van het gehele kasteelcomplex had moeten vaststellen, overweegt de Afdeling als volgt. De raad komt beleidsruimte toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze ruimte is echter niet zo groot dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In wat is aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing een goede ruimtelijke ordening dient. De raad mocht ervan uitgaan dat tussen het plangebied en de gronden van de rest van het kasteelcomplex niet een zodanige ruimtelijke samenhang bestaat dat die ertoe zou nopen de andere gronden van het kasteelcomplex te betrekken in het plangebied. Het plangebied vormt een afgerond gebied, omdat het volledig wordt omsloten door de monumentale muur. Appellanten hebben ook niet concreet onderbouwd waarom deze begrenzing strijd oplevert met de rechtszekerheid. Overigens heeft de raad op de zitting toegelicht dat een gefaseerde ontwikkeling wenselijk is omdat dit BL Huisvesting in de gelegenheid stelt om de herstelwerkzaamheden aan het kasteelcomplex te bekostigen, waardoor de herontwikkeling haalbaar is.
16.2. Voor zover [hotel] en [appellanten sub 3] betogen dat de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan rekening had moeten houden met twee aanvragen om een omgevingsvergunning op 22 december 2023 voor het herbestemmen van de hoofdburcht, voorburcht en Jezuïetenvleugel van het kasteelcomplex en een van rechtswege verleende omgevingsvergunning van 18 maart 2024 voor het plaatsen en gebruiken van een schietpaal in het kasteelpark, overweegt de Afdeling als volgt. Niet is gebleken dat de aanvragen van 22 december 2023 zodanige gevolgen konden hebben voor het vastgestelde bestemmingsplan, dat de raad hier bij de vaststelling van het bestemmingsplan rekening mee had moeten houden. Daarnaast had de raad geen rekening kunnen houden met de omgevingsvergunning van 18 maart 2024, omdat deze van na de datum van het bestreden besluit is.
De betogen slagen niet.
- Verdrag van Granada
17. SSO betoogt dat het bestemmingsplan in strijd is met de Overeenkomst inzake het behoud van het architectonisch erfgoed van Europa (Trb 1985, 163; het Verdrag van Granada). Zij wijst erop dat op grond van artikel 4, aanhef, tweede lid, aanhef en onder a, artikel 7 en artikel 12 van het Verdrag van Granada, de omgeving van beschermde monumenten moeten worden beschermd.
17.1. De Afdeling stelt voorop dat toetsing aan een artikel van een verdrag alleen kan plaatsvinden als dit artikel eenieder verbindende bepalingen bevat. Artikel 7 en 12 van het Verdrag van Granada richten zich tot de lidstaten en bevatten, gelet op de formulering, geen normen die door de rechter rechtstreeks als toetsingsmaatstaf voor besluiten toepasbaar is, aangezien deze bepaling niet onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig is om in de nationale rechtsorde zonder meer als objectief recht te worden toegepast. Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 4 december 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:4039), onder 15.1.
17.2. Verder bepaalt artikel 4, aanhef en tweede lid, aanhef en onder a, van het Verdrag van Granada, dat partijen bij het verdrag, om te voorkomen dat beschermde goederen worden ontsierd, vernield of afgebroken, in hun wetgeving moeten bepalen dat een bevoegde autoriteit in kennis wordt gesteld van plannen tot afbraak of verandering van reeds beschermde monumenten en van monumenten waarvoor bescherming wordt overwogen, alsmede van ieder project waarvoor de omgeving van deze monumenten wordt aangetast. Anders dan SSO betoogt, valt hier niet in te lezen dat de omgeving van een monument hoe dan ook niet mag worden bebouwd.
Het betoog slaagt niet.
- Verdrag van Florence
18. SSO betoogt dat het bestemmingsplan in strijd is met het Europees Landschapsverdrag (Trb. 2005,23; het Verdrag van Florence) vanwege de identiteitsbepalende betekenis van het kasteelcomplex.
18.1. De raad heeft in paragraaf 4.4 van de plantoelichting onderbouwd waarom het bestemmingsplan niet leidt tot een aantasting van de identiteitsbepalende betekenis van het kasteelcomplex. Volgens de raad zijn de 13 patiowoningen beperkt zichtbaar van buiten de ommuurde tuin waardoor de kwaliteit van de lage bouwhoogte aan de zuidelijke zijde van het kasteelcomplex behouden blijft. De Afdeling kan deze motivering volgen. In wat SSO heeft aangevoerd ziet de Afdeling verder geen reden voor het oordeel dat de identiteitsbepalende betekenis van het kasteelcomplex wordt aangetast. Daargelaten of het Verdrag van Florence eenieder verbindende bepalingen bevat, geeft het betoog geen aanleiding voor het oordeel dat het bestemmingsplan daarmee in strijd zou zijn.
Het betoog slaagt niet.
- M.e.r.-beoordeling
19. [appellanten sub 4] en [appellant sub 5] en anderen betogen dat de m.e.r.-beoordeling niet aan het bestemmingsplan ten grondslag kan worden gelegd. Volgens hen is de m.e.r.-beoordeling onjuist uitgevoerd, omdat niet is getoetst aan artikel 7.17, derde lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer en artikel 4, derde lid, in samenhang gelezen met bijlage III, onder 1, onder b, van de Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (de m.e.r.-richtlijn). Volgens hen is een beoordeling van de milieugevolgen van alle nauw met elkaar samenhangende projecten verplicht en kan niet worden volstaan met de verwijzing dat onder de drempelwaarde is gebleven.
19.1. Op de zitting heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat de ontwikkeling van 13 patiowoningen in de ommuurde tuin op zichzelf of in combinatie met andere ontwikkelingen binnen het kasteelcomplex, geen stedelijk ontwikkelingsproject is in de zin van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Volgens de raad is daarom geen m.e.r.-beoordeling vereist.
19.2. Uit paragraaf 7.6 van de Wet milieubeheer vloeit voor het bevoegd gezag de verplichting voort om een beslissing te nemen over de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Deze beslissing wordt een m.e.r.-beoordelingsbesluit genoemd. Een dergelijk m.e.r.-beoordelingsbesluit is verplicht voor activiteiten die in kolom 1 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. zijn opgenomen. In kolom 1 van onderdeel D is categorie 11.2 opgenomen, waarin de activiteiten aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen zijn genoemd. Voor de beantwoording van de vraag of het bevoegd gezag verplicht is om een m.e.r.-beoordelingsbesluit te nemen moet eerst komen vast te staan dat er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject.
19.3. De Afdeling overweegt dat de raad zich op het standpunt mocht stellen dat er geen m.e.r.-beoordeling is vereist, omdat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. De ontwikkeling van 13 patiowoningen in de ommuurde tuin is gelet op de aard en omvang namelijk geen stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Daarbij kent de Afdeling betekenis toe aan het feit dat het hier gaat om 13 patiowoningen met een beperkt ruimtebeslag op een gebied dat grenst aan stedelijk gebied. Daarnaast is ook de ontwikkeling in combinatie met andere ontwikkelingen binnen het kasteelcomplex geen stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Tussen het voorliggende bestemmingsplan en de ontwikkeling van de rest van het kasteelcomplex bestaat namelijk niet zo’n samenhang dat de ontwikkelingen voor de toepassing van de m.e.r.-regelgeving één stedelijk ontwikkelingsproject vormen. Daarbij volgt de Afdeling het standpunt van de raad dat de financiële uitvoerbaarheid van de andere ontwikkelingen nog niet rond is en dat een gefaseerde uitvoering BL Huisvesting in staat stelt de herstelwerkzaamheden aan het kasteelcomplex te bekostigen.
De betogen slagen niet.
- Besluit de Kroon van 30 oktober 1981
20. SSO, [hotel], [appellanten sub 3], [appellanten sub 4] en [appellant sub 5] en anderen betogen dat het bestemmingsplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening omdat het niet in overeenstemming is met het besluit van de Kroon van 30 oktober 1981 (ECLI:NL:XX:1981:AT0273). In dat besluit heeft de Kroon geoordeeld dat "verdere bebouwing van het gebied zonder noodzaak daartoe niet wenselijk is".
20.1. Het besluit van de Kroon van 30 oktober 1981 ging over de vaststelling van het bestemmingsplan "Schoorswinkel, ‘77". Dat bestemmingsplan voorzag in de ontwikkeling van een kleine woonwijk van ongeveer 290 woningen in de wijk Schoorswinkel.
Dit Kroonbesluit maakt geen onderdeel uit van het toetsingskader voor de beoordeling van het bestreden plan. Voor zover appellanten onder verwijzing naar de daarin gehanteerde uitgangspunten betogen dat verdere bebouwing van het gebied niet noodzakelijk en daarom niet wenselijk is, overweegt de Afdeling als volgt. Nog daargelaten dat het om een andere locatie ging, heeft de raad toegelicht dat zowel de woningbouwbehoefte als de beleidskaders in de afgelopen jaren sterk zijn veranderd. Om deze redenen bestaat geen aanleiding voor het oordeel de raad zich op het standpunt had moeten stellen dat bebouwing van het gebied niet noodzakelijk is en daarom in strijd met een goede ruimtelijke ordening zou zijn.
De betogen slagen niet.
Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (IOV)
21. SSO, [hotel], [appellanten sub 3], [appellanten sub 4] en [appellant sub 5] en anderen betogen dat het bestemmingsplan in strijd is met artikel 3.78, eerste lid, aanhef en onder a, en artikel 3.78, tweede lid, aanhef onder a en d, van de IOV. Volgens hen heeft de ontwikkeling namelijk niet tot doel een versterking te geven van de omgevingskwaliteit, maar doet de ontwikkeling hier juist afbreuk aan. Daarnaast voeren zij aan dat niet is geborgd dat de winst van de verkoop van de 13 patiowoningen volledig ten goede komt aan het restaureren van het kasteelcomplex. SSO, [hotel], [appellanten sub 3] en [appellant sub 5] en anderen wijzen op het besluit van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant van 4 maart 2025 om de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit voor de herontwikkeling van de Jezuïetenvleugel van het kasteelcomplex te weigeren omdat onvoldoende is onderbouwd dat het voornemen financieel noodzakelijk is om het project te laten slagen. Daarnaast is volgens SSO, Hotel de Hoefpoort, [appellanten sub 3] en [appellanten sub 4] de noodzaak van de ontwikkeling niet aangetoond. Tot slot voeren SSO, [appellanten sub 4] en [appellant sub 5] en anderen aan dat ten onrechte niet aan de voorwaarden in artikel 3.78, tweede lid, onder a, van de IOV is getoetst. Daardoor is volgens hen onder meer onduidelijk hoe de omvang van de fysieke tegenprestatie is bepaald.
21.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het bestemmingsplan niet in strijd is met artikel 3.78, eerste lid, aanhef en onder a, en artikel 3.78, tweede lid, aanhef en onder a en d, van de IOV.
Volgens de raad leidt het bestemmingsplan tot een versterking van de omgevingskwaliteit, omdat de ontwikkeling een bijdrage levert aan het behoud van de cultuurhistorische waarden van het kasteelcomplex. De raad brengt naar voren dat de 13 patiowoningen nodig zijn om de totale herontwikkeling van het kasteelcomplex, waar de restauratie van de monumentale muur en de kas in de ommuurde tuin deel van uitmaken, economisch haalbaar te maken. Er is volgens de raad een enorme investering gemoeid met de restauratie van het kasteelcomplex. Het gaat dan om de hoofdburcht, de voorburcht, de donjon, het poortgebouw, het botenhuis, de historische muur rondom de voormalige moestuin en ook herstel en revitalisering van park, tuin, grachten en paden. Om dit de kunnen bekostigen is ontwikkeling nodig. Daarnaast wijst de raad erop dat het bestemmingsplan leidt tot een versterking van de omgevingskwaliteit, omdat het bijdraagt aan het zichtbaar maken van het cultuurhistorisch karakter van de locatie. De monumentale muren worden van binnenuit zichtbaar doordat de ommuurde tuin open wordt gesteld en de functie als moestuin wordt hersteld. Ook sluit de terugkeer van een woonfunctie binnen het kasteelcomplex aan op de historie van het kasteelcomplex en krijgt de ommuurde tuin weer een zichtbare en functionele relatie met het kasteelcomplex. Volgens de raad vormen de toekomstige bewoners van de 13 patiowoningen de "sociale ruggengraat" van het kasteelcomplex: ze brengen levendigheid en sociale veiligheid.
Verder brengt de raad naar voren dat zich in dit geval geen situatie voordoet zoals de situatie onder artikel 3.78, tweede lid, aanhef en onder a, van de IOV. De raad stelt dat deze ontwikkeling op het cultuurhistorisch waardevolle complex plaatsvindt in een geheel andere ruimtelijke context dan een solitaire woningbouwontwikkeling in "Landelijk gebied". Voor het cultuurhistorisch waardevolle complex dient de fysieke tegenprestatie volgens de raad in en ten behoeve van die context te worden gezien en hoeft verder niet te worden gemotiveerd dat de fysieke tegenprestatie qua omvang gelijk is aan de tegenprestatie voor een ruimte-voor-ruimtekavel.
