202600651/1/V6.
Datum uitspraak: 9 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Gaza,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 16 februari 2026 in zaak nr. 25/9025 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Buitenlandse Zaken (de minister).
Procesverloop
Bij e-mail van 17 november 2025 heeft de minister een verzoek van [appellant] om haar consulaire bijstand te verlenen om Gaza te verlaten, afgewezen.
Bij besluit van 8 december 2025 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 16 februari 2026 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak gelijktijdig met zaak nr. 202600650/1/V6 op een zitting behandeld op 2 juni 2026, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. E.E.M. Bezem, advocaat in Amsterdam, vergezeld door mr. R.D.R. Walon, en de minister, vertegenwoordigd door mr. E.C. Pietermaat, advocaat in Den Haag, vergezeld door mr. A.M.D.Y. Breedveld, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Op het moment van het verzoek verbleef [appellant] in Gaza. Zij wil in Nederland een masteropleiding volgen aan een Nederlandse universiteit. De universiteit heeft haar toegelaten tot deze masteropleiding en de minister van Asiel en Migratie heeft haar eerder laten weten geen bezwaar te hebben tegen de afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv), zodat [appellant] in Nederland kan verblijven met een verblijfsvergunning regulier met als verblijfsdoel ‘studie’. [appellant] heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat zij deze mvv moet ophalen bij de Nederlandse ambassade in Amman, Jordanië, en dat het volgens haar niet mogelijk is om zonder hulp van de minister de grens van Gaza over te steken. Zij heeft de minister daarom verzocht om consulaire bijstand. Die consulaire bijstand houdt in dit geval in dat de minister zich langs diplomatieke weg inspant om ervoor te zorgen dat [appellant] de grens over mag steken.
De minister heeft het verzoek om consulaire bijstand afgewezen, omdat [appellant] op het moment van haar verzoek niet behoorde tot een van de groepen die voor consulaire bijstand bij het verlaten van Gaza in aanmerking kwamen. De minister heeft het bezwaar van [appellant] vervolgens niet-ontvankelijk verklaard, omdat de afwijzing van het verzoek om consulaire bijstand volgens hem geen besluit is waartegen [appellant] bezwaar kan maken.
De uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister het bezwaar van [appellant] terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het wel of niet verlenen van consulaire bijstand is namelijk een feitelijk handelen of nalaten waarbij de minister geen publiekrechtelijk rechtsgevolg beoogt. De afwijzing van het verzoek om consulaire bijstand is daarom geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ook heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om de afwijzing in het kader van een aan de minister toegekende publieke taak als besluit in de zin van de Awb aan te merken. De minister heeft namelijk nooit ondubbelzinnig gecommuniceerd dat hij in gevallen als waar het hier om gaat een publieke taak aan zich heeft getrokken. De minister heeft weliswaar eerder aan personen in een vergelijkbare positie als die van [appellant] consulaire bijstand geboden, maar dat was een geste wegens de zeer schrijnende veiligheids- en humanitaire situatie op dat moment in Gaza. De vergelijking van [appellant] met de uitspraak van de Afdeling van 14 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2592, gaat volgens de rechtbank niet op. Het kabinet had in die zaak, anders dan in deze zaak, namelijk in een kabinetsbrief een speciale voorziening getroffen, waardoor de minister de publieke taak aan zich had getrokken om de overkomst van twee groepen Afghaanse burgers te faciliteren. De rechtbank is ten slotte tot de conclusie gekomen dat de weigering van de minister om consulaire bijstand te verlenen, geen feitelijke handeling in de zin van artikel 72, derde lid, van de Vw 2000 is. De rechtbank heeft de weigering van de minister daarom niet gelijkgesteld met een beschikking waartegen bezwaar openstaat.
Publieke taak
3. [appellant] betoogt dat de weigering van de minister om haar consulaire bijstand te verlenen, wel als besluit in de zin van de Awb moet worden aangemerkt. Volgens haar heeft de minister namelijk de publieke taak aan zich getrokken om zich in te spannen om mensen te ondersteunen bij hun vertrek uit Gaza. Zij wijst daarbij op publieke uitingen die de minister heeft gedaan waaruit volgt dat hij zich inspant om personen met een recht op verblijf in Nederland te helpen om Gaza te verlaten. De minister heeft beleidsmatig uitvoering gegeven aan die inspanningsverplichting door ook consulaire bijstand te verlenen aan personen die een mvv mogen ophalen om in Nederland te verblijven met als verblijfsdoel ‘studie’ of ‘onderzoek’. Het gaat daarbij dus niet om een eenmalige geste. [appellant] wijst er daarnaast op dat het bieden van consulaire bijstand een publieke taak is, die alleen de Nederlandse Staat en zijn organen kunnen uitoefenen. Een besluit van de minister om in gevallen als waar het hier om gaat geen consulaire bijstand te verlenen, heeft bovendien zeer grote gevolgen voor de betrokkenen. De bestuursrechter kan in dit soort gevallen op een laagdrempelige manier rechtsbescherming bieden. [appellant] wijst vervolgens op de uitspraak van de Afdeling van 14 september 2022 en betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de situatie in die zaak verschilt van die van haar. Ten slotte voert [appellant] aan dat de minister van Asiel en Migratie haar al heeft laten weten geen bezwaar te hebben tegen de afgifte van de mvv, waardoor de Nederlandse overheid haar een publiekrechtelijke toezegging heeft gedaan. Zonder hulp van de minister is deze toezegging inhoudsloos.
3.1. Uit de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:5234, onder 6.2-6.5, volgt dat de weigering van de minister om consulaire bijstand te verlenen aan personen uit Gaza met een mvv, geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De Afdeling stelt die weigering ook niet gelijk aan een besluit. Dit betekent dat de rechtbank terecht tot de conclusie is gekomen dat de weigering van de minister om [appellant] consulaire bijstand te verlenen, geen besluit is in de zin van de Awb en dat de minister het bezwaar van [appellant] daarom terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Wanneer een betrokkene het niet eens is met de weigering, kan de betrokkene zich wenden tot de burgerlijke rechter.
Conclusie
4. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Dit betekent dat de weigering van de minister om aan [appellant] consulaire bijstand te verlenen, neergelegd in de e-mail van 17 november 2025, geen Awb-besluit is. De Afdeling stelt die weigering ook niet gelijk aan een besluit. Dit betekent ook dat [appellant] zich kan wenden tot de burgerlijke rechter als zij het niet eens is met de afwijzing van haar verzoek.
5. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
6.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. J.J.W.P. van Gastel en mr. J.C.A. de Poorter, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.E. de Ruijter, griffier.
w.g. Sevenster
voorzitter
w.g. De Ruijter
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2026
887