21.2. Artikel 3.78, eerste lid, aanhef en onder a, van de IOV luidt:
"Een bestemmingsplan kan voor een concreet initiatief nieuwvestiging mogelijk maken als:
a. de ontwikkeling volledig tot doel heeft een versterking te geven van de omgevingskwaliteit en voor dat doel de middelen genereert;"
Artikel 3.78, tweede lid, van de IOV luidt:
"De bijdrage aan het versterken van omgevingskwaliteit betreft maatwerk waarbij in ieder geval de volgende aspecten in acht worden genomen en juridisch vastgelegd:
a. als de activiteit de realisatie van een woning betreft:
1. Wordt de woning opgericht op een aanvaardbare locatie in Landelijk gebied
2. is de fysieke tegenprestatie, die is gericht op het versterken van omgevingskwaliteit, qua omvang gelijk aan de tegenprestatie voor een ruimte-voor-ruimtekavel;
3. is in overleg met de Ontwikkelingsmaatschappij ruimte voor ruimte onderzocht of de ontwikkeling van een ruimte-voor-ruimtekavel tot de mogelijkheden behoort;
[…]
d. als de ontwikkeling plaatsvindt binnen een Cultuurhistorisch waardevol gebied ter behoud van een waardevol cultuurhistorisch complex, zoals beschreven op de Cultuurhistorische Waardenkaart, is de fysieke tegenprestatie gericht op behoud of versterking van de aldaar benoemde waarden en kenmerken."
21.3. In de toelichting bij artikel 3.78, tweede lid, aanhef en onder a, van de IOV is vermeld: "De ontwikkeling van een woning biedt […] de mogelijkheid voor de bouw van een incidentele woning of als dat passend is in de omgeving enkele woningen op aanvaardbare plekken in het buitengebied."
Daarnaast staat in de toelichting bij artikel 3.78, tweede lid, aanhef en onder d, van de IOV dat bij een concreet plan het nodig is dat de gemeente het behoud en de versterking van de cultuurhistorische waarden motiveert door een onderbouwing waarom gebruik wordt gemaakt van deze regeling (aantonen van de noodzaak).
21.4. De raad stelt zich terecht op het standpunt dat het bestemmingsplan niet in strijd is met artikel 3.78, eerste lid, aanhef en onder a, en artikel 3.78, tweede lid, aanhef en onder d, van de IOV. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad onderbouwd dat de ontwikkeling volledig tot doel heeft een versterking te geven van de omgevingskwaliteit. De raad heeft namelijk toegelicht dat de 13 patiowoningen nodig zijn om de totale herontwikkeling van het kasteelcomplex, waar de restauratie van de monumentale muur en de kas in de ommuurde tuin deel van uitmaakt, economisch haalbaar te maken. Verder draagt de ontwikkeling bij aan het zichtbaar maken van het cultuurhistorisch karakter van de locatie en het toekomstbestendig maken van het gehele kasteelcomplex. Daarmee wordt de omgevingskwaliteit van het gehele kasteelcomplex versterkt. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad daarmee ook de noodzaak van de ontwikkeling aangetoond. Dat er wellicht ook andere mogelijkheden zijn om de herontwikkeling van het kasteelcomplex economisch haalbaar te maken, doet daar niet aan af. Dat de ontwikkeling leidt tot een versterking van de omgevingskwaliteit heeft de raad ook geborgd door in artikel 8.1, onder j, van de planregels te bepalen dat uiterlijk binnen twee jaar na de bouw van een woning of wooneenheid de restauratie van de monumentale muur moet zijn uitgevoerd volgens de voorwaarden uit het restauratieplan, als opgenomen in bijlage 3 bij de planregels.
21.5. Over het besluit van 4 maart 2025 van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant om de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het realiseren van nieuwbouw en het uitvoeren van renovatiewerkzaamheden aan de Jezuïetenvleugel van het kasteelcomplex te weigeren, omdat de financiële noodzaak onvoldoende is onderbouwd, overweegt de Afdeling als volgt. In dat besluit staat dat gedeputeerde staten vindt dat niet blijkt dat de uitvoering van het planvoornemen financieel noodzakelijk is om het project "behoud door ontwikkeling van kasteel Gemert" te laten slagen. In dit geval gaat het om een besluit van de raad tot vaststelling van een bestemmingsplan, waarvoor een ander toetsingskader geldt. Artikel 3.78, eerste lid, aanhef en onder a, en tweede lid, aanhef en onder d, van de IOV eisen alleen een fysieke tegenprestatie en dat het gemeentebestuur motiveert waarom gebruik wordt gemaakt van deze regeling. Dat heeft de raad gedaan. Om die reden zijn deze situaties niet vergelijkbaar.
21.6. Verder heeft de raad zich op het standpunt mogen stellen dat het bestemmingsplan niet in strijd is met artikel 3.78, tweede lid, aanhef en onder a, van de IOV. De raad heeft zich namelijk op het standpunt mogen stellen dat deze ontwikkeling geen situatie is die onder a valt, waardoor niet aan de voorwaarden onder 1, 2 en 3 moet worden voldaan. De raad mocht ervan uitgaan dat in dit specifieke geval, waarin de in het bestemmingsplan voorziene bouw van de 13 patiowoningen mogelijk wordt gemaakt op een terrein dat is gelegen binnen de grenzen van een monumentale muur en dus binnen omsloten terrein, nabij andere woningen en nabij het kasteel, in een geheel andere ruimtelijke context plaatsvindt dan waarop artikel 3.78, tweede lid, aanhef en onder a, van de IOV betrekking heeft. Dat betekent dus ook dat de raad niet juridisch had hoeven vastleggen dat de fysieke tegenprestatie qua omvang gelijk is aan de tegenprestatie voor een ruimte-voor-ruimtekavel.
De betogen slagen niet.
22. SSO, [appellanten sub 4] en [appellant sub 5] en anderen betogen dat het bestemmingsplan in strijd is met artikel 3.78, eerste lid, aanhef en onder b, van de IOV. Volgens SSO is de versterking van de omgevingskwaliteit al verzekerd in de Erfgoedwet en Monumentenwet omdat die regelingen al een wettelijke verplichting bevatten voor het onderhouden en in stand laten van monumenten. Daarnaast is volgens SSO, [appellanten sub 4] en [appellant sub 5] en anderen de versterking van de omgevingskwaliteit al verzekerd doordat er subsidies zijn verstrekt voor het behoud en herstel van het kasteelcomplex. SSO wijst op de volgende subsidies: een subsidie van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) in juli 2011 van € 600.000,00 voor de restauratie van het kasteel, een subsidie van de Brainport Regio in januari 2020 van € 500.000,00 voor restauratie, herontwikkeling en openstelling van het kasteel en een subsidie van de provincie Noord-Brabant in maart 2023 van € 4,5 miljoen voor de herontwikkeling van het kasteel. Daarnaast zijn er volgens SSO twee subsidieaanvragen gedaan voor de restauratie van de ommuurde tuin.
22.1. Artikel 3.78, eerste lid, aanhef en onder b, van de IOV bevat de zogenaamde anti-dubbeltelbepaling. Op grond van dit artikel kan een versterking niet (nogmaals) worden ingebracht voor de toepassing van de regeling als het versterken van de omgevingskwaliteit al is verzekerd vanwege een wettelijke verplichting of vanwege deelname aan een andere regeling. Het artikel luidt:
"Een bestemmingsplan kan voor een concreet initiatief nieuwvestiging mogelijk maken als:
[…]
b. de realisering van de onder a bedoelde versterking van omgevingskwaliteit niet op een andere wijze is verzekerd;
22.2. Naar het oordeel van de Afdeling is het bestemmingsplan niet in strijd met artikel 3.78, eerste lid, aanhef en onder b, van de IOV. De Afdeling legt hieronder uit hoe zij tot dat oordeel komt.
22.3. Op grond van artikel 9.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Erfgoedwet, in samenhang gelezen met artikel 11, eerste lid, van de Monumentenwet 1988, is het verboden een beschermd monument te beschadigen of te vernielen. Deze wettelijke verplichting bevat daarmee een verbod, en dus niet een verplichting om monumenten te behouden en herstellen. Dat betekent dat met deze wettelijke verplichting nog niet is verzekerd dat een versterking van de omgevingskwaliteit plaatsvindt. Gelet hierop is het restaureren van de ommuurde tuin via de maatwerkbepaling in artikel 3.78 van de IOV in zoverre niet in strijd met de anti-dubbeltelbepaling.
22.4. Daarnaast heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat het feit dat tevens subsidies worden verstrekt om het kasteelcomplex in stand te houden, te restaureren en te ontwikkelen, nog niet wil zeggen dat er strijd is met de anti-dubbeltelbepaling. Er ontstaat pas strijd met de anti-dubbeltelbepaling als het restaureren van de ommuurde tuin al door middel van verstrekte subsidies is verzekerd. Niet aannemelijk is geworden dat de subsidies verband houden met hetzelfde herstel van dezelfde delen van het complex.
De betogen slagen niet.
23. SSO betoogt dat het bestemmingsplan in strijd is met artikel 3.78, eerste lid, aanhef en onder d, van de IOV. Volgens haar passen de ontwikkeling en de versterking van de omgevingskwaliteit niet binnen de gewenste ontwikkelingsrichting van het gebied.
23.1. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich op het standpunt mogen stellen dat het bestemmingsplan niet in strijd is met artikel 3.78, eerste lid, aanhef en onder d, van de IOV. De raad heeft namelijk voldoende onderbouwd waarom de ontwikkeling en de versterking van de omgevingskwaliteit passen binnen de gewenste ontwikkelingsrichting van het gebied. Daarbij heeft de raad mogen betrekken dat de ontwikkeling past binnen het Masterplan en daarmee dus binnen de gewenste ontwikkelingsrichting van de gemeente. Daarnaast heeft de raad mogen betrekken dat wonen binnen het kasteelcomplex bijdraagt aan de gewenste levendigheid, toegankelijkheid en veiligheid van het kasteelcomplex en daarmee aansluit bij de historie van het kasteel waar ook altijd gewoond is.
Het betoog slaagt niet.
24. [appellanten sub 4] en [appellant sub 5] en anderen betogen dat het bestemmingsplan in strijd is met artikel 3.78, tweede lid, aanhef en onder d, van de IOV. Volgens hen is de versterking van de omgevingskwaliteit niet gericht op behoud of versterking van de benoemde waarden en kenmerken zoals beschreven op de Cultuurhistorische Waardenkaart.
24.1. Het plangebied ligt binnen de aanduiding "Cultuurhistorische waarden" van de IOV. Op grond van artikel 3.29 van de IOV is een bestemmingsplan van toepassing op Cultuurhistorisch waardevol gebied mede gericht op behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden en kenmerken zoals beschreven in de Cultuurhistorische Waardenkaart. Op grond van de Cultuurhistorische Waardenkaart ligt binnen het plangebied de cultuurhistorische waarde "tuin- en parkaanleg" en het element "moestuin".
24.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich op het standpunt mogen stellen dat het bestemmingsplan niet in strijd is met artikel 3.78, tweede lid, aanhef en onder d, van de IOV. De fysieke tegenprestatie is gericht op de cultuurhistorische waarde "tuin- en parkaanleg" en het element "moestuin". Daarbij heeft de raad mogen betrekken dat de opbrengst van de 13 patiowoningen wordt gebruikt om de monumentale muur en de kas in de ommuurde tuin te restaureren en dat de ontwikkeling bijdraagt aan het zichtbaar maken van het cultuurhistorisch karakter van de locatie en het toekomstbestendig maken van het gehele kasteelcomplex. Daarmee worden de cultuurhistorische waarde "tuin- en parkaanleg" en het element "moestuin" ook gediend.
Het betoog slaagt niet.
25. SSO betoogt dat het bestemmingsplan in strijd is met artikel 3.78, derde lid, van de IOV. Volgens haar voorziet de ontwikkeling niet in een logische afronding van het stedelijk gebied.
25.1. Artikel 3.78, derde lid, aanhef en onder b, van de IOV luidt:
"Er is sprake van een aanvaardbare locatie voor de ontwikkeling van een woning als:
[…]
b. of de ontwikkeling een logische afronding geeft van Stedelijk gebied of een bebouwingsconcentratie."
25.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich op het standpunt mogen stellen dat het bestemmingsplan niet in strijd is met artikel 3.78, derde lid, aanhef en onder b, van de IOV. De raad heeft namelijk voldoende onderbouwd waarom de ontwikkeling een logische afronding geeft van het stedelijk gebied. Volgens de raad ligt het plangebied ingeklemd tussen de bebouwing in het centrum, het kasteelcomplex en de wijk Schoorswinkel. De enkele stelling van SSO dat de locatie al een logische en historische afronding heeft, kan niet tot de conclusie leiden dat het bestemmingsplan in strijd is met artikel 3.78, derde lid, van de IOV.
Het betoog slaagt niet.
- Gemeentelijk beleid
26. [appellanten sub 4] en [appellant sub 5] en anderen betogen dat het bestemmingsplan in strijd is met het gemeentelijk beleid. Volgens hen is de groennorm, zoals die is vastgelegd in het document "Uitwerking groennorm Gemert-Bakel", dat op 28 februari 2019 door het gemeentebestuur is vastgesteld, onjuist toegepast. Zij brengen naar voren dat het toevoegen van groen zeer gebrekkig is uitgewerkt en niet voldoende is geborgd. Daarnaast twijfelen zij aan de uitvoerbaarheid.
26.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het bestemmingsplan niet in strijd is met het gemeentelijk beleid. Volgens de raad is de groennorm niet verplicht voor het plangebied, maar is deze facultatief toegepast. De raad wijst erop dat de groennorm is gehanteerd, omdat dit zorgt voor een goede woon- en leefomgeving. Volgens de raad voldoet het bestemmingsplan aan de groennorm. Daarbij wijst de raad erop dat op grond van artikel 8.1, onder i en onder 2, van de planregels een moestuin van minimaal 600 m2 moet worden aangelegd en in stand gehouden en dat op grond van artikel 9.4, aanhef en onder e, in samenhang gelezen met artikel 13.3, onder a, van de planregels een oppervlakte van 75 m2 permanent toegankelijk openbaar groen per woning moet worden aangelegd en in stand gehouden. Daarnaast wijst de raad erop dat uit bijlage 4 bij de planregels volgt dat 975 m2 van de kasteeltuin open wordt gesteld ten behoeve van de ommuurde tuin. De raad brengt ook nog naar voren dat uit de plantoelichting volgt dat in de ommuurde tuin nog eens 1.010 m2 aan groen wordt gerealiseerd, maar dat dit slechts semiopenbaar wordt.
26.2. Artikel 8.1, onder i en onder 2, van de planregels luidt:
"Binnen uiterlijk twee jaar na het onherroepelijk worden van de eerste verleende omgevingsvergunning voor het bouwen van een woning of wooneenheid op grond van dit bestemmingsplan, dient:
2. Binnen de bestemming "Groen - Kasteel fase 2a" een moestuin te zijn gerealiseerd, met een minimale oppervlakte van 600 m2, zoals opgenomen in het inrichtingsplan in hoofdstuk 4 van bijlage 2, en als zodanig duurzaam in stand te worden gehouden."
Artikel 9.4, aanhef en onder e, van de planregels luidt:
"Onder strijdig gebruik met de bestemming wordt in ieder geval verstaan het gebruik van de gronden en bebouwing binnen het desbetreffende bestemmingsvlak:
e. indien niet wordt voldaan aan artikel 13.3 en/of dit permanent toegankelijk openbaar groen in de kasteeltuin conform bijlage 4 niet duurzaam in stand wordt gehouden."
Artikel 13.3, onder a, van de planregels luidt:
"a. bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor de bouw van woningen dient, conform het gemeentelijk beleid ten aanzien van groen, een oppervlakte van 75 m2 permanent toegankelijk openbaar groen per woning te worden gerealiseerd en in stand worden gehouden, in de kasteeltuin conform bijlage 4;"
26.3. De Afdeling overweegt dat de raad zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het bestemmingsplan niet in strijd is met het gemeentelijk beleid. Daarbij stelt de Afdeling voorop dat de groennorm, zoals die is vastgelegd in het document "Uitwerking groennorm Gemert-Bakel", niet verplicht hoeft te worden toegepast. De groennorm wordt namelijk toegepast op initiatieven in bestaand stedelijk gebied, en daar ligt het plangebied niet in. Dat neemt niet weg dat de raad wel aansluiting heeft mogen zoeken bij de groennorm door deze als uitgangspunt te nemen. De raad heeft aan dit uitgangspunt voldaan door het opnemen van artikel 8.1, onder i en onder 2, van de planregels en artikel 9.4, aanhef en onder e, in samenhang gelezen met artikel 13.3, onder a, van de planregels, omdat daarin is geborgd dat er voldoende groen wordt aangelegd. Of de kasteeltuin daadwerkelijk openbaar toegankelijk wordt is een kwestie van handhaving en kan niet tot het oordeel leiden dat het bestemmingsplan op zichzelf in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
De betogen slagen niet.
- Cultuurhistorische en landschappelijke waarden
27. SSO, [hotel], [appellanten sub 3], [appellanten sub 4] en [appellant sub 5] en anderen betogen dat het bestemmingsplan een onaanvaardbare inbreuk maakt op de cultuurhistorische en landschappelijke waarden van het gebied. Zij voeren onder meer aan dat het bestemmingsplan in strijd is met kernwaarden B "Functioneel geheel", M "Sequentie van (binnen-)hoven", N "Opbouw vista’s naar kasteel" en O "Opbouw vista’s vanaf kasteel" zoals geformuleerd in het Ruimtelijk Kader. Daarnaast brengen zij naar voren dat het bestemmingsplan in strijd is met de uitgangspunten in het Erfgoedkader dat belangrijke zichtlijnen niet mogen worden belemmerd en dat alleen bescheiden bebouwing van een deel van de ommuurde tuin denkbaar is, mits de ommuurde tuin een groene uitstraling krijgt. Daarvan is volgens hen geen sprake omdat de 13 patiowoningen fors boven de monumentale muur uit zullen komen. Verder wijzen zij erop dat bebouwing leidt tot overschrijding van de kernwaarde "omhulde leegte", zoals genoemd in het advies van de RCE over de omgevingsvergunning voor de 13 patiowoningen van 29 april 2022 en hoofdstuk 3 van het beeldkwaliteitsplan.
27.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het bestemmingsplan geen onaanvaardbare inbreuk maakt op de cultuurhistorische en landschappelijke waarden van het gebied. Volgens de raad is in het Ruimtelijk Kader, dat tot stand is gekomen met inbreng van de RCE, de provincie, de gemeentelijke monumentencommissie en de gemeente, en het daaruit voortvloeiende Erfgoedkader en Programma van Eisen onderbouwd dat deze vorm van bebouwing binnen het plangebied mogelijk is. Volgens de raad worden de waarden en uitgangspunten in deze stukken gerespecteerd. Daarbij wijst de raad erop dat er een zorgvuldige afweging is gemaakt tussen enerzijds economische belangen, het belang van voldoende woningen en het behoud en de restauratie van het kasteelcomplex en zijn omgeving en anderzijds de belangen van het geheel ongerept in stand laten van het rijksmonument en de cultuurhistorie. De raad erkent dat hiervoor lastige concessies nodig zijn, maar dat deze ontwikkeling bijdraagt aan het toekomstbestendig maken van het kasteelcomplex.
Over het Ruimtelijk Kader stelt de raad dat hierin uitgebreid is ingegaan op de historie van het kasteelcomplex en dat in grote lijnen de ontwikkelmogelijkheden zijn geschetst. Volgens de raad wordt de kernwaarde B "Functioneel geheel" juist versterkt door de bouw van de 13 patiowoningen, het gebruik van de moestuin en het openstellen van de ommuurde tuin. Daarnaast wordt volgens de raad geen afbreuk gedaan aan de kernwaarden "M "Sequentie van (binnen-)hoven", N "Opbouw vista’s naar kasteel" en O "Opbouw vista’s vanaf kasteel".
Over het uitgangspunt in het Erfgoedkader dat belangrijke zichtlijnen niet verder mogen worden belemmerd, stelt de raad dat met de situering van de bebouwing en maatvoering rekening is gehouden met het verleden alsmede met de bestaande zichtlijnen in de omgeving. De raad verwijst naar het "Tuinhistorisch onderzoek en waardestelling" (tuinhistorisch onderzoek) van Stichting In Arcadië van 15 maart 2023 en het inrichtingsplan. De ontwikkeling heeft volgens de raad wel gevolgen voor de zichtlijnen, maar de monumentale muur zorgt volgens de raad al voor het doorbreken daarvan. Volgens de raad is het kasteelcomplex, en met name het poortgebouw, nog vanuit voldoende punten te beleven. Daarnaast komen er ook nieuwe zichtlijnen omdat de ommuurde tuin openbaar toegankelijk wordt. Over het uitgangspunt in het Erfgoedkader dat alleen bescheiden bebouwing van een deel van de ommuurde tuin denkbaar is, mits de ommuurde tuin een groene uitstraling krijgt, wijst de raad erop dat het bouwoppervlak en de bouwhoogte is onderbouwd, er nadrukkelijk is gekozen voor halverharding, wat bestaat uit een combinatie tussen een zachte onverharde grond en harde bestrating, de daken van de woningen zijn voorzien in een groen dak en de omvang van de moestuin van 600 m2.
Over de kernwaarde "omhulde leegte" stelt de raad dat deze wel wordt aangetast, maar dat dit verantwoord gebeurt. De RCE heeft de vraag gesteld welke gevolgen de ontwikkeling heeft voor de "omhulde leegte", maar dat betekent volgens de raad niet dat de "omhulde leegte" een kernwaarde is die behouden moet blijven. Volgens de raad staat de "omhulde leegte" dan ook niet in hoofdstuk 4 van het beeldkwaliteitsplan, waarin de uitgangspunten voor de beeldkwaliteit staan.
27.2. De STAB heeft op 21 maart 2025 een deskundigenbericht uitgebracht over de cultuurhistorische en landschappelijke waarden in het plangebied. Volgens de raad en BL Huisvesting treedt de STAB in het deskundigenbericht buiten de vraagstelling door een zelfstandig deskundigheidsoordeel te geven over de in en rondom het plangebied aanwezige cultuurhistorische waarden. De Afdeling stelt voorop dat de STAB feiten en omstandigheden duidt, maar dat de uiteindelijk beoordeling van het geschil aan de Afdeling is.
27.3. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich op het standpunt mogen stellen dat het bestemmingsplan geen onaanvaardbare inbreuk maakt op de cultuurhistorische en landschappelijke waarden van het gebied. De Afdeling legt hieronder uit hoe zij tot dit oordeel komt.
27.4. De raad heeft zich bij de vaststelling van het bestemmingsplan mogen baseren op de uitgangspunten in het Ruimtelijk Kader en het daaruit voortvloeiende Erfgoedkader en Programma van Eisen. Uit die kaders volgt dat de raad aan het belang van behouden van de historische buitenplaats van kasteel Gemert als geheel een groter gewicht mag toekennen dan aan de aantasting van de cultuurhistorische waarden van de ommuurde tuin.
27.5. Over de kernwaarden in het Ruimtelijk Kader overweegt de Afdeling als volgt. In het Ruimtelijk Kader staat dat bebouwing binnen de ommuurde tuin niet mag leiden tot onaanvaardbare aantasting van de kernwaarden G "Sequentie besloten tuinen - open landschap", K "Nutsgebruik tuinen", M "Sequentie van (binnen-)hoven", N "Opbouw vista’s naar kasteel", O "Opbouw vista’s vanaf kasteel", P "Toenemende gebouwhoogte" en R "Instandhouding bouwwerken". Uit het Ruimtelijk Kader volgt dat het plangebied ten aanzien van de overige kernwaarden indifferent is. Hoewel kernwaarde B "functioneel geheel" dus niet wordt genoemd als kernwaarde voor de ommuurde tuin, heeft de raad toegelicht dat deze wordt versterkt omdat de moestuin zal worden gebruikt voor het restaurant in het poortgebouw en de ommuurde tuin openbaar toegankelijk wordt. Wat betreft de vrees van appellanten dat kernwaarden M "Sequentie van (binnen-)hoven", N "Opbouw vista’s naar kasteel" en O "Opbouw vista’s vanaf kasteel", worden aangetast, overweegt de Afdeling als volgt. Het Erfgoedkader is vastgesteld door de Adviesgroep Ruimte en Erfgoed, die bestaat uit medewerkers van de RCE, de provincie, de gemeentelijke monumentencommissie en de gemeente, en is gebaseerd op de uitgangspunten in het Ruimtelijk Kader. In het Erfgoedkader heeft de Adviesgroep het toetsingskader uiteengezet om te bepalen of een ontwikkeling past binnen de gegeven kaders en binnen de monumentale en cultuurhistorische waarden van het complex. Onder het kopje "Locatie Ommuurde Tuin" staat dat een bescheiden bebouwing van een deel van de tuin denkbaar is. Daaruit volgt dat de Adviesgroep Ruimte en Erfgoed bescheiden bebouwing in overeenstemming met de kernwaarden uit het Ruimtelijk Kader acht en vindt dat dit niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting daarvan. De raad heeft die conclusie mogen volgen. In overweging 27.6 komt de Afdeling tot de conclusie dat de raad zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de beoogde bebouwing bescheiden is. Gelet hierop heeft de raad zich op het standpunt mogen stellen dat deze kernwaarden niet onaanvaardbaar worden aangetast.
27.6. Over de uitgangspunten in het Erfgoedkader overweegt de Afdeling als volgt. Hoewel de STAB in het deskundigenbericht concludeert dat het plan leidt tot een aanzienlijke toename van bebouwing en verharding, heeft de raad zich op het standpunt mogen stellen dat belangrijke zichtlijnen door de ontwikkeling niet verder worden belemmerd. Daarbij heeft de raad mogen wijzen op de passage uit het Erfgoedkader waarin wordt geconcludeerd dat het voorstelbaar is om het bouwvlak te realiseren aan de westzijde van de ommuurde tuin en dat de zichtlijn vanaf het Hopveld hiermee wel komt te vervallen, maar dat deze oorspronkelijk ook niet aanwezig is geweest. Daarnaast heeft de raad bij de afweging betrokken dat bebouwing wel invloed heeft op de zichtlijnen, maar dat de monumentale muur, die in 1869 is gebouwd, al zorgt voor het doorbreken van de zichtlijnen en dat het kasteelcomplex, en met name het poortgebouw, nog vanuit voldoende punten te beleven is. Bovendien is het bouwvlak op een afstand van 5 m van de muur gesitueerd, wat ook gunstig is voor de zichtlijnen. Verder heeft de raad, anders dan de conclusies van de STAB in het deskundigenbericht, zich op het standpunt mogen stellen dat de ontwikkeling voorziet in bescheiden bebouwing en dat de ommuurde tuin een groene uitstraling krijgt. De woningen hebben op grond van artikel 5.2.1, onder d en e, van de planregels en de verbeelding bij het plan een maximale bouw- en goothoogte van 6,5 respectievelijk 3,15 m. Daarom mocht de raad het bouwvolume als bescheiden kwalificeren. Daarnaast volgt uit het inrichtingsplan dat de ommuurde tuin een groene uitstraling krijgt door de aanwezige moestuin van 600 m2, halfverharding en groene daken. Op grond van artikel 8.1, onder d en onder 1, van de planregels moeten bouwplannen voldoen aan het inrichtingsplan. Om deze redenen heeft de raad voldoende gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet in strijd is met de uitgangspunten uit het Erfgoedkader.
27.7. Over de kernwaarde "omhulde leegte" overweegt de Afdeling als volgt. Hoeveel de STAB in het deskundigenbericht heeft geconstateerd dat de te beschermen waarde kan worden omschreven als een "omhulde leegte", heeft de raad zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat de "omhulde leegte" geen kernwaarde is waar de ontwikkeling aan moet worden getoetst. Uit een reactie van de RCE volgt dan ook dat het begrip poogt te duiden waar de vastgelegde kernwaarden over gaan, maar niet afdwingbaar is.
De betogen slagen niet.
- Gemeentelijk monument [locatie 4] en [locatie 5]
28. [appellant sub 5] en anderen betogen dat het bestemmingsplan leidt tot een aantasting van het gemeentelijk monument aan het [locatie 4] en [locatie 5].
28.1. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich op het standpunt mogen stellen dat het bestemmingsplan niet leidt tot een aantasting van het gemeentelijk monument aan het [locatie 4] en [locatie 5]. De woningen aan het [locatie 4] en [locatie 5] zijn aangewezen als gemeentelijk monument omdat deze een hoge situationele waarde kennen als belangrijk onderdeel van de historische paden- en stegenstructuur van Gemert. De raad heeft zich op het standpunt mogen stellen dat het bestemmingsplan geen einde maakt aan de paden- en stegenstructuur aan het Hopveld.
Het betoog slaagt niet.
- Verkeer
29. SSO, [hotel], [appellanten sub 3], [appellanten sub 4] en [appellant sub 5] en anderen betogen dat het bestemmingsplan leidt tot verkeersoverlast en verkeersonveilige situaties. Zij brengen naar voren, onder verwijzing naar de "Motie Verkeersoplossingen kasteel en centrum" van de raad van 5 februari 2024, dat bij de vaststelling van het bestemmingsplan ten onrechte geen alomvattend verkeersonderzoek heeft plaatsgevonden. Daarnaast wijzen [hotel] en [appellanten sub 3] erop dat de hoeveelheid verkeer rondom het kasteelcomplex al fors is toegenomen en dat de Heilige Geestlaan de extra verkeersgeneratie als gevolg van het bestemmingsplan niet aankan. In dat kader brengt [hotel] naar voren dat in de "Rapportage verkeer en parkeren" (het verkeersrapport) van RHO Adviseurs van 16 mei 2023 een verkeerd uitgangspunt wordt gehanteerd. Hotel de Hoefpoort herkent zich namelijk niet in de stellingname dat het hotel veelal te voet of per fiets wordt bezocht. Verder voeren [hotel], [appellanten sub 3], [appellanten sub 4] en [appellant sub 5] en anderen aan dat het bestemmingsplan leidt tot onnodig zoek- en sluipverkeer omdat niet aannemelijk is dat bezoekers van de bewoners van de 13 patiowoningen op de parkeerplaats op de landerijen bij het kasteelcomplex parkeren, aangezien deze op ongeveer 1 km van het plangebied is gelegen. Tot slot wijzen zij erop dat het bestemmingsplan leidt tot verkeersonveilige situaties omdat de in- en uitgang van en naar de ommuurde tuin onoverzichtelijk is. In dat kader stellen zij dat in het bestemmingsplan ten onrechte niet is geborgd dat er een snelheidsverminderend plateau en verkeersspiegel worden geplaatst.
29.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het bestemmingsplan niet leidt tot verkeersoverlast en verkeersonveilige situaties. Voor zover appellanten betogen dat bij de vaststelling van het bestemmingsplan ten onrechte geen alomvattend verkeersonderzoek heeft plaatsgevonden, stelt de raad zich op het standpunt dat het verkeersrapport een integrale analyse bevat die de gevolgen van de ontwikkeling weergeeft en waarbij ook rekening is gehouden met andere plannen in en rondom het kasteelcomplex. Daarnaast brengt de raad naar voren dat het bestemmingsplan maar voor een klein deel bijdraagt aan de verkeersgeneratie rondom het plangebied. De raad verwijst daarvoor naar het verkeersrapport waaruit volgt dat de ontwikkeling leidt tot een toename van 83 motorvoertuigbewegingen per etmaal (mvt/etmaal). Verdeeld over de dag zal deze verkeerstoename volgens de raad niet tot knelpunten leiden en vrij snel opgaan in het heersende verkeersbeeld. Voor zover appellanten vrezen voor onnodig zoek- en sluipverkeer stelt de raad dat de Heilige Geestlaan een doorgaande weg is, dat de Heilige Geestlaan het aantal verkeersbewegingen ruim aankan en dat bezoekers van de 13 patiowoningen door middel van bewegwijzering en verkeersborden naar de parkeerplaatsen op de landerijen bij het kasteelcomplex worden gestuurd. Over de verkeersveiligheid wijst de raad op het verkeerverbod langs de Heilige Geestlaan en stelt de raad dat de in- en uitgang van en naar de ommuurde tuin voldoende breed is voor personenauto’s, dat grotere voertuigen moeten laden en lossen op de Heilige Geestlaan en dat de aansluiting op de Heilige Geestlaan voldoet aan een veilige rijcurve. Dat laatste volgt volgens de raad ook uit bijlage 3 bij het verkeersrapport. Daarnaast worden er volgens de raad een snelheidsverminderend plateau en een verkeersspiegel aangebracht op de Heilige Geestlaan, maar is dit niet noodzakelijk vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening.
29.2. De Afdeling overweegt dat de raad zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het bestemmingsplan niet leidt tot verkeersoverlast of verkeersonveilige situaties. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad er terecht op gewezen dat het verkeersrapport juist een integrale analyse bevat die rekening houdt met andere plannen in en rondom het kasteelcomplex. Dat betekent ook dat het betoog van [hotel] en [appellanten sub 3] dat de raad heeft miskend dat de hoeveelheid verkeer rondom het kasteelcomplex al fors is toegenomen en dat de Heilige Geestlaan de extra verkeersgeneratie als gevolg van het bestemmingsplan niet aankan, feitelijke grondslag mist. Daarnaast heeft de raad de conclusies uit het verkeersrapport mogen volgen. Daarin staat dat een toename met 83 mvt/etmaal op de Heilige Geestlaan als gevolg van het bestemmingsplan niet zorgt voor knelpunten of verkeersonveilige situaties. Verder is het feit dat [hotel] zich niet herkent in het verkeersrapport onvoldoende om aan te nemen dat de conclusies uit het rapport onjuist zijn. Bovendien staat in verkeersrapport dat "de woningen en het hotel aan de Heilige Geestlaan veelal ook te voet of per fiets worden bezocht". [hotel] trekt daaruit ten onrechte de conclusie dat wordt bedoeld dat gasten van het hotel veelal per voet of per fiets komen. Voor zover appellanten vrezen voor onnodig zoek- en sluipverkeer heeft de raad zich op het standpunt mogen stellen dat de Heilige Geestlaan een doorgaande weg is. Niet is gebleken dat de Heilige Geestlaan het aantal verkeersbewegingen niet aankan. Over de verkeersveiligheid heeft de raad zich op het standpunt mogen stellen dat de in- en uitgang van en naar de ommuurde tuin voldoende breed is voor personenauto’s, dat grotere voertuigen moeten laden en lossen op de Heilige Geestlaan en dat de aansluiting op de Heilige Geestlaan voldoet aan een veilige rijcurve. Gelet op het bovenstaande heeft de raad zich ook op het standpunt mogen stellen dat een snelheidsverminderend plateau en een verkeersspiegel op de Heilige Geestlaan niet noodzakelijk zijn vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening.
De betogen slagen niet.
29.3. Overigens heeft het college met het herstelbesluit in de omgevingsvergunning opgenomen dat de woningen niet in gebruik mogen worden genomen voordat het verkeersplateau is gerealiseerd, zoals opgenomen in bijlage 1 bij de omgevingsvergunning.
- Parkeren
30. SSO, [hotel], [appellanten sub 3], [appellanten sub 4] en [appellant sub 5] en anderen betogen dat het bestemmingsplan niet voldoet aan de "Nota Parkeernormen Gemert-Bakel 2017" (Parkeernota 2017), die de raad op 1 juni 2017 heeft vastgesteld. Volgens hen leidt dit tot parkeeroverlast. Zij brengen naar voren dat voor het berekenen van de parkeerbehoefte de raad ten onrechte niet de correctiefactor van 0,8 heeft gehanteerd omdat in de praktijk een oprit of garage niet altijd wordt gebruikt voor het parkeren van een voertuig. Daarnaast stelt de raad zich volgens hen ten onrechte op het standpunt dat het maximale loopafstandscriterium van 100 m uit de Parkeernota 2017 niet geldt voor bezoekers van de 13 patiowoningen. Voor zover het gemeentebestuur wel mocht afwijken van de acceptabele loopafstanden wijzen zij erop dat niet aannemelijk is dat bezoekers bereid zijn om naar de parkeerplaats op de landerijen bij het kasteelcomplex te lopen. Daarnaast is deze parkeeroplossing volgens hen niet duurzaam, omdat hiervoor op 12 november 2020 een tijdelijke omgevingsvergunning is verleend voor de duur van slechts 10 jaar. Verder brengen [hotel] en [appellanten sub 3] naar voren dat ten onrechte niet is geborgd dat het in gebruik nemen van de 13 patiowoningen slechts mogelijk is als de parkeervoorzieningen zijn aangelegd. Tot slot voeren [appellanten sub 4] en [appellant sub 5] en anderen aan dat de parkeerweg slechts 5,30 m breed is, terwijl die volgens de Parkeernota 2017 6,0 m moet zijn.
30.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het bestemmingsplan niet leidt tot parkeeroverlast. Volgens de raad is het hanteren van de correctiefactor van 0,8 in dit geval niet nodig omdat de loopafstand tot de eerste vrije parkeerplaats ruim groter is dan 100 m waardoor de parkeerplaatsen op eigen terrein beter worden gebruikt. Daarnaast brengt de raad naar voren dat de loopafstand vanaf de landerijen bij het kasteelcomplex tot de ommuurde tuin varieert van 250 m tot 300 m. Volgens de raad geldt het maximale loopafstandscriterium van 100 m uit de Parkeernota 2017 niet voor bezoekers van de woningen. Daarom heeft de raad gekeken naar de acceptabele loopafstanden in de CROW-publicatie 381, waar een loopafstand geldt tussen de 100 m en 250 m vanaf de geparkeerde auto naar een woning voor bezoekers en waarin is bepaald dat niet alleen loopafstand maar ook aantrekkelijkheid van de parkeervoorziening een rol speelt. Verder wijst de raad erop dat de planregels verplichten om voldoende parkeerplaatsen aan te leggen en duurzaam in stand te houden en dat het kasteelcomplex voldoende groot is om tot een oplossing te komen als parkeren op de landerijen niet meer mogelijk is. Verder heeft de raad op de zitting toegelicht dat in dit geval geen sprake is van een parkeerweg, maar van een opstelruimte op een inrit. Omdat een inrit breder is dan een parkeerplaats, mag de breedte van een rijbaan volgens de raad smaller zijn dan die van een parkeerweg.
30.2. Artikel 5.3.2, aanhef en onder i, van de planregels luidt:
"Behoudens voor zover uitdrukkelijk toegestaan wordt onder strijdig gebruik van de grond en bouwwerken als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, Wabo wordt in elk geval verstaan:
i. indien niet wordt voldaan aan de regelingen zoals opgenomen in artikel 13.1, artikel 13.2 én artikel 13.3;"
Artikel 8.1, onder g, van de planregels luidt:
"Bouwplannen dienen te voldoen aan de parkeerregeling zoals opgenomen in artikel 13.1 tenzij in de planregels of op de verbeelding een andere parkeernorm is aangeduid;"
Artikel 9.4, aanhef en onder c, van de planregels luidt:
"Onder strijdig gebruik met de bestemming wordt in ieder geval verstaan het gebruik van de gronden en bebouwing binnen het desbetreffende bestemmingsvlak:
c. indien niet wordt voldaan aan de parkeerregeling zoals opgenomen in artikel 13.1 en/ of deze parkeerregeling niet duurzaam in stand wordt gehouden. Uitzondering hierop zijn, tenzij:
1. in de planregels of op de verbeelding een andere parkeernorm is aangeduid;
2. het vergund bestaand gebruik van gronden en bouwwerken betreft op het moment van de inwerkingtreding van dit plan;"
Artikel 13.1, onder a, van de planregels luidt:
"a. bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen en/of afwijken dient tenminste voldaan te worden aan het gemeentelijk beleid ten aanzien van parkeernormen, zoals opgenomen in de 'Nota Parkeernormen Gemert-Bakel 2017' vastgesteld d.d. 1 juni 2017 met dien verstande dat:
1. in geval van patiowoningen 1 parkeerplaats per patiowoning op het eigen bouwperceel gerealiseerd dient te worden;
2. drie parkeerplaatsen binnen de bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' gerealiseerd moeten worden;
3. de overige parkeerbehoefte wordt gerealiseerd en in stand gehouden op de landerijen bij het kasteelcomplex;"
30.3. De Afdeling overweegt dat de raad zich op het standpunt heeft mogen stellen dat wordt voldaan aan de Parkeernota 2017 en het bestemmingsplan niet leidt tot parkeeroverlast. De Afdeling legt hieronder uit hoe zij tot dit oordeel komt.
30.4. Voor het bepalen van de parkeerbehoefte van de 13 patiowoningen is gebruik gemaakt van de normen in de Parkeernota 2017. Op grond van de Parkeernota 2017 geldt voor het woningtype "Koop, tussen/hoek" een parkeernorm van 1,5 parkeerplaatsen per woning in het centrum van Gemert. Dat betekent dat in de ommuurde tuin een parkeerbehoefte van 20 parkeerplaatsen is, waarvan 16 voor bewoners en 4 voor bezoekers. In de Parkeernota 2017 wordt bij parkeervoorzieningen bij woningen een correctiefactor gehanteerd, omdat in de praktijk een oprit of garage niet altijd wordt gebruikt voor het parkeren van een voertuig. Dat betekent dat voor een woning met een enkele oprit zonder garage gerekend wordt met een correctiefactor van 0,8. Dat leidt tot een totale parkeerbehoefte van 25 parkeerplaatsen. Uit artikel 13.1, onder a, van de planregels volgt dat er in totaal 16 parkeerplaatsen binnen de ommuurde tuin worden aangelegd en dat de overige 4 parkeerplaatsen worden aangelegd en in stand gehouden op de landerijen bij het kasteelcomplex. Dat betekent dat de raad de correctiefactor van 0,8 niet heeft toegepast en dus tot een lagere parkeerbehoefte komt.
De Parkeernota 2017 bevat een hardheidsclausule. Hierin staat dat een bestuursorgaan overeenkomstig deze nota handelt, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met deze beleidsregel te dienen doelen. Daarmee wordt gebruikgemaakt van de afwijkingsbevoegdheid zoals deze is geregeld in artikel 4:84 van de Awb. De raad heeft de correctiewaarde van 0,8 opgehoogd naar 1,0 waardoor de parkeerbehoefte wordt verlaagd van 25 naar 20 parkeerplaatsen. De raad stelt zich daarbij op het standpunt dat de parkeerplaatsen op eigen terrein beter zullen worden gebruikt omdat de huidige wegen grenzend aan de ommuurde tuin worden ingericht als algeheel parkeerverbodszone en de loopafstand tot de eerste beschikbare vrije parkeerplaats bij het Binderseind ruim groter is dan 100 m. De Afdeling kan dit standpunt volgen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad dan ook af mogen wijken van de correctiewaarde uit de Parkeernota 2017.
30.5. Voor de acceptabele loopafstand tussen de 13 patiowoningen en de parkeerplaats op de landerijen bij het kasteelcomplex, stelt de Afdeling vast dat deze afstand tussen de 250 m en 350 m is wanneer bezoekers gebruik kunnen maken van de wandelroute door de kasteeltuin. In de Parkeernota 2017 staat dat een oplossing voor het parkeren duurzaam moet zijn en dat dit onder meer betekent dat de parkeervoorziening zich op een acceptabele loopafstand van de functie bevindt. De Parkeernota 2017 bepaalt niet wat de acceptabele loopafstand is voor bezoekers. Op de zitting heeft de raad toegelicht dat hij daarom kijkt naar de CROW-publicatie 381. Daarin staat dat de acceptabele loopafstand vanaf de geparkeerde auto naar een woning tussen de 100 m en 250 m is voor bezoekers en dat de acceptatie van loopafstand ook afhangt van factoren, zoals de aantrekkelijkheid van de looproute, de sociale veiligheid en verkeersveiligheid van de looproute, de parkeerordening en de prijsstelling, de fysieke conditie van een voetganger, motief van het bezoek en de duur van het verblijf. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad mogen kijken naar de acceptabele loopafstanden in de CROW-publicatie 381. Daarbij heeft de raad ook mogen betrekken dat bij de inrichting van de looproutes aandacht wordt besteed aan de sociale veiligheid en dat de looproutes aantrekkelijk en kwalitatief hoogwaardig zullen zijn omdat deze door de kasteeltuin gaan. Om deze redenen heeft de raad voldoende gemotiveerd waarom een loopafstand van 250 m tot 350 m voor bezoekers in dit geval acceptabel is.
Voor zover appellanten aanvoeren dat de raad zichzelf tegenspreekt door enerzijds te stellen dat niet aannemelijk is dat bewoners van de beoogde woningen op de parkeerplaatsen aan het Binderseind gaan parkeren en anderzijds wel verwacht dat bezoekers op de parkeerplaats op de landerijen gaan parkeren, overweegt de Afdeling dat het niet onredelijk is om te verwachten dat bezoekers een grotere loopafstand accepteren dan bewoners. Dat blijkt ook uit de richtafstanden van de CROW-publicatie 381.
30.6. Uit de Parkeernota 2017 volgt dat de parkeeroplossing duurzaam moet zijn. Op grond van artikel 5.3.2, aanhef en onder i, en artikel 9.4, aanhef en onder c, van de planregels is er sprake van strijdig gebruik van de gronden en bebouwing indien niet wordt voldaan aan de parkeerregeling zoals opgenomen in artikel 13.1 en/of deze parkeerregeling niet duurzaam in stand wordt gehouden. Uit artikel 13.1, onder a, van de planregels volgt onder meer dat de overige parkeerbehoefte op de landerijen bij het kasteelcomplex moet worden gerealiseerd en in stand gehouden. Ook wanneer de tijdelijke omgevingsvergunning verloopt, blijft er dus een verplichting om voldoende parkeerplaatsen aan te leggen en in stand te houden. Gelet hierop is geborgd dat de bezoekersparkeerplaatsen duurzaam in stand moeten blijven.
30.7. Over het betoog van [appellanten sub 4] en [appellant sub 5] en anderen dat de parkeerweg slechts 5,30 m breed is, overweegt de Afdeling dat zij het standpunt van de raad kan volgen dat in dit geval geen sprake is van een parkeerweg, maar van een opstelruimte op een inrit waardoor de breedte van de rijbaan smaller mag zijn dan 6,0 m.
De betogen slagen niet.
- Woongenot [appellanten sub 4]
31. [appellanten sub 4] betogen dat het bestemmingsplan hun persoonlijk woongenot onaanvaardbaar aantast. Zij vrezen voor aantasting van hun uitzicht en privacy.
31.1. In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. Hieruit volgt dat [appellanten sub 4] geen aanspraak kunnen maken op een blijvend vrij uitzicht vanuit de woning, ook niet als het vorige bestemmingsplan daar geen bebouwing toestond. Verder mocht de raad zich op het standpunt stellen dat het bestemmingsplan de privacy van [appellanten sub 4] niet onaanvaardbaar aantast. Daarbij heeft de raad mogen betrekken dat de monumentale muur voor enige afscheiding zorgt.
Het betoog slaagt niet.
- Woongenot [appellant sub 5] en anderen
32. [appellant sub 5] en anderen betogen dat het bestemmingsplan hun persoonlijk woongenot onaanvaardbaar aantast. Zij vrezen vooral voor aantasting van het uitzicht en de privacy vanuit de woningen aan het [locatie 4] en [locatie 5].
32.1. In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. Hieruit volgt dat [appellant sub 5] en anderen geen aanspraak kunnen maken op een blijvend vrij uitzicht vanuit de woning, ook niet als het vorige bestemmingsplan daar geen bebouwing toestond. Verder mocht de raad zich op het standpunt stellen dat het bestemmingsplan de privacy van [appellant sub 5] en anderen niet onaanvaardbaar aantast. Daarbij heeft de raad mogen betrekken dat de monumentale muur voor enige afscheiding zorgt.
Het betoog slaagt niet.
- Restauratieplan
33. SSO betoogt dat het restauratieplan voor de monumentale muur onvoldoende bescherming biedt en de geotechnische risico’s onvoldoende zijn afgedekt. Volgens haar is het noodzakelijk dat, gezien de slechte staat van de monumentale muur, in de planregels een exacte datumstelling voor de restauratie wordt opgenomen. In het restauratieplan moet volgens haar onder meer worden opgenomen dat indien bestaande bakstenen niet meer hergebruikt kunnen worden, er vergelijkbare bakstenen moeten worden gebruikt voordat er nieuwe bakstenen worden gebruikt. Daarnaast moet volgens haar worden opgenomen dat voor de voegmortel geen hydraulische kalk, maar een natuurlijke variant moet worden gebruikt.
33.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het restauratieplan voor de monumentale muur voldoende bescherming biedt. De raad wijst erop dat in het restauratieplan wordt verwezen naar andere onderzoeksrapporten, waaruit blijkt dat alle van belang zijnde aspecten zijn onderzocht en in ruimtelijke zin zijn afgewogen, zoals de "Beschouwing geotechnische risico’s voor historische tuinmuur Kasteel Gemert" (geotechnisch rapport) van Fugro van 30 augustus 2022. Volgens de raad is het restauratieplan op detail uitgewerkt en maakt het op zichzelf inzichtelijk wat er moet worden gedaan ter restauratie en bescherming van de monumentale muur.
33.2. Artikel 8.1, onder j, van de planregels luidt:
"Binnen uiterlijk twee jaar na de bouw van een woning of wooneenheid dient de restauratie van de monumentale muur te zijn uitgevoerd volgens de voorwaarden uit het restauratieplan, zoals opgenomen in bijlage 3."
33.3. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich op het standpunt mogen stellen dat het restauratieplan voor de monumentale muur voldoende bescherming biedt. In artikel 8.1, onder j, van de planregels is de voorwaardelijke verplichting opgenomen om het restauratieplan uit te voeren binnen uiterlijk twee jaar na de bouw van een woning. De raad heeft aannemelijk gemaakt dat die voorwaarde voldoende bescherming biedt en dat een exacte datumstelling voor het uitvoeren van het restauratieplan niet nodig is. Daarnaast heeft de raad zich op het standpunt mogen stellen dat het restauratieplan in voldoende detail is uitgewerkt en op zichzelf inzichtelijk maakt wat er moet worden gedaan ter restauratie en bescherming van de monumentale muur. Voor zover SSO specifieke op- of aanmerkingen heeft over het restauratieplan, overweegt de Afdeling dat deze geen grond geven voor het oordeel dat de raad zich niet op het restauratieplan en de onderliggende onderzoeken heeft mogen baseren.
Het betoog slaagt niet.
33.4. Overigens heeft het college naar aanleiding van de beroepsgronden van SSO en het deskundigenbericht van de STAB met het herstelbesluit onder andere de volgende voorschriften aan de omgevingsvergunning toegevoegd: primair wordt gebruik gemaakt van bestaande baksteen uit de muur zelf, secundair van gebruikte baksteen elders en tertiair van nieuwe baksteen met gelijksoortig uiterlijk van de bestaande baksteen uit de muur en het voegwerk wordt uitgevoerd in EN 459-1 hydrolyse (lees: hydraulische) kalk.
- Bemalingsplan en bomeneffectanalyse
34. [appellant sub 5] en anderen betogen dat er ten onrechte geen bemalingsplan en bomeneffectanalyse is opgesteld. Hierdoor is volgens hen onduidelijk op welke manier er voor, tijdens en na de werkzaamheden voldoende water voor de bomen behouden blijft.
34.1. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich op het standpunt mogen stellen dat een bemalingsplan en bomeneffectanalyse niet nodig zijn. Volgens de raad zal er geen bemaling plaatsvinden in het plangebied. Dat heeft volgens de raad ook tot gevolg dat er geen negatieve gevolgen voor de bomen in de omgeving zijn te verwachten. Daarnaast wijst de raad erop dat binnen het plangebied zelf geen bomen aanwezig zijn, zodat geen bomeneffectanalyse nodig is.
Het betoog slaagt niet.
- Rioolaansluiting
35. [appellanten sub 4] en [appellant sub 5] en anderen betogen dat er ten onrechte geen aandacht is besteed aan de risico’s voor verzakking of instorten van de monumentale muur door het graven van een rioolaansluiting.
35.1. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich op het standpunt mogen stellen dat het aanleggen van de rioolaansluiting een uitvoeringsaspect is. De precieze aanleg van de rioolaansluiting is een kwestie van uitvoering van het bestemmingsplan. Uitvoeringsaspecten kunnen in de bestemmingsplanprocedure niet aan de orde komen. [appellanten sub 4] en [appellant sub 5] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat geen aanvaardbare uitvoering van het bestemmingsplan in zoverre kan plaatsvinden.
De betogen slagen niet.
- Verzakking en scheurvorming
36. [appellant sub 5] en anderen betogen dat er onvoldoende onderzoek is gedaan naar de risico’s van de bouw van de 13 patiowoningen op verzakking van en scheurvorming in de woningen aan het [locatie 4] en [locatie 5].
36.1. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich op het standpunt mogen stellen dat de bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor de bouw van de 13 patiowoningen. De raad wijst daarbij op de resultaten uit het "Verkennend bodem- en asbestonderzoek, Heilige Geestlaan te Gemert" (bodemonderzoek) van MILON B.V. van 26 november 2021. Daarnaast heeft de raad mogen betrekken dat de 13 patiowoningen op minimaal 5 m afstand van de monumentale muur worden gebouwd, ter bescherming van de muur en de omliggende woningen. Gelet hierop is het niet aannemelijk dat er schade wordt veroorzaakt aan de woningen aan het [locatie 4] en [locatie 5].
Het betoog slaagt niet.
- Waterhuishouding
37. [appellant sub 5] en anderen betogen dat onvoldoende is onderzocht welke nadelige gevolgen de ophoging van het maaiveld heeft voor de waterhuishouding op de percelen aan het [locatie 4] en [locatie 5].
37.1. Op grond van artikel 1.45 van de planregels wordt het bouwpeil vastgesteld op een gemiddelde maaiveldhoogte van 15,05 m + NAP.
37.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad voldoende onderzocht welke gevolgen de ophoging van het maaiveld heeft voor de waterhuidhouding op de percelen aan het [locatie 4] en [locatie 5]. Uit de "Watertoets, Ommuurde tuin Kasteel Gemert" (watertoets) van Econsultancy van 22 mei 2023, dat ten grondslag is gelegd aan het bestemmingsplan, volgt dat het maaiveld in het plangebied in de huidige situatie gemiddeld 14,75 m + NAP is en dat de Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG) is ingeschat op 13,80 m + NAP. Gelet daarop zal volgens Econsultancy de ontwatering ten aanzien van de (bouw)peilen in de toekomstige situatie voldoende zal zijn. Dat in de watertoets vervolgens ook wordt geadviseerd om de toekomstige bouwpeilen circa 20 cm hoger aan te leggen dan het naastgelegen wegpeil van 15 m + NAP, betekent niet dat de raad onzorgvuldig heeft gehandeld door het bouwpeil op slechts 15,05 m + NAP vast te stellen. De raad vindt dat bouwpeil voldoende en stelt dat hij daarmee binnen de marges van het advies handelt. De Afdeling vindt die motivering aanvaardbaar.
- Erf- en perceelafscheidingen
38. [appellant sub 5] en anderen betogen dat de raad ten onrechte erf- en perceelafscheidingen heeft toegestaan. Volgens hen is de voorwaarde uit het beeldkwaliteitsplan dat schuttingen niet zijn toegestaan, ten onrechte niet geborgd in de planregels.
38.1. Artikel 5.2.5, aanhef en onder a, van de planregels luidt:
"Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de onderstaande bepalingen:
a. de bouwhoogte van een erf- of perceelafscheiding mag maximaal 2 m1 bedragen;"
Artikel 8.1, onder e, van de planregels luidt:
"Bouwplannen, waaronder tevens wordt verstaan de veranderingen van hoofdgebouwen én veranderingen van gevels van bouwwerken gericht naar het openbaar toegankelijk gebied, dienen te voldoen aan de criteria van het beeldkwaliteitsplan, zoals opgenomen in hoofdstuk 5 van bijlage 1;"
38.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad in artikel 5.2.5, aanhef en onder a, van de planregels mogen regelen dat erf- en perceelafscheidingen zijn toegestaan. Via artikel 8.1, onder e, van de planregels, maakt hoofdstuk 5 van het beeldkwaliteitsplan deel uit van het toetsingskader voor de vergunningverlening. In dit hoofdstuk staat onder meer dat ten behoeve van het afschermen van de privétuinen erfafscheidingen uniform worden meeontworpen en dat deze dienen te worden uitgevoerd in natuurlijke materialen en in een bij de bebouwing passende kleurstelling. De passage waar [appellant sub 5] en anderen op wijzen staat in hoofdstuk 3 van het beeldkwaliteitsplan en maakt dus geen deel uit van het toetsingskader voor de vergunningverlening. De raad heeft in het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan ook expliciet overwogen dat met het bestemmingsplan wordt afgeweken van de vastgestelde kaders door onder voorwaarden tuinafscheidingen toe te staan. De reden hiervoor is volgens de raad dat de 13 patiowoningen met de voorzijde aan de ontsluiting en met de achterzijde op de monumentale muur of de moestuin zijn georiënteerd, waardoor een schutting is vereist.
Het betoog slaagt niet.
- Onderhoud en beheer kasteelcomplex
39. [appellant sub 5] en anderen betogen dat artikel 6.1 van de planregels in strijd met de rechtszekerheid is vastgesteld omdat dit artikel niet handhaafbaar is. Volgens hen kan niet worden geborgd dat het onderhoud en beheer van het gehele complex door één partij wordt beschermd en uitgevoerd.
39.1. De raad stelt zich op het standpunt dat deze regel is opgenomen om de juridische planologische eenheid van het kasteelcomplex te waarborgen, omdat het plangebied hier deel van blijft uitmaken.
39.2. Artikel 6.1 van de planregels luidt:
"De voor 'Waarde - Cultuurhistorisch waardevol complex' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de instandhouding en versterking van de eenheid van het complex van cultuurhistorisch belang, waaronder:
a. de monumentale bebouwing, bouwwerken geen gebouwen zijnde en muren, zoals opgenomen in de complexomschrijving monumenten, zoals opgenomen in bijlage 5;
met inbegrip van:
b. enkel ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - kas' een kas;
c. binnen de bestemming 'Groen - Kasteel fase 2a' een moestuin, conform het inrichtingsplan in hoofdstuk 4 van bijlage 2;
waarbij het onderhoud en beheer van het gehele complex door één partij wordt beschermd en uitgevoerd."
39.3. De Afdeling ziet in het betoog van [appellant sub 5] en anderen geen reden om aan te nemen dat deze planregel in strijd met de rechtszekerheid is vastgesteld. Naar het oordeel van de Afdeling zijn de bij deze planregel gestelde eisen niet zodanig dat deze planregel niet handhaafbaar is.
Het betoog slaagt niet.
- Quickscan flora en fauna
40. SSO en [appellanten sub 4] betogen dat de raad de gevolgen van het bestemmingsplan op de flora en fauna in de omgeving van het plangebied onvoldoende heeft onderzocht. SSO wijst erop dat er slechts één veldonderzoek naar de aanwezigheid van vleermuizen heeft plaatsgevonden, dat er ten onrechte niets wordt vermeld over waardevolle varens zoals de steenbreekvaren, en dat er ten onrechte geen melding is gemaakt over de aanwezigheid van korstmossen in de ommuurde tuin.
40.1. De Afdeling overweegt dat de raad de gevolgen van het bestemmingsplan op de flora en fauna in de omgeving van het plangebied voldoende heeft onderzocht. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 4 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3603, onder 16.8), komen de vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een vrijstelling dan wel een ontheffing op grond van het soortenbeschermingsregime in de Wet natuurbescherming (Wnb) nodig is en, zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Wnb. Dat doet niet af aan het uitgangspunt dat de raad het bestemmingsplan niet heeft mogen vaststellen indien en voor zover hij op voorhand redelijkerwijs had moeten inzien dat het wettelijke soortenbeschermingsregime aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in de weg staat.
40.2. In de "Quickscan flora en fauna" (Quickscan) van Staro B.V. van 4 november 2021 staat dat op 3 april 2020 een veldbezoek heeft plaatsgevonden. Daaruit bleek dat in de wijde omgeving van het plangebied vleermuizen voorkomen en dat het plangebied geschikt is als foerageergebied voor vleermuizen, maar dat in de omgeving van het plangebied voldoende foerageergebied aanwezig blijft. Verder biedt het plangebied volgens het onderzoek geen essentiële vliegroutes en zijn er geen geschikte verblijfplaatsen aanwezig. Vanwege deze bevindingen is er geen vervolgonderzoek naar vleermuizen geadviseerd. Was dit wel noodzakelijk geweest, dan had dit onderzoek in beginsel uitgevoerd moeten worden volgens het Vleermuisprotocol 2021 van het Netwerk Groene Bureaus. Het Vleermuisprotocol is een leidraad voor het onderzoek ten behoeve van een aanvraag om een ontheffing op grond van de Wnb. In deze procedure is zo’n aanvraag niet aan de orde. Gelet hierop is het niet vereist dat er meerdere veldbezoeken plaatsvinden. Verder is tijdens het veldbezoek in een van de vervallen schuurtjes aan de westkant van het plangebied een blaasvaren aangetroffen. Dit is een beschermde muurplant. Voor het verplaatsen hiervan is in juni 2023 een activiteitenplan door Staro B.V. opgesteld. Op 1 november 2023 is hiervoor door gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant een inmiddels onherroepelijke ontheffing verleend. Er zijn geen andere beschermingswaardige varens aangetroffen die onder het wettelijke soortenbeschermingsregime vallen. Tot slot heeft de raad op de zitting toegelicht dat in maart 2023 een nieuw veldbezoek heeft plaatsgevonden waarbij opnieuw is geconstateerd dat er geen korstmossen zijn binnen het plangebied. SSO heeft dat niet meer weersproken. De raad heeft zich mogen baseren op de bevindingen uit de Quickscan. Om de bovengenoemde redenen bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad op voorhand redelijkerwijs had moeten inzien dat het wettelijke soortenbeschermingsregime aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in de weg staat.
De betogen slagen niet.
- Zienswijzen
41. SSO en [appellanten sub 4] hebben zich in hun beroepschriften voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijzen tegen het ontwerpbestemmingsplan. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijzen. SSO en [appellanten sub 4] hebben in hun beroepschriften of op de zitting geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van die zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.
De betogen slagen niet
Beroep tegen de omgevingsvergunning
- Advies RCE
42. SSO, [appellanten sub 4] en [appellant sub 5] en anderen betogen dat het college ten onrechte het advies van de RCE van 21 november 2022 aan het besluit tot verlenen van de omgevingsvergunning ten grondslag heeft gelegd. Volgens hen is het advies van de RCE namelijk inconsistent, onnavolgbaar en tegenstrijdig met eerdere adviezen van de RCE over eerdere plannen in en rondom het kasteelcomplex.
42.1. De Afdeling overweegt dat het college het advies van RCE van 21 november 2021 aan het besluit tot verlenen van de omgevingsvergunning ten grondslag mocht leggen. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de omstandigheid dat eerdere plannen vanwege de adviezen van de RCE geen doorgang hebben gevonden, niet maakt dat het advies van de RCE van 21 november 2022 niet juist is. In dat advies adviseert de RCE om de omgevingsvergunning te verlenen. Appellanten hebben geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht die zorgen voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies.
De betogen slagen niet.
- Advies Monumentencommissie
43. SSO betoogt dat het college ten onrechte het advies van de monumentencommissie van 25 januari 2023 aan het besluit tot verlenen van de omgevingsvergunning ten grondslag heeft gelegd. Volgens SSO is dit advies niet onderbouwd.
43.1. De Afdeling overweegt dat het college het advies van de monumentencommissie van 25 januari 2023 aan het besluit tot verlenen van de omgevingsvergunning ten grondslag mocht leggen. Het advies is summier, maar er is geen reden om te twijfelen aan de deskundigheid van de monumentencommissie en de totstandkoming van het advies. SSO heeft geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht die zorgen voor twijfel aan de inhoud van het advies.
Het betoog slaagt niet.
- Brandveiligheid
44. [appellant sub 5] en anderen betogen dat niet wordt voldaan aan de minimale brandveiligheidseisen uit de "Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid 2019 van Brandweer Nederland" (Handreiking Brandweer Nederland). Zij vrezen voor de brandoverslag naar de woningen aan het [locatie 4] en [locatie 5].
44.1. Zoals in overweging 10.3 van deze uitspraak al is uiteengezet, bevat artikel 8:69a van de Awb het relativiteitsvereiste.
44.2. De voorwaarden ten aanzien van de brandveiligheid in de Handreiking Brandweer Nederland komen voort uit de regels in het Bouwbesluit 2012. De Afdeling overweegt dat de regels uit het Bouwbesluit 2012 over brandveiligheid strekken tot bescherming van de belangen van eigenaren en gebruikers van belendende gebouwen. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 11 november 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2706), onder 10.38 tot en met 10.45.
44.3. De woning aan het [locatie 4] staat tegen de monumentale muur aan, maar de afstand tussen de dichtstbijzijnde beoogde patiowoning en de monumentale muur bedraagt minimaal 5 m. Daartussen komt een wandelpad. Gelet hierop is het niet aannemelijk dat een brand in de patiowoningen zich zal uitbreiden naar de woningen aan het [locatie 4] en [locatie 5]. De brandveiligheidseisen uit het Bouwbesluit 2012 strekken kennelijk niet tot de bescherming van de belangen van [appellant sub 5] en anderen.
Het betoog slaagt niet.
- Geotechnische risico’s
45. SSO betoogt dat in de omgevingsvergunning de geotechnische risico’s voor schade aan de monumentale muur onvoldoende zijn afgedekt. Volgens SSO blijkt onvoldoende welke voorzorgsmaatregelen worden getroffen om deze risico’s te voorkomen. Verder leidt het bouwverkeer volgens SSO tot een onwenselijk hoge belasting van de muur en zal het manoeuvreren met zwaar vrachtverkeer een groot risico vormen.
45.1. In de voorschriften bij de omgevingsvergunning staat dat er een deskundige bouwbegeleidingscommissie wordt ingesteld die er in ieder geval op toeziet dat het verstoren van de bodem tijdens de werkzaamheden niet in strijd is met de bepalingen van het bestemmingsplan en dat er voorafgaand aan eventuele graaf- en bouwwerkzaamheden een inventarisatie wordt gemaakt van ingrepen in de structuur van de gebouwen en de bodemingrepen in en rondom de gebouwen. Deze inventarisatie wordt voorgelegd aan- en beoordeeld door de monumentencommissie die dan beoordeelt of en op welke wijze bouwhistorisch en/of archeologisch onderzoek moet plaatsvinden. Na instemming van de RCE moet een programma van eisen worden op- en vastgesteld. Ook moet voor de uitvoering van de werkzaamheden een nulmeting worden uitgevoerd om de bestaande toestand van de omliggende woningen en de ommuurde tuin in kaart te brengen. De STAB concludeert in het deskundigenbericht dat deze voorschriften vooral zien op de bescherming van archeologische waarden en de bouwhistorische waarden van gebouwen in de ommuurde tuin. Omdat de monumentale muur geen gebouw, maar een bouwwerk is, gaat de STAB ervan uit dat deze voorschriften niet zien op de bodemingrepen rondom de monumentale muur. De Afdeling is het met de STAB eens dat de ommuurde tuin geen gebouw maar een bouwwerk, geen gebouw zijnde is en dat de meeste voorschriften in de omgevingsvergunning daar niet op zien. Naar het oordeel van de Afdeling zijn in de voorschriften bij de omgevingsvergunning de geotechnische risico’s voor schade aan de monumentale muur, die een bouwwerk, geen gebouw zijnde is, dan ook onvoldoende afgedekt.
Het betoog slaagt in zoverre.
45.2. Voor zover SSO aanvoert dat het bouwverkeer tot een onwenselijk hoge belasting van de muur zal leiden, overweegt de Afdeling dat er een zorgvuldig proces zal plaatsvinden. Daarbij betrekt de Afdeling dat ten westen van het plangebied, op voldoende afstand van de monumentale muur, een bouwplaatsinrichting wordt aangelegd. Ook wordt er een bypass aangelegd, parallel aan de Heilige Geestlaan, zodat het zware verkeer niet over de Heilige Geestlaan en langs de muur hoeft te rijden of in de buurt van de ommuurde tuin hoeft te komen. Daarbij komt dat vanuit de bouwplaats een speciale betonwagen met slang wordt gerealiseerd en dat de bouwkraan wordt opgesteld buiten de ommuurde tuin.
Het betoog slaagt in zoverre niet.
- Zienswijzen
46. SSO en [appellanten sub 4] hebben zich in hun beroepschriften voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijzen tegen de ontwerp-omgevingsvergunning. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijzen. SSO en [appellanten sub 4] hebben in hun beroepschriften of op de zitting geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van die zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.
De betogen slagen niet.
- Overige beroepsgronden
47. Voor zover appellanten nog overige beroepsgronden hebben aangevoerd tegen de omgevingsvergunning, zoals de gronden over het verkeersplateau en de baksteen die gebruikt moet worden voor de restauratie van de monumentale muur, overweegt de Afdeling dat ook deze gronden niet slagen.
Conclusie
48. De beroepen voor zover gericht tegen het besluit van 5 februari 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Ommuurde tuin, kasteel Gemert" zijn ongegrond.
49. Het beroep van SSO voor zover gericht tegen het besluit van 19 december 2023 tot verlening van de omgevingsvergunning, zoals gewijzigd bij het besluit van 21 oktober 2025, is gelet op het gebrek dat is geconstateerd in overweging 45.1, gegrond. Deze besluiten moeten worden vernietigd voor zover in de voorschriften niet is bepaald dat er voorafgaand aan eventuele graaf- en bouwwerkzaamheden een inventarisatie wordt gemaakt van ingrepen in de structuur van de bouwwerken, geen gebouw zijnde, en de bodemingrepen in en rondom de bouwwerken, geen gebouw zijnde. De Afdeling ziet aanleiding om op dit punt artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb toe te passen en zelf in de zaak te voorzien. De Afdeling zal de voorschriften bij de omgevingsvergunning aanpassen en bepalen dat er voorafgaand aan eventuele graaf- en bouwwerkzaamheden een inventarisatie wordt gemaakt van ingrepen in de structuur van de gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde, en de bodemingrepen in en rondom de gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde.
50. De overige beroepen voor zover gericht tegen het besluit van 19 december 2023 tot verlening van de omgevingsvergunning, zoals gewijzigd bij het besluit van 21 oktober 2025, zijn ongegrond.
51. De raad en het college hoeven geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart de beroepen voor zover gericht tegen het besluit van de raad van de gemeente Gemert-Bakel van 5 februari 2024 waarbij het bestemmingsplan "Ommuurde tuin, kasteel Gemert" is vastgesteld ongegrond;
II. verklaart het beroep van Stichting Schoorswinkel en Omgeving voor zover gericht tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel van 19 december 2023 tot verlening van de omgevingsvergunning, zoals gewijzigd bij het besluit van 21 oktober 2025, gegrond;
III. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel van 19 december 2023 tot verlening van de omgevingsvergunning, zoals gewijzigd bij het besluit van 21 oktober 2025, voor zover in de voorschriften bij de omgevingsvergunning niet is bepaald dat er voorafgaand aan eventuele graaf- en bouwwerkzaamheden een inventarisatie wordt gemaakt van ingrepen in de structuur van de bouwwerken, geen gebouw zijnde, en de bodemingrepen in en rondom de bouwwerken, geen gebouw zijnde;
IV. bepaalt dat aan de voorschriften in de omgevingsvergunning wordt toegevoegd dat er voorafgaand aan eventuele graaf- en bouwwerkzaamheden een inventarisatie wordt gemaakt van ingrepen in de structuur van de bouwwerken, geen gebouw zijnde, en de bodemingrepen in en rondom de bouwwerken, geen gebouw zijnde, zodat het eerste gedachtestreepje van het tweede bolletje onder het eerste vierkantje van de voorschriften komt te luiden:
"een inventarisatie wordt gemaakt van ingrepen in de structuur van de gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde, en de bodemingrepen in en rondom de gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde. Van iedere ingreep wordt de omvang beschreven (kaart met tabel/matrix en eventuele toelichting)";
V. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel van 19 december 2023 tot verlening van de omgevingsvergunning, zoals gewijzigd bij het besluit van 21 oktober 2025;
VI. verklaart de overige beroepen voor zover gericht tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel van 19 december 2023 tot verlening van de omgevingsvergunning, zoals gewijzigd bij het besluit van 21 oktober 2025 ongegrond;
VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel aan Stichting Schoorswinkel en Omgeving het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 371,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, voorzitter, en mr. C.H. Bangma en mr. M.J.M. Ristra-Peeters, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, griffier.
w.g. Van Ravels
voorzitter
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2026
271-1140
BIJLAGE
Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten
Artikel 4
[…]
3. Bij het onderzoek per geval of bij de vaststelling van drempelwaarden of criteria bij de toepassing van lid 2 moeten de relevante selectiecriteria van bijlage III in acht worden genomen.
[…].
Verdrag van Granada
Artikel 4
Iedere Partij verplicht zich ertoe:
[…]
2. te voorkomen dat beschermde goederen worden ontsierd, vernield of afgebroken. Daartoe verplicht iedere Partij zich ertoe, indien dit nog niet is geschied, in haar wetgeving bepalingen op te nemen die erop zijn gericht:
a. een bevoegde autoriteit in kennis te stellen van alle plannen tot afbraak of verandering van reeds beschermde monumenten en van monumenten waarvoor bescherming wordt overwogen, alsmede van ieder project waardoor de omgeving van deze monumenten wordt aangetast;
[…].
Artikel 7
Iedere Partij verplicht zich ertoe ervoor te zorgen dat er maatregelen worden genomen ten einde in de directe omgeving van monumenten en binnen de architectonische eenheden van gebouwen alsmede in de waardevolle gebieden het leefmilieu te verbeteren.
Artikel 12
Erkennend dat het van belang is dat het publiek in staat wordt gesteld beschermde goederen te bezoeken, verplicht iedere Partij zich ertoe alle maatregelen te nemen opdat de gevolgen van dit openstellen voor het publiek, in het bijzonder de nodige voorzieningen voor het toegankelijk maken, geen aantasting betekenen voor de architectonische en historische aard van deze goederen en omgeving.
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 1:2
1. Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
[…].
Artikel 3:11
1. Het bestuursorgaan legt het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage, met uitzondering van stukken waarvoor bij wettelijk voorschrift mededeling op de in artikel 12 van de Bekendmakingswet bepaalde wijze is voorgeschreven.
[…].
Artikel 3:46
Een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering.
Artikel 4:84
Het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.
Artikel 6:19
1. Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.
2. Het eerste lid geldt ook indien het bezwaar is gemaakt of het beroep is ingesteld nadat het bestuursorgaan het bestreden besluit heeft ingetrokken, gewijzigd of vervangen.
3. Het bestuursorgaan stelt het nieuwe besluit onverwijld ter beschikking aan het orgaan waarbij het beroep aanhangig is.
4. Indien een ander orgaan een bezwaar- of beroepschrift tegen het nieuwe besluit ontvangt, zendt het dit met toepassing van artikel 6:15, eerste en tweede lid, door.
5. De bestuursrechter kan het beroep tegen het nieuwe besluit echter verwijzen naar een ander orgaan, indien behandeling door dit orgaan gewenst is.
6. Intrekking of vervanging van het bestreden besluit staat niet in de weg aan vernietiging van dat besluit indien de indiener van het bezwaar- of beroepschrift daarbij belang heeft.
Artikel 6:22
Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.
Artikel 8:1
1. Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de rechtbank.
[…]
Artikel 8:69a
De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.
Artikel 8:72
[…]
3. De bestuursrechter kan bepalen dat:
[…]
b. zijn uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit of het vernietigde gedeelte daarvan.
[…].
Wet ruimtelijke ordening
1. Bij besluit van de gemeenteraad kunnen gevallen of categorieën van gevallen worden aangewezen waarin de verwezenlijking van een onderdeel van het gemeentelijk ruimtelijk beleid het wenselijk maakt dat:
a. de voorbereiding en bekendmaking van nader aan te duiden, op aanvraag of ambtshalve te nemen besluiten worden gecoördineerd, of
b. de voorbereiding en bekendmaking van een bestemmingsplan, een wijziging of uitwerking van een bestemmingsplan of een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, wordt gecoördineerd met de voorbereiding en bekendmaking van besluiten als bedoeld onder a.
2. Bij de gecoördineerde voorbereiding en bekendmaking als bedoeld in het eerste lid, onder a of b, wordt de procedure beschreven in de artikelen 3.31 en 3.32, respectievelijk die procedure in samenhang met hetzij, in geval van een bestemmingsplan, de procedure beschreven in artikel 3.8, hetzij, in geval van een omgevingsvergunning, de uitgebreide procedure beschreven in paragraaf 3.3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht toegepast.
3. Voor zover onder de besluiten, bedoeld in het eerste lid, onder b, mede een omgevingsvergunning is begrepen wordt bij de toepassing van de artikelen 2.1, eerste lid, onder c, 2.10 en 2.11 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in plaats van bestemmingsplan gelezen: bestemmingsplan, bedoeld in het eerste lid, onder b.
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Artikel 2.1
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
a. het bouwen van een bouwwerk,
b. het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is bepaald,
[…]
f. het slopen, verstoren, verplaatsen of in enig opzicht wijzigen van een rijksmonument of het herstellen, gebruiken of laten gebruiken van een rijksmonument op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht,
[…].
Wet milieubeheer
Artikel 7.17
1. Behoudens in het geval dat toepassing is gegeven aan artikel 7.16, vijfde lid, neemt het bevoegd gezag uiterlijk zes weken na de datum van ontvangst een beslissing omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de belangrijke gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapport moet worden gemaakt.
2. Indien met betrekking tot de activiteit meer dan één besluit is aangewezen, nemen de bevoegde bestuursorganen de in het eerste lid bedoelde beslissing gezamenlijk.
3. Het bevoegd gezag neemt zijn beslissing op grond van de informatie, bedoeld in artikel 7.16, tweede en vierde lid, en houdt bij zijn beslissing rekening met:
a. Voor zover relevant de resultaten van eerder uitgevoerde controles of andere beoordelingen van gevolgen voor het milieu;
b. De relevante criteria van bijlage III bij de mer richtlijn.
[…].
Erfgoedwet
Artikel 9.1 Omgevingswet
1. Tot het tijdstip waarop het bij koninklijke boodschap van 16 juni 2014 ingediende voorstel van wet houdende regels over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving (Omgevingswet) (Kamerstukken 33 962) tot wet is verheven en in werking is getreden:
a. blijven de hoofdstukken II, paragrafen 2 en 3, IV, V, paragrafen 1 en 9, en VI van de Monumentenwet 1988, zoals die luidden voor inwerkingtreding van deze wet, van toepassing;
[…].
Monumentenwet 1988
Artikel 11 [Regeling vervallen per 01-07-2016]
1. Het is verboden een beschermd monument te beschadigen of te vernielen.
[…].
Crisis- en herstelwet
Artikel 1.6a
Na afloop van de termijn voor het instellen van beroep kunnen geen beroepsgronden meer worden aangevoerd.
Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet
Artikel 11
1. Indien afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de wet op een besluit van toepassing is, wordt dit bij het besluit en bij de bekendmaking of mededeling van het besluit vermeld.
2. Indien tegen het besluit beroep openstaat, wordt bij het besluit en bij de bekendmaking van het besluit voorts vermeld dat:
a. de beroepsgronden in het beroepschrift worden opgenomen;
b. het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, indien binnen de beroepstermijn geen gronden zijn ingediend, en
c. deze na afloop van de beroepstermijn niet meer kunnen worden aangevuld.
Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (geconsolideerd 21 maart 2023)
Artikel 1.3 Opsommingen
Opsommingen in deze verordening zijn cumulatief tenzij aangegeven.
Artikel 3.29 Cultuurhistorische waarden
Een bestemmingsplan van toepassing op Cultuurhistorisch waardevol gebied:
a. is mede gericht op behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden en kenmerken zoals beschreven in de Cultuurhistorische Waardenkaart;
b. stelt regels ter bescherming van de cultuurhistorische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden.
Artikel 3.77 Ontwikkelingsrichting
Lid 1
Voor de toepassing van de maatwerkbepalingen in deze afdeling geldt dat het bestemmingsplan een onderbouwing bevat dat de ontwikkeling past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied. Een ontwikkelingsrichting wordt opgesteld met toepassing van de basisprincipes, bedoeld in Paragraaf 3.1.2, en gaat in ieder geval in op de volgende aspecten:
a. welke activiteiten en functies vanuit een gebiedsgerichte benadering passen in de omgeving;
b. welke effecten de ontwikkeling van die activiteiten en functies heeft op andere aspecten, waaronder een veilige en gezonde leefomgeving, de te beschermen waarden, bedoeld in Afdeling 3.2 Basis op orde, mobiliteit, agrarische ontwikkeling, stedelijke ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders;
c. op welke wijze de omgevingskwaliteit in het gebied versterkt kan worden, mede gericht op de toepassing van Artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap; en
d. op welke wijze de sloop van overtollige bebouwing wordt gerealiseerd.
Lid 2
Bij het opstellen van een ontwikkelingsrichting worden deskundigen betrokken op het gebied van omgevingskwaliteit, onder wie een deskundige die bij de provincie Noord-Brabant werkzaam is.
Artikel 3.78 Maatwerk met als doel omgevingskwaliteit
Lid 1
Een bestemmingsplan kan voor een concreet initiatief nieuwvestiging mogelijk maken als:
a. de ontwikkeling volledig tot doel heeft een versterking te geven van de omgevingskwaliteit en voor dat doel de middelen genereert;
b. de realisering van de onder a bedoelde versterking van omgevingskwaliteit niet op een andere wijze is verzekerd;
c. de ontwikkeling door meerwaardecreatie aanzienlijk bijdraagt aan algemene belangen zoals sloop van overtollige bebouwing, de aanleg van natuur en bos, de verbetering van het woon- en leefklimaat, het terugdringen van de emissie van milieuhinderlijke stoffen of het behoud van cultuurhistorische waarden;
d. de ontwikkeling en de versterking van omgevingskwaliteit passen binnen de gewenste ontwikkelingsrichting van het gebied, bedoeld in Artikel 3.77 ;
e. is onderbouwd dat de activiteit volhoudbaar is naar de toekomst, bezien vanuit duurzaamheid en economisch oogpunt;
f. de ontwikkeling past binnen de uitgangspunten, belangen en doelen die deze verordening beoogt te beschermen; en
g. bij de uitwerking van het plan deskundigen worden betrokken op het gebied van omgevingskwaliteit , onder wie een deskundige die bij de provincie Noord-Brabant werkzaam is.
Lid 2
De bijdrage aan het versterken van omgevingskwaliteit betreft maatwerk waarbij in ieder geval de volgende aspecten in acht worden genomen en juridisch vastgelegd:
a. als de activiteit de realisatie van een woning betreft:
1. wordt de woning opgericht op een aanvaardbare locatie in Landelijk gebied;
2. is de fysieke tegenprestatie, die is gericht op het versterken van omgevingskwaliteit, qua omvang gelijk aan de tegenprestatie voor een ruimte-voor-ruimtekavel; en
3. is in overleg met de Ontwikkelingsmaatschappij ruimte voor ruimte onderzocht of de ontwikkeling van een ruimte-voor-ruimtekavel tot de mogelijkheden behoort;
b. als de ontwikkeling mede tot doel heeft een milieubelastende activiteit te saneren, moeten alle daarvoor aanwezige rechten en toestemmingen, waaronder de verleende vergunningen, zijn ingetrokken;
c. als de activiteit de ontwikkeling van een nieuw landgoed betreft:
1. heeft het landgoed ten minste een omvang van 10 hectare;
2. bestaat 50% van het landgoed uit gerealiseerde natuur binnen het Natuur Netwerk Brabant;
3. wordt de fysieke tegenprestatie ingezet voor de ontwikkeling van natuur;
4. is de bebouwing van allure en qua omvang passend bij de uitstraling van het landgoed;
5. wordt de bebouwing geconcentreerd opgericht buiten het Natuur Netwerk Brabant;
6. zijn naast landgoedwoningen ook andere bij een landgoed passende gebruiksactiviteiten mogelijk, waaronder zorg; en
7. is de openbaarheid van het landgoed verzekerd.
d. als de ontwikkeling plaatsvindt binnen een Cultuurhistorisch waardevol gebied ter behoud van een waardevol cultuurhistorisch complex, zoals beschreven op de Cultuurhistorische Waardenkaart, is de fysieke tegenprestatie gericht op behoud of versterking van de aldaar benoemde waarden en kenmerken.
Lid 3
Er is sprake van een aanvaardbare locatie voor de ontwikkeling van een woning als:
a. de locatie in een bebouwingsconcentratie ligt;
b. of de ontwikkeling een logische afronding geeft van Stedelijk gebied of een bebouwingsconcentratie.
Lid 4
Bij de toepassing van dit artikel zijn de volgende bepalingen niet van toepassing:
a. artikel Artikel 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik, onder a;
b. artikel Artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap; en
c. artikel Artikel 3.68 Wonen in Landelijk gebied, eerste Lid, onder a.
Bestemmingsplan "Ommuurde tuin, Kasteel Gemert"
Artikel 1 Begrippen
1.45 peil
het bouwpeil op een gemiddelde maaiveldhoogte van 15,05 meter +NAP;
Artikel 5 Wonen - Kasteel fase 2a
5.2.1 Algemeen
[…]
d. ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m)', mag de goothoogte niet meer bedragen dan zoals op de verbeelding is aangegeven;
e. ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)', mag de bouwhoogte niet meer bedragen dan zoals op de verbeelding is aangegeven;
[…]
5.2.5 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de onderstaande bepalingen:
a. de bouwhoogte van een erf- of perceelafscheiding mag maximaal 2 m1 bedragen;
[…]
5.3.2 Strijdig gebruik
Behoudens voor zover uitdrukkelijk toegestaan wordt onder strijdig gebruik van de grond en bouwwerken als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c. Wabo wordt in elk geval verstaan:
[…]
i. indien niet wordt voldaan aan de regelingen zoals opgenomen in artikel 13.1, artikel 13.2 én artikel 13.3;
[…]
Artikel 6 Waarde - Cultuurhistorisch waardevol complex
6.1 Bestemmingsomschrijving
De voor 'Waarde - Cultuurhistorisch waardevol complex' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de instandhouding en versterking van de eenheid van het complex van cultuurhistorisch belang, waaronder:
a. de monumentale bebouwing, bouwwerken geen gebouwen zijnde en muren, zoals opgenomen in de complexomschrijving monumenten, zoals opgenomen in bijlage 5;
met inbegrip van:
b. enkel ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - kas' een kas;
c. binnen de bestemming 'Groen - Kasteel fase 2a' een moestuin, conform het inrichtingsplan in hoofdstuk 4 van bijlage 2;
waarbij het onderhoud en beheer van het gehele complex door één partij wordt beschermd en uitgevoerd.
Artikel 8 Algemene bouwregels
8.1 Algemene bouwregels
a. […]
b. […]
c. […]
d. Bouwplannen worden integraal getoetst wat betreft situering, verschijningsvorm, erfbeplanting, (landschappelijke) inpassing en waterhuishouding. Dit betekent o.a. dat bouwplannen dienen te voldoen aan:
1. een door het bevoegd gezag goedgekeurd inrichtingsplan, zoals opgenomen in hoofdstuk 4 van bijlage 2;
2. een door het bevoegd gezag goedgekeurde watertoets;
e. Bouwplannen, waaronder tevens wordt verstaan de veranderingen van hoofdgebouwen én veranderingen van gevels van bouwwerken gericht naar het openbaar toegankelijk gebied, dienen te voldoen aan de criteria van het beeldkwaliteitsplan, zoals opgenomen in hoofdstuk 5 van bijlage 1;
f. […]
g. Bouwplannen dienen te voldoen aan de parkeerregeling zoals opgenomen in artikel 13.1 tenzij in de planregels of op de verbeelding een andere parkeernorm is aangeduid;
h. […]
i. Binnen uiterlijk twee jaar na het onherroepelijk worden van de eerste verleende omgevingsvergunning voor het bouwen van een woning of wooneenheid op grond van dit bestemmingsplan, dient:
1. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - kas', een kas te zijn gerealiseerd, onder de voorwaarden zoals bepaald in lid 3.2.2, en als zodanig duurzaam in stand te worden gehouden;
2. binnen de bestemming 'Groen - Kasteel fase 2a' een moestuin te zijn gerealiseerd, met een minimale oppervlakte van 600 m2, zoals opgenomen in het inrichtingsplan in hoofdstuk 4 van bijlage 2, en als zodanig duurzaam in stand te worden gehouden;
3. het inrichtingsplan te zijn uitgevoerd volgens de voorwaarden uit het inrichtingsplan, zoals opgenomen in hoofdstuk 4 van bijlage 2, en als zodanig duurzaam in stand te worden gehouden.
j. Binnen uiterlijk twee jaar na de bouw van een woning of wooneenheid dient de restauratie van de monumentale muur te zijn uitgevoerd volgens de voorwaarden uit het restauratieplan, zoals opgenomen in bijlage 3.
Artikel 9 Algemene gebruiksregels
9.4 Strijdig gebruik
Onder strijdig gebruik met de bestemming wordt in ieder geval verstaan het gebruik van de gronden en bebouwing binnen het desbetreffende bestemmingsvlak:
a. indien het door bevoegd gezag goedgekeurd inrichtingsplan zoals opgenomen in hoofdstuk 4 van bijlage 2 bij de regels niet is verleend en/ of niet duurzaam in stand wordt gehouden;
b. indien na het onherroepelijk worden van een verleende omgevingsvergunning op grond van dit bestemmingsplan, een door het bevoegd gezag goedgekeurde kwaliteitsverbetering en indien van toepassing zoals opgenomen in de bijbehorende inrichtingsplan, hoofdstuk 4 van bijlage 2, en restauratieplan, bijlage 3 bij de regels, is gerealiseerd en/ of niet duurzaam in stand wordt gehouden;
c. indien niet wordt voldaan aan de parkeerregeling zoals opgenomen in artikel 13.1 en/ of deze parkeerregeling niet duurzaam in stand wordt gehouden. Uitzondering hierop zijn, tenzij:
1. in de planregels of op de verbeelding een andere parkeernorm is aangeduid;
2. het vergund bestaand gebruik van gronden en bouwwerken betreft op het moment van de inwerkingtreding van dit plan;
d. het toevoegen van verharding in strijd met artikel 13.2;
e. indien niet wordt voldaan aan artikel 13.3 en/ of dit permanent toegankelijk openbaar groen in de kasteeltuin conform bijlage 4 niet duurzaam in stand wordt gehouden.
Artikel 13 Overige regels
13.1 Parkeerregeling
a. bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen en/of afwijken dient tenminste voldaan te worden aan het gemeentelijk beleid ten aanzien van parkeernormen, zoals opgenomen in de 'Nota Parkeernormen Gemert-Bakel 2017' vastgesteld d.d. 1 juni 2017 met dien verstande dat:
1. in geval van patiowoningen 1 parkeerplaats per patiowoning op het eigen bouwperceel gerealiseerd dient te worden;
2. drie parkeerplaatsen binnen de bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' gerealiseerd moeten worden;
3. de overige parkeerbehoefte wordt gerealiseerd en in stand gehouden op de landerijen bij het kasteelcomplex;
b. het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in sub a. van dit artikel overeenkomstig de geboden afwijkingsmogelijkheden als opgenomen in de 'Nota Parkeernormen Gemert-Bakel 2017;
c. indien de 'Nota Parkeernormen Gemert-Bakel 2017' als bedoeld onder sub a. en b. van dit artikel gedurende de planperiode van dit bestemmingsplan wordt gewijzigd, wordt bij de verlening van de omgevingsvergunning getoetst aan deze wijziging;
d. voor gebruiksveranderingen die zijn ontstaan na vaststelling van het onderliggende paraplubestemmingsplan wordt onder strijdig gebruik van de grond en bouwwerken in elk geval verstaan indien niet is voorzien in voldoende parkeergelegenheid volgens de 'Nota Parkeernormen Gemert-Bakel 2017' (vastgesteld d.d. 1 juni 2017);
e. het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in sub d. overeenkomstig de geboden afwijkingsmogelijkheden als opgenomen in de 'Nota Parkeernormen Gemert-Bakel 2017' (vastgesteld d.d. 1 juni 2017);
f. parkeergelegenheid die is gerealiseerd om te voorzien in voldoende parkeergelegenheid dient in stand te worden gehouden.
13.3 Groenregeling
a. bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor de bouw van woningen dient, conform het gemeentelijk beleid ten aanzien van groen, een oppervlakte van 75 m2 permanent toegankelijk openbaar groen per woning te worden gerealiseerd en in stand worden gehouden, in de kasteeltuin conform bijlage 4;
b. burgemeester en wethouders kunnen een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in sub a. van dit artikel mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
1. het realiseren van de vereiste groencompensatie is redelijkerwijs niet mogelijk; en
2. er in de directe omgeving, binnen een loopafstand van 300 m, voldoende groen aanwezig is;
c. bij gebruikmaking van de bevoegdheid zoals genoemd onder sub b. van dit artikel kunnen burgemeester en wethouders een financiële voorwaarde verbinden aan de omgevingsvergunning conform het gemeentelijke groenfonds